Het haar van de taalnazi

 

Er was eens een taalnazi*. De mijne. Een grote, mooie, sterke man met een baard, en haar op zijn borst. Groene ogen, een rechte neus, en het mooiste was misschien wel zijn haar. Donkerblond haar, in de schemer was het donker en in de zon bijna blond. Kort, nonchalant, wild, met een slag. Hij hoefde zijn haren nooit te kammen, het viel zoals het viel en het was prachtig. Het was een prachtige taalnazi. De mooiste die ik ooit had gezien.

En toen kwam er een olifant met een hele grote snuit en die blies zo het sprookje uit. Want de taalnazi besloot om zijn haar te laten groeien.
‘Als het lang is, ga ik het heel goed verzorgen.’ Hij aaide zijn haar. We zaten op de bank. ‘En het krult straks ook heel mooi,’ glunderde hij.
‘Maar, schat,’ zei ik twijfelachtig. ‘Ik denk niet dat het nog gaat. Lang haar. Dat het nog mooi is.’ Subtiel probeerde ik hem te wijzen op zijn terugtrekkende haargrens.
‘Jawel, het is wel mooi.’ Hij aaide zijn haar zoals ik nog nooit een man zijn haar had zien aaien. Horrorscenario’s van strakke paardenstaarten en inhammen tot aan zijn achterhoofd doemden op in mijn hoofd. Ik nam een slok wijn en spoelde zo de griezelfoto’s weg. Hij mag dit zelf weten. Ik hou van hem, ik wil leven zonder oordeel. Hij mag dit. Hij mag levensgrote inhammen hebben en erbij lopen als een zwerver. OMG. Nog een slok. Zonder oordeel. Hij mag dit.

Het haar groeide en groeide. Het kwam op zo’n rot lengte waar allerlei vrouwen die hun haar kort hebben geknipt ook doorheen moeten als ze het weer lang willen. Ik had steeds meer moeite om mijn reserveringen weg te stoppen.
‘Wat vind je er zelf van?’ vroeg ik.
‘Ik vind het mooi,’ antwoordde hij.
Hij vroeg niet wat ik vond. Waarschijnlijk omdat mijn gezicht KNIP HET AF! gilde.
‘Ik laat het lang groeien en als het lang is en je vindt het niet mooi, dan knip ik het af.’
‘Dat is goed,’ zei ik.
Het is een eigenwijze man. Ik hou van hem omdat hij zelfs in december op slippers loopt, omdat hij er schijt aan heeft dat zijn lievelingsbroek vol gaten zit, omdat hij mij leert dat ik schijt moet hebben en van mezelf moet houden.

Maar ik houd niet van lang haar en ik kon het steeds moeilijker verbergen. Mijn prachtige taalnazi verloor aan glans, er kwam iets dakloosachtigs over hem heen. Vrienden en familie vielen me bij.
‘Gast, je wordt ook ouder. Die inhammen, man,’ zei zijn beste vriend.
‘Je bent echt knapper met kort haar,’ zei mijn zus.
‘Och jongen, ga toch naar de kapper,’ zei zijn moeder.
‘Heb je een midlife crisis?’, vroeg mijn moeder.
De taalnazi hoorde het aan, keek het aan, aaide zijn haar weer en verzonk in een wereld waarin zijn manen dansen in de wind en glanzen in de zon.

Ik deed mijn ogen dicht en mediteerde. Hij mag zijn wie hij is. Hij mag dit haar houden. Ik deed mijn ogen open en wilde gillen dat hij het af moest knippen. Ik deed mijn ogen dicht en wilde hem accepteren, wie hij ook zou worden. Ik deed mijn ogen open en dacht: o mijn god, straks wil ik nooit meer met hem naar bed. Kan ik nog met hem naar bed als hij een paardenstaart heeft en eruitzien alsof hij met drie halve literblikken bier in het park heeft overnacht?

