Stil zijn

Stil zijn
Mijn reis door India bestond uit twee delen. Het eerste deel lees je hier.
En nu vertel ik over de stilteretraite.

Ik was niet bang om zeven dagen niet te spreken. Ik was bang om zeven dagen niet te luisteren. Ik was bang om bij mezelf te moeten blijven. Dat was wat ik dacht toen ik op vrijdagmiddag op het grasveld stond van het meditatiecentrum waar ik deze week niet af zou kunnen. Tot dit moment had ik eigenlijk niet geloofd dat ik echt aan de stilteretraite zou deelnemen, dat ik echt zeven dagen met mezelf zou zijn, maar ik was er. En ik ging het doen.

Ik was bang dat ik huilend van het ontbijt naar de lunch zou strompelen en mezelf (stilletjes of juist krijsend) in slaap zou grienen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het programma ook echt om te janken was. Om half zes werden we gewekt, om kwart voor zes tot half zeven yoga, om kwart voor zeven tot half acht de eerste zitmeditatie, dan een uur ontbijten (pap, pap en nog eens pap), dan een werkperiode, dan een teaching van de Britse monnik Christopher Titmuss (die alle teachings gaf), daarna drie kwartier loopmeditatie, drie kwartier zitmeditatie, drie kwartier loopmediatie. En dit was allemaal nog voor de lunch! Het programma met meditaties en teachings ging door tot 21.30 uur. Ik mediteerde me dus de pest: in totaal 7,5 uur per dag.

Nu ik dit zo opschrijf, leest het verschrikkelijk. Maar, dat was het niet. Natuurlijk heb ik me rot gevoeld, natuurlijk heb ik stiekem met het thuisfront ge-sms’t al was dat niet de bedoeling, natuurlijk heb ik op de wc een boek gelezen ook al mocht dat niet, natuurlijk heb ik uit het zicht wél met iemand gepraat en natuurlijk heb ik gedacht krijg allemaal het lazerus, laat me eruit, maar in de momenten van vreselijkheid kwam ik telkens weer terug op een warme, lichte plek. Ik kon om mezelf lachen, ik kon mezelf een denkbeeldige aai over de bol geven. En het mooie van de hele dag met je gedachten zijn, is dat je er afstand van neemt. Gedachten dreven voorbij, ik zag ze, ik kon om ze lachen, ik kon ze serieus nemen. Ze slokten me niet op. Ik was niet wat ik dacht.

En wat heb ik nog meer ontdekt… Dat ik Indiaas eten eigenlijk heel vies vind. Elke middag kregen we supergoed eten, maar na de vierde keer kon ik wel huilen om de lucht alleen al. Ik wilde een hamburger, een pizza of bloemkool met een papje desnoods! Ook merkte ik dat ik het belangrijk vind dat mensen mij lief vinden. Ik sliep met nog twee meiden in een kamer, die overigens al veel vaker dit soort boeddhistische retraites hadden gedaan dus toen de monden dicht gingen, ging ook het oogcontact uit, er was niks meer om mee te communiceren. Dat vond ik moeilijk. Toen ik op de eerste avond naar binnen ging, deed ik de deur dicht, omdat het stierf van de muggen buiten en die wilde ik niet binnen hebben. Ik deed de deur op slot omdat ‘ie niet goed dichtging. Een van de meisjes stond later te morrelen aan de deur. Ik rende naar de deur, deed open en wilde mezelf uitleggen, maar zij maakte geen oogcontact en ik kon niks zeggen. Sterker nog: de deur was al open, ik hoefde niks te zeggen. Onmiddellijk een ‘a-ha’ moment. Ik hoef niet altijd wat te zeggen, ik hoef me niet altijd te verontschuldigen. Mensen hoeven mij niet te begrijpen.

Toen de stilte langer duurde, begon ik er meer van te houden. Er kwam ruimte voor dingen die ik normaal niet voelde. Er kwam een rust die ik niet kende, ik voelde liefde voor thuis bewuster en er kwam ruimte voor herinneringen. Om één herinnering heb ben ik zo dankbaar. Ik zat in het gras en de zon scheen. Ik keek naar een boom en ineens was die boom een boom op de camping waar wij vroeger met de hele familie op stonden met onze caravans. Ik bleef kijken en ik voelde een gevoel van vroeger, van toen ik een kind was, een gevoel dat je alleen herkent als je het opnieuw voelt. Het was er. Mijn tante Annie was er ook weer. Het was zo helder, het was zo bekend. Ze is nu vier jaar dood en ze was ineens zo dichtbij. Zo mooi, zo bijzonder.