Ik besloot een milde aanpak en pakte mijn telefoon. Ik liet hem een foto zien van hem op onze vakantie op Texel. Hij staat in de duinen, heeft zijn lichte spijkerbroek aan, een zwarte jas daarboven. Hij heeft een zonnebril op, zijn haar is mooi en kort en verwaaid en hij staart de verte in, alsof hij James Dean is.
‘Hier ben je supergeil. En de mooiste. De mooiste die er is.’
‘Met lang haar, ben ik nog mooier.’
Ik verbeet me, maar het lukte niet. ‘Ik wil dat je het afknipt.’
‘Wat?’
‘Ik meen het. Ik kan er niet tegen. Ik vind het niet mooi. Straks wil ik niet meer met je naar bed. Jij wil toch ook niet dat ik mijn haar af knip?’ Ik ratelde. ‘Vind je mij dan nog mooi?’ gilde ik.
‘Doe eens normaal,’ zei hij zachtjes. Hij aaide zijn haar. Zelfs zijn fret aait hij niet op deze manier.
Ik stak mijn telefoon hysterisch in de lucht – of liever gezegd in zijn gezicht – en riep: ‘Ik wil mijn taalnazi terug! Terug!’ Het huilen stond me naderbij dan het lachen. ‘Waarom knip je het nou niet af, voor mij? Ik zou het ook voor jou doen.’
‘Echt,’ zei hij streng. ‘Doe. Normaal.’

Hij had gelijk. Het was niet normaal en ik voelde me een verschrikkelijk dom, vervelend, onaangenaam mens die eigenlijk niet eens meer een kusje van de taalnazi verdiende. Ik zei dat ik erover zou zwijgen. Een week later zat ik er toch weer over te zeuren. Ik wilde dat hij het zou knippen, voor mij. Dat hij het belangrijk vond wat ik vind. Maar ik vond het ook belangrijk dat hij bij zichzelf zou blijven. Maar ik vond het ook belangrijk dat hij het zou knippen, voor mij. Maar ik vond het ook belangrijk…

Zaterdag was ik bij mijn moeder. Ik kreeg een appje kreeg met een foto. De taalnazi had een selfie gemaakt. Hij had kort haar en stak zijn middelvinger naar me op. Erbij stond: ‘Ik ben heel boos, maar dit is mijn beslissing. Je moet weten dat ik aan de hele wereld schijt heb, maar het minst aan jou. Ik hou van je. En deze woede… dat is niks dat een paar blote billen van jou niet kan verhelpen.’

*de taalnazi is de bijnaam die mijn vriend heeft verdiend door op een ontzettend strenge wijze mijn teksten te controleren.

Kruimels in bed – Gastblog

Halve glazen is deze week gastschrijver voor Achtentwintiger. Ken je haar blog nog niet? Check de site dan snel, want op Halve glazen lees je hilarische stukken van deze 30 jarige psycholoog en schrijfster, over de hel die nagels lakken is, hoge latten, onmindfull leven, ins- and outs van kaasschaven en nog veel meer. Voor Achtentwintiger schreef ze een neurotisch, typisch Halve glazen verhaal. Over het hebben van een relatie. Want dat is niet per se heel fantastisch hoor. Echt niet.

Kruimels in bed

Sinds anderhalf jaar ben ik, zoals de mensen dan zeggen, onder de pannen. Ik warm mijn ijskoude voeten op aan een manspersoon, kan ongestelde onredelijkheid op iemand botvieren en lig lepelend in bed in plaats van diagonaal in m’n eentje. De hoofdtoon is roze.

Er was een tijd dat een laptop, chocola en stapels tijdschriften me gezelschap hielden in de slaapkamer in plaats van een goed stel XY chromosomen. Ik werd geplaagd door doemscenario’s waarin ik zag dat vrienden en familie elk jaar overlegden over ‘wie aan de beurt was’ de vrijgezel met kerst uit te nodigen. Ik moest mijn voeten de rest van mijn leven warmen aan een kat in plaats van een kacheltje met borsthaar. Om de angst te verbloemen dat ik eeuwig vrijgezel zou blijven oefende ik vol overgave op het ‘happy single’ toneelstuk, en na een mislukte date zond ik de hele avond rooksignalen met Lucky Strikes om de leuke mannen te laten weten dat ik weer beschikbaar was.

Angst zorgt voor een kokervisie, zo blijkt maar weer, want een belangrijk voordeel heb ik al die tijd over het hoofd gezien. Wat gebeurt er namelijk als je niet meer alleen bent? Juist, je bent niet meer alleen. Er is nu dus een extra paar ogen en oren dat vastlegt wat jij doet en je eigen gekheid valt in sommige gevallen dan moeilijk meer te ontkennen. Enkele voorbeelden:

Graag eet ik, sinds jaar en dag, cracottes. Van die luchtige alles-blijft-tussen-je-tanden-plakken crackers. Want ze kosten geen reet en er zitten drie calorieën in dus je hoeft geen maat te houden. Die eet ik dan met smeerkaas sambal. Dat is smeerkaas met stukjes rood erin die sambal moeten voorstellen. Ik begin met drie, en dan smeer ik er nog drie en dat herhaalt zich een aantal keer. Met zes stuks kun je immers net een holle kies vullen. Je kunt ze eten aan de tafel of op de bank, maar ik eet ze graag in bed. Terwijl ik de cracottes aan het bingen ben, binge ik ook een favoriete serie, eet ik nog een tony’s chocolonely en maak wat vlekken hier en daar. Ik kan me nog goed het afgrijzen op het gezicht van de wederhelft herinneren toen ik mijn laptop + series, een zak chips, een pak crackers en kuipje smeerkaas meetoog naar zijn slaapkamer. Want dan kwamen er kruimels in bed en ‘we hadden toch net geluncht?’
Ja hallo, beroof me niet van mijn ineffectieve coping wil je?

Ik moet van mezelf de hele dag miljard dingen doen. Pietje appen, truusje bellen, mientje mailen, de beste therapie van de wereld geven aan veel mensen op één dag, de lekkerste maaltijd koken, me aan voornemens houden (geen cracottes meer eten, geld sparen, hardlopen, geen impulsaankopen doen) en als ik dan aaallllees heb gedaan chill ik even op de bank, tot de boyfriend thuis komt. Laten we zeggen, dat is een kwartier. Maar hij ziet mij dus slapend als hij weg gaat en hangend als ik thuis kom. Sinds ik een relatie heb moet ik dus noodgedwongen een klus veinzen vlak voor hij binnen komt, want anders is mijn klaagzang over de drukte niet meer geloofwaardig.

Ik begroot mijn uitgaven doorgaans iets te optimistisch en vergeet elke maand om rekening te houden met de factor ‘impulsiviteit’. Zodra t-shirts, sneakers, en ideeën opkomen als poep, hang ik al in de onlinecatalogi te speuren naar die specifieke puma’s of een ticket naar Kenia. Het komt regelmatig voor dat ik naar de stad ga voor tandpasta, ondertussen een kledingwinkel passeer en me prompt bedenk, omdat ik een meisje in een leuk outfitje zie, dat precies zó’n rok nog mist in de kledingkast. En dan kom ik thuis met tandpasta, een andere rok en 24 shirts. Eerst had ik vooral te dealen met mijn eigen cognitieve dissonantie, en psychologische term voor ‘goedpraterij’, in de poging mijn eigen schuldgevoel te temmen. Nu moet ik slinkse listen uithalen om te voorkomen dat hij ontdekt dat ik iets nieuws heb, want anders rijmt het niet met het begin van de week; toen stortte ik namelijk nog m’n armoedzaaierige hart klagend bij hem uit omdat “ik nooit uitkom met mijn geld”. Tegelijkertijd moet hij natuurlijk wel altijd zien dat ik iets nieuws heb, maar dat is zijn probleem.

Zelf begrijp ik mijn eigen hersenspinsels volkomen. Al is het maar dat ik begrijp dat ik veel gedachten heb en subgedachten en subsubgedachten en daar weer metagedachten over. Zo kan het voorkomen dat ik zo blij als een kind ben omdat de zon schijnt, maar bij de ontdekking van een minispatader stampvoetend als een baby voor de spiegel sta. Een specifieke ‘hm’ van mijn baas doet mij doemscenario’s bedenken tot ik een ons weeg en aan het eind van de dag ben ik aan het anticiperen op mijn ontslag. Een ‘hoi’ van de boyfriend op een gewone hoi-manier terwijl ik graag een ‘hoi liefde van mijn leven’ wil horen verandert me in een kattekop. Zelf ben ik er volkomen aan gewend maar nu ik in zo’n bui vaak in de vragende, verwarde of verbaasde ogen van de boyfriend kijk realiseer ik me dat andere mensen me wellicht rijp achten voor het gesticht. Wat weer reden is om 18 cracottes te eten.

Vrijgezello’s, ook al vraagt die tante de hele tijd of je dit jaar wél iemand meeneemt met kerst, zitten er volgens jan en alleman meervissenindezee en komtjouwtijdnogwel, hou nog even vol. Dans er liever nog op los in je onderbroek op de spicegirls, bestel een gezinszak patat zonder gezin en mét 2 dikke vette snacks, huil als een kind bij een nieuwe rimpel, rook je te pletter en doe honderd impulsaankopen. Voor je het weet moet je normaal doen.