Het laatste wat ik in de stilte vond, was mijn ego. Of liever gezegd: het bewustzijn dat mijn ego er is. Ik hoefde niks in het centrum, er was niks, geen deadline, geen boek, geen zorgen en zodra ik dacht aan weer thuis zijn en weer schrijven aan mijn boek, voelde ik de druk, de angst, de jaloezie. Misschien moest ik maar niet meer schrijven. Misschien moest ik meditatiejuf worden. Of. Misschien moest ik het hier eerst even met Christopher over hebben. En dat deed ik, tijdens een zogenoemde one-on-one. Ik legde uit dat het boek schrijven zoveel negatieve gevoelens met zich meebrengt en vroeg wat ik moest doen. Zijn antwoord was simpel. “It is your ego. Don’t strive for succes. If you strive for succes, there is also the fear to fail. Let your ego go and write for the joy of writing. That it also the only way to make something that is worth something.”

Toen ik na zeven dagen weer mocht praten, had ik veel te vertellen. Ik had zoveel geleerd en gevoeld en ik was dankbaar. En dat ben ik nog steeds. Als ik terugkijk op mijn reis, niet alleen mijn reis door India, maar de reis die al eerder begon, die eigenlijk begon met de mindfulnesstraining, ben ik zo blij dat al die schurftellende me is overkomen, want ik ben er een fijner mens van geworden, vooral voor mezelf. Er is meer rust, ik moet minder, ik ben blijer, ik heb meer compassie voor mezelf, ik bekijk anderen met zachtere ogen, ik ben een boek aan het schrijven, met plezier. Door nog steeds dagelijks een half uur stil te zijn, blijf ik die afstand tot mijn gedachten hebben en dat is het meest waardevolle. Ik herken gedachten die me helpen en gedachten die me niet helpen. Dat ik niet altijd weet wat ik met die niet helpende gedachten moet doen, is soms jammer, maar soms moet ik dan ook weer heel erg om mezelf lachen. Ik ben een blije Boeddha geworden, die het nog niet helemaal begrijpt en dat mag.

Het is allemaal al goed hè

Het is allemaal al goed he

Met hoofdpijn zit ik in het vliegtuig. Het is druk geweest. Ik ben moe. Ik ben zo moe dat ik niet eens merk dat we opstijgen. Ik zit bij het raam, maar ik heb de mensjes op de grond niet zien verdwijnen, ik heb de huizen niet kleiner zien worden, ik heb niet kunnen zien dat ik de wereld zoals ik hem ken achter me liet. Ik slaap door twee vliegtuigmaaltijden heen en als ik wakker word, ben ik in Delhi.

Hoewel de spirituele reis met de rest van de vrouwen vrijdag pas begint, en het nu woensdag is, haalt de reisjuf me op van het vliegveld. Gelukkig maar, want als we Dehli in lopen, ben ik onmiddellijk het anker in mezelf kwijt. Ik weet dat mijn anker nog maar een ankertje is, maar dat vijf minuten Delhi het zou doen verdwijnen, had ik niet verwacht. Terwijl tuktuk’s langs me flitsen, meneren op riksja’s roepen dat ze ons weg kunnen brengen, mensen naast ons op blote voeten door de viezigheid lopen, een kar die door een os wordt getrokken voorbij moet, een vrouw met een kind bedelt om ‘chapati’ en er aan één stuk door wordt getoeterd schreeuwen mijn gedachten om hulp. Ik verlies hier mijn anker en ook mijn verstand!

De reisjuf gaat deze avond naar een concert en ik besluit in het hotel te blijven. Toen ik mijn reis boekte dacht ik; ‘ik ga even een paar dagen eerder om te acclimatiseren en om tijd voor mezelf te hebben voor de reis met het kippenhok van acht vrouwen van start gaat’. En nu, zo alleen, wil ik eigenlijk niets liever dan dat de vreemde vrouwen er al zijn. Maar dit was mijn keuze en nu moet ik op de blaren zitten. Ik eet alleen op het dakterras van een restaurantje tegenover het hotel. Het eten is goed, maar ik vind het niet lekker. Het getoeter gaat ook maar door en mijn hoofdpijn wordt erger. Ik ga terug naar het hotel en vind mijn kamer stom. Er is geen raam te bekennen, er zijn geen kussentjes of een stoel en ik hoor nog steeds getoeter omdat ik aan de straatkant zit. Verslagen ga ik op het bed zitten en dan begint het. Mijn hoofd.

Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.

Als ik dit ongeveer 87 keer heb gedacht, begin ik ineens te lachen. Keihard. Mijn buik schudt ervan, ik voel me de lachende boeddha. Een vrolijk mantra zoals ‘Moge ik gemak ervaren’ raak ik in mijn meditaties veel en vaak kwijt, maar een ‘Ik wil naar huis’ lukt wél. Grappig eigenlijk. Schattig, vind ik het zelfs. Ik adem diep in, kijk voor een laatste keer rond in deze ongezellige kamer en pak mijn spullen. Bij de receptie vraag ik om een upgrade. Ik ben lief en mag een gezelligere kamer van mezelf. De nieuwe kamer zit niet aan de straatkant, er staan twee stoeltjes in, er ligt een sprei en wat kussentjes op het bed, ik heb een waterkoker en een zelfs aquarium.

De volgende dag sluit er nog een dame aan, een vrij fantastische, waarmee ik samen wel een stukje door de straten van Delhi durf te lopen. De dames die volgen zijn stuk voor stuk fantastisch, op hun eigen manier. Met de nachttrein reist dit – voor Indiërs bijzondere lange en witte – gezelschap van Delhi naar Bodghaya, waar de Boddhi boom staat waaronder de boeddha is verlicht en waar nu ook een prachtige tempel staat. We zien monniken en pelgrims (hé, ik ben ook een pelgrim!) die van over de hele wereld daar naartoe zijn gekomen, om te mediteren, om bloemen neer te leggen, om te zijn. We reizen door naar Varanasi, waar kalfjes midden op een kruispunt bij hun moeder drinken en ik met mijn slipper in een koeienvlaai sta, we lopen langs de trappen aan de Ganges, aanschouwen het verbrandingsritueel van overledenen. We praten, lachen, eten taart, geven fruit aan kinderen die bedelen, pingelen af (laat mij in godsnaam nooit meer afpingelen, ik zeg al gauw “Ah joh, 300 roepie, heeft die man ook wat…” en dan verpest ik de hele deal) en delen verdriet, kennis en verbondenheid. Het is een reis die we echt samen maken, de vrouwen maken deel uit van mijn ontwikkeling en ik uit die van hen.

Toen kwam de laatste dag voordat de stilteretraite zou beginnen. Ik neem een moment voor mezelf om het allemaal op een rijtje te zetten. Eén besef voert de boventoon: hoe vrolijk ik was de afgelopen tijd. Ik voel het heel helder, hoe anders het is dan in Nederland. Ik was blij, open en kalm, zelfs terwijl mijn oren suisden van het getoeter, terwijl wc’s en straten vies waren en de douches koud. Ik had vertrouwen, in de dag, in het land, in mezelf. Ik huil. De hele reis had ik nog niet gehuild.

Ik huil omdat ik besef dat ik een vrij negatieve kijk op het leven heb. Ik ben vrolijk en positief aan de buitenkant en dat is niet gespeeld maar toch is het in mijn hoofd vaak anders. In mijn hoofd is het ‘dat lukt toch niet’ of ‘dit zal nooit gebeuren’ of ‘zie je nou wel dat…’ Ik ga de negatieve gedachten na die ik de afgelopen tijd heb gehad. Want het is niet dat ze verdwenen in India hoor, o god nee, maar ze werden wel ontkracht. Ik werd ziek en dacht ‘ja hoor, nu heb ik niks meer aan mijn vakantie’. Maar de reisjuf bracht saliethee en de volgende dag was ik er bovenop. Ik had mijn schoenen laten staan bij een hotel en dacht: ‘die dure Nikes zie ik nooit meer terug’. De hoteleigenaar zette de schoenen in een tuktuk en liet ze brengen naar het hotel waar ik nu verbleef. De tranen blijven lopen. Niet meer omdat ik een negatieve kijk op het leven heb, maar omdat ik me er nu bewust van ben en het kan, en mag, veranderen. Langzaam zal ik mezelf eraan herinneren dat ik vertrouwen in het leven mag hebben, dat het me geeft wat ik nodig heb en met humor en zachte ogen mag ik naar mezelf kijken. Zoals één van de dames het verwoordde: “Het is allemaal al goed hè.” En dat is zo. Het is allemaal al goed en er is dus vertrouwen en humor, wat mooi. Ik hoop dat ik er voldoende van heb om die stilteretraite mee door te komen. Gelukkig kan ik daarop bouwen tijdens de stilteretraite.

Hier lees je hoe de stilteretraite was!

Foto: Met dank aan Carin – ik hou van badslippers – Walraven
Reis: Live Mindfully

Als er een God is

Als er een god is

Een mevrouw van rond de 65 staat voor een kerk in België. Ze kijkt alsof ze moe is. Niet alleen van deze dag, maar van alle dagen die eraan vooraf gingen. In de ene hand heeft ze een droog broodje, in de andere een stuk kaas. Ze neemt een hap van het ene en daarna van het andere. Zonder te kijken naar wat ze in haar hand heeft. Wakend. Snel propt ze het naar binnen, omdat het moet.

Omdat het vakantie is en je in de vakantie dingen bekijkt die je thuis niet zult zien, loop ik de kerk in. Ik leef een leven zonder God, maar God, het is vakantie. En de stilte die in een kerk woont, overtreft elke meditatiesessie in welke yogaschool dan ook. Het is binnen bijna net zo koud als buiten. Toch zitten er in een hoek twee vrouwen met verwaaid haar te schuilen. Met zwarte jassen aan zitten ze dicht tegen elkaar. Ze zien eruit alsof zij ook brood en kaas eten zoals de mevrouw voor de kerk dat doet. Een van de dames rookt een shaggie. Stiekem. Twee andere bezoekers van de kerk wijzen afkeurend naar het rode, gloeiende puntje. Het doet de vrouwen niks. Het is te koud om je iets van een ander aan te trekken. Ik denk aan God. Als er een God is, gooit ze een dekentje op de vrouwen.

Ik ga zitten op de houten stoeltjes die niet gemaakt zijn voor lange sessies. Als er een God is, heeft ze het blijkbaar druk. Niemand zal hier lang blijven, behalve als je nergens anders mag zijn. Ik heb vakantie, dus ik blijf niet lang. Er moet nog gewinkeld en Belgisch bier gedronken. Ik zie de ramen waar in aqua blauw glas in lood verhalen zijn afgebeeld. Het is mooi, het heeft iets hips. De bloemen in de kerk zijn gesorteerd als rouwboeketten en de kaarsjes lijken van de Xenos te komen. Als er een God is, is ze geen interieurarchitect.

Als er een God is, ben jij nu bij haar tante Annie. Jij en zij kunnen het goed vinden, want net als God, was jij ook geen interieurarchitect, maar je hield wel van shaggies. Misschien hebben jij en God wel dezelfde gele vingertoppen van het draaien. Misschien luisteren jij en God wel samen naar Wooden Heart van Elvis en eten jullie witte puntjes met jong belegen kaas, jouw lievelings. Misschien lachen jullie samen tot je hoest van het roken. Want als er een God is, bestaat er waar jij nu bent, helemaal geen longkanker.

In het begin, drie jaar geleden, zag ik je grijze kat nog in de vensterbank liggen als ik langs je huis reed. Verwachtte ik je op de verjaardag van mijn zus. Liep ik langs je portiek en rook ik de geur van Kanis en Gunnik. Maar de laatste tijd denk ik niet meer aan je. Niet elke dag, zoals in het begin. Misschien niet eens elke week. De afgelopen tijd dacht ik niet eens aan je op speciale dagen. Niet met kerst en ook niet met Oud & Nieuw. Zelfs niet op de datum waarop jij vertrok. Maar soms ben je er ineens. Nu. Hier. In de kerk. Nu ik voel dat ik mijn mondhoeken naar beneden trek, precies zoals jij dat altijd deed.

De kaarsjes staan te wachten op een tafel. Ik overweeg er eentje voor mijn liefdesleven op te steken, maar als God zo’n slechte smaak heeft als deze kerk doet vermoeden, kan ze zich er beter niet mee bemoeien. Ik gooi vijftig cent in het daarvoor bestemde bakje en hoor je zeggen dat God een afzetter is. Ik denk dat ze lacht en je koffie bijschenkt. Het kaarsje steek ik aan en ik denk aan hoe ik je nog elke dag zou kunnen missen, als de snelheid van het leven me dat zou toelaten. Maar als er een God is, ben je daar beter op je plek. De wereld en haar maker kunnen wel wat oprechtheid gebruiken, wat Rotterdamse humor en wat van jouw zelf gebakken tulbandcake.

Als ik naar buiten loop, staat de mevrouw er nog steeds. Haar broodje is bijna op. Ze probeert haar leven voorbij te eten. Haar kaken gaan sneller. Hoe sneller ze eet, hoe korter ze leeft. De vrouw steekt de kaas in haar jaszak en loopt de kerk in. Ik kijk haar na. Mild belegen kaas, denk ik, dat krijgt u na dit leven. Als Annie en God wat voor je over laten.

Nagelslak

Nagelslak

Een man en een vrouw van eind twintig staan in het hoekje van het zwembad. Ze aaien elkaar over hun natte haren en lachen om dikke Britten die bommetjes maken. Om gezinnen die naar muntjes duiken. Niemand aait mij. Ik laat me niet aaien. Niet liefhebben. Ik neem een slokje uit mijn glas water met ijs en kijk naar het gezin waar ik bij hoor. Het gezin bestaat uit mijn zus, schoonzus en hun twee kinderen. Met een vriend, zou ik een eigen gezin hebben. Maar hoe langer je alleen blijft, hoe groter de kans dat anderen je adopteren. Ik ben 29 jaar en mag bij het gezin van mijn zus.

Ik mag zelfs mee op vakantie. Naar een vijf sterren all-in hotel in Griekenland. Je kunt er de hele dag eten, er zijn heel veel glijbanen en knappe badmeesters bij het zwembad, en hoewel ik zee had verwacht, weet ik nog steeds niet waar die is. Ik ruik alleen chloor en kijk hoe mijn neefje een door het animatieteam georganiseerde waterpolowedstrijd speelt. Hij is tien en mag zijn gang gaan. Mijn nichtje is twee en zit samen met mij in het pierenbadje. Onze billen op de rand. Mijn voeten raken de vloer van het zwembad, die van haar nog niet. Ze heeft zwembandjes om. Met haar schepje schept ze water in het emmertje dat ik voor haar beet houd. Ze praat niet. Opperste concentratie.

Per ongeluk laat ze haar schepje in het water vallen, ze kijkt me bang aan. Bang is ze ook van het water. Van de diepte, van de kou. Net als haar tante is ze bang van het onbekende. Net als haar tante, durft ze nog niet te vertrouwen. Ik pak haar schepje niet, omdat ze het zelf moet leren. Even fronst ze haar wenkbrauwtjes. Dan tuurt ze in het water en ze beslist. Ze is dapperder dan ik. Ze legt haar kleine handje op mijn bovenbeen, houdt me stevig vast en laat haar lijfje het water in glijden. Het is koud, ze rilt even. Ik leg mijn hand op haar arm en zorgt dat ze niet in het water verdwijnt. Ze laat zich nog iets zakken. Ze vertrouwt me. Blindelings vertrouwt ze me. En ze heeft haar schepje te pakken.
We gaan een ijsje halen. Mijn zus wil piña colada. Alles is ‘gratis’, dus om één uur ’s middags halen we ijs en cocktails. Mijn nichtje rent naar binnen, naar de bar. Vrolijk en nieuwsgierig. Zo ren ik weleens het café in. Hongerig naar nieuwe verhalen, zin in nieuwe mensen. Mijn nichtje gaat aan tafels staan en begint te praten tegen mensen die haar niet verstaan. Zoals ik praat tegen vreemden buiten op het terras. Mijn nichtje rent naar de muur en laat zich verbazen door alles vissen die erop zijn geschilderd. Een kwartier kijkt ze naar de muur. Naar de kleuren. Naar de vormen. Zo kijk ik naar mensen. Ze rent nog een rondje, langs alle buffetten. Ze eindigt bij mij en ik vraag haar om een kus.
“Nee tante,” zegt ze. “We gaan ijsje eten.”

Als we ’s avonds in ons appartement zitten, lak ik op het balkon mijn teennagels. Voor mij is er op dit moment niets te doen. Mijn zus doet mijn nichtje in bad en mijn schoonzus is een boek aan het lezen met hun zoon. Ik kijk naar de lucht. Het is nog niet donker, maar de maan schijnt al. Het is een kleine maan. Slechts een streepje van wat hij kan zijn.

Mijn nichtje is klaar en komt naar het balkon. Ze loopt nog in haar blootje. Ze loopt het liefst in haar blootje. Nog iets waarin we op elkaar lijken.
Met grote ogen kijkt ze naar de rode kleur die ik mijn teennagels geef. Ze springt van plezier.
“Wat is dat?” Ze klapt in haar handjes.
“Nagellak,” zeg ik.
“Ik ook nagelslak?”
“Nagellak,” verbeter ik haar.
“Ik ook nagelslak!” roept ze.
“Jij mag ook nagellak. Ga maar zitten.”
Ik lak haar teennagels net zo rood als die van mij. Ze kijkt me aan of ik fantastisch ben. Of ik haar moeder ben. Haar beste vriend. “Mooi tante,” zegt ze. “Ik ben mooi.”
“Je bent heel mooi!” Ik zoen haar. “Je bent de zon, de maan en de sterren!”
“Nee, ik ben zon,” kirt ze. “Tante is maan.”
“Oké,” zeg ik lachend. Even ben ik de maan.
Mijn nichtje rent naar binnen.
“Mama kijk!” roept ze. Mijn zus en schoonzus en hun zoon bewonderen haar rode teennagels.
Ik lak mijn nagels af. En bij gebrek aan het bovenbeen van een ander, laat ik mijn hand op die van mijzelf rusten.

Vouwen of proppen

Vouwen of proppen

In het begin van je leven zijn je wc gewoontes gemeengoed. Er wordt aan je kont geroken, men bespreekt de kleur van je urine en er wordt grondig geveegd tussen je billen. Een paar maanden later wordt er aan je gevraagd of je ‘poep moet doen’ en dan schuiven er mensen een potje naar je toe. Er wordt gekeken hoe je op het potje gaat zitten, soms wordt een foto van de inhoud van je potje op Facebook gezet. Nog later leer je zelf hoe je het beste je billen af kunt vegen. En dan, volgens mij ben je dan ongeveer vier, is het afgelopen met het publiek bespreken van wc gewoontes. Althans, dat dacht ik.

De afgelopen week ben ik erachter gekomen dat er een tijd aanbreekt, wanneer er weer wordt gevraagd of je ‘poep moet doen’. Het gebeurt wanneer je gaat samenwonen. Met twee vrienden en een vriendin was ik een weekje op vakantie. We zaten in een huisje en ondernamen niet veel. We deden spelletjes, dronken wijn, liepen over het strand, lazen een boek, dronken bier en keken tv. Samenwonen voor een week. Ik vond het leuk. Op de eerste dag van onze vakantie, kondigde ik tijdens een gesprek aan dat ik naar de wc moest. (Geen idee waarom, maar ik had nog nooit samengewoond, dus ik kende de regels niet.)

“Moet je poepen?” vroeg een vriend.
“Wat zeg je?” vraag ik.
“Of je moet poepen.”
“Hoezo?” Is dit een strikvraag? Is dit een grap? Is dit serieus?
De vrienden lachen. Ik had het gevoel dat dit uitlachen was, maar dat kon aan mij liggen.
“Wil je dat nou niet zeggen,” vraagt de vriend, “of je moet poepen of niet?”
“Nee. Dat zeg ik niet. Waarom zou ik dat zeggen? Waarom wil je het weten?”
“Ik heb net beneden gepoept, dus als jij ook moet, moet je ook beneden,” zegt hij. “Want dan hebben we boven nog steeds één wc die niet stinkt.”
Ik loop rood aan en ga netjes naar beneden om te doen wat ik moet doen.

“Vind je het zo vervelend om over poep te praten?” vraagt de vriendin.
“Nou. Wil je niet steeds het woord ‘poep’ gebruiken,” zeg ik.
De vrienden lachen me uit, het is nu heel duidelijk.
“Ben ik preuts omdat ik niet over een grote boodschap wil praten?” zeg ik. “Het is toch niet een heel interessant onderwerp jongens?”
De drie zeggen dat het wel een heel interessant onderwerp is. En een grote boodschap moest ik gewoon poep noemen. Ze vertelken me dat het hartstikke normaal is om je wc gewoontes te bespreken, ik zou er vanzelf wel achter komen als ik ging samenwonen. Deze vrienden hebben al eens samen gewoond of doen dat nu nog. Als je samenwoont, zeggen ze, kom je er niet onderuit: dan weet je wanneer iemand aan de diarree is en hoe dat spettert of hoe dat ruikt. Je weet of diegene veel toiletpapier gebruikt of weinig juist en als de enige wc in huis in de badkamer is en de een staat onder de douche en de ander moet heel erg, ja, dan gebeurt het dat je poept waar die ander bij is, ja. Dit leek mij al heel gênant en iets wat een nachtmerrie is. De echte nachtmerrie bleek het sluitstuk van het gesprek; een discussie over de perfecte drol, waar ik niet verder over uit zal weiden.

“He, maar nu ben ik nieuwsgierig,” zegt de vriendin, “ben jij een vouwer of een propper?”
Ik trek mijn wenkbrauwen op van onbegrip.
Ze legt uit. “Als je ‘een grote boodschap’ hebt gedaan en je veegt je billen af, vouw je dan het toiletpapier of prop je het?”
“Hoezo?” vraag ik.
“Dat zegt wat over je.”
“Ik prop het geloof ik.”
“Dat dacht ik wel.”
Met een begrijpelijke, doch zorgelijke frons wordt er naar me geknikt.
“Is dat heel erg?” vraag ik.

De vrienden doen het verschil tussen een vouwer en een propper uit de doeken. En ik vraag me af of er ergens een Facebook pagina is voor samenwonenden en hun wc gewoonten, want serieus, ik had er nog nooit van gehoord Een vouwer is iemand die keurig zijn wc papiertjes vouwt, dat is logisch. Maar je kunt een parallel trekken naar wat voor soort persoon hij of zij is. Een vouwer zit rustig op de wc, neemt tijd voor het bezoek en staat ook zo in het leven. Het is een ordelijk iemand, niet chaotisch, niet gehaast. Een propper daarentegen geeft een ruk aan de rol, duwt wat papier tot een prop en veegt zo snel mogelijk zijn of haar kont af. De propper is een druk of chaotisch iemand, vindt het moeilijk zich te ontspannen en gebruikt zijn of haar tijd op de wc zo efficiënt mogelijk. Het liefst wordt er tijdens het toiletbezoek nog een mail gestuurd.
“Ik denk dat jij deze week moet gebruiken om te ontproppen,” zegt de vriendin. En het klinkt nog logisch ook. Ik stuur veel te vaak mailtjes op de wc.

De rest van de week blijven de poepgesprekken. Juist omdat ik er niet zo goed tegen kan, denk ik. Ik probeer mee te doen (ook al moet ik soms bijna kotsen), ik probeer te ontpreutsen (want als ik ga samenwonen, moet ik er klaarblijkelijk toch aan). En ik probeer te ontproppen. Secuur vouw ik de velletjes wc papier, heel veel velletjes omdat ik anders bang ben dat mijn hand er doorheen komt. In mijn tijd als propper was ik daar nooit angstig voor. Poepen was deze week niet heel relaxed, maar aan het einde van de vakantie kan ik wel beter omgaan met gesprekken over wc gewoontes. Ik heb mezelf echter niet kunnen transformeren tot een vouwer, ik blijf chaotisch en druk en ben ongelukkig op de wc als vouwer. Dus ik besluit: ik ben een propper in hart en nieren en dat is prima. Nu ik er over nadenk, de man met wie ik ga samenwonen, moet ook een propper zijn, dat lijkt me fijn. En ik wil met deze propper alleen ergens wonen in een huis dat een gescheiden wc en badkamer heeft. O ja. En hij mag me niet vertellen wat zijn perfecte drol is. Anders gaan we latten.

PS. Zin gekregen in meer poep- en plashumor? Lees dan heel gauw Tarrel!