Nagelslak

Nagelslak

Een man en een vrouw van eind twintig staan in het hoekje van het zwembad. Ze aaien elkaar over hun natte haren en lachen om dikke Britten die bommetjes maken. Om gezinnen die naar muntjes duiken. Niemand aait mij. Ik laat me niet aaien. Niet liefhebben. Ik neem een slokje uit mijn glas water met ijs en kijk naar het gezin waar ik bij hoor. Het gezin bestaat uit mijn zus, schoonzus en hun twee kinderen. Met een vriend, zou ik een eigen gezin hebben. Maar hoe langer je alleen blijft, hoe groter de kans dat anderen je adopteren. Ik ben 29 jaar en mag bij het gezin van mijn zus.

Ik mag zelfs mee op vakantie. Naar een vijf sterren all-in hotel in Griekenland. Je kunt er de hele dag eten, er zijn heel veel glijbanen en knappe badmeesters bij het zwembad, en hoewel ik zee had verwacht, weet ik nog steeds niet waar die is. Ik ruik alleen chloor en kijk hoe mijn neefje een door het animatieteam georganiseerde waterpolowedstrijd speelt. Hij is tien en mag zijn gang gaan. Mijn nichtje is twee en zit samen met mij in het pierenbadje. Onze billen op de rand. Mijn voeten raken de vloer van het zwembad, die van haar nog niet. Ze heeft zwembandjes om. Met haar schepje schept ze water in het emmertje dat ik voor haar beet houd. Ze praat niet. Opperste concentratie.

Per ongeluk laat ze haar schepje in het water vallen, ze kijkt me bang aan. Bang is ze ook van het water. Van de diepte, van de kou. Net als haar tante is ze bang van het onbekende. Net als haar tante, durft ze nog niet te vertrouwen. Ik pak haar schepje niet, omdat ze het zelf moet leren. Even fronst ze haar wenkbrauwtjes. Dan tuurt ze in het water en ze beslist. Ze is dapperder dan ik. Ze legt haar kleine handje op mijn bovenbeen, houdt me stevig vast en laat haar lijfje het water in glijden. Het is koud, ze rilt even. Ik leg mijn hand op haar arm en zorgt dat ze niet in het water verdwijnt. Ze laat zich nog iets zakken. Ze vertrouwt me. Blindelings vertrouwt ze me. En ze heeft haar schepje te pakken.
We gaan een ijsje halen. Mijn zus wil piña colada. Alles is ‘gratis’, dus om één uur ’s middags halen we ijs en cocktails. Mijn nichtje rent naar binnen, naar de bar. Vrolijk en nieuwsgierig. Zo ren ik weleens het café in. Hongerig naar nieuwe verhalen, zin in nieuwe mensen. Mijn nichtje gaat aan tafels staan en begint te praten tegen mensen die haar niet verstaan. Zoals ik praat tegen vreemden buiten op het terras. Mijn nichtje rent naar de muur en laat zich verbazen door alles vissen die erop zijn geschilderd. Een kwartier kijkt ze naar de muur. Naar de kleuren. Naar de vormen. Zo kijk ik naar mensen. Ze rent nog een rondje, langs alle buffetten. Ze eindigt bij mij en ik vraag haar om een kus.
“Nee tante,” zegt ze. “We gaan ijsje eten.”

Als we ’s avonds in ons appartement zitten, lak ik op het balkon mijn teennagels. Voor mij is er op dit moment niets te doen. Mijn zus doet mijn nichtje in bad en mijn schoonzus is een boek aan het lezen met hun zoon. Ik kijk naar de lucht. Het is nog niet donker, maar de maan schijnt al. Het is een kleine maan. Slechts een streepje van wat hij kan zijn.

Mijn nichtje is klaar en komt naar het balkon. Ze loopt nog in haar blootje. Ze loopt het liefst in haar blootje. Nog iets waarin we op elkaar lijken.
Met grote ogen kijkt ze naar de rode kleur die ik mijn teennagels geef. Ze springt van plezier.
“Wat is dat?” Ze klapt in haar handjes.
“Nagellak,” zeg ik.
“Ik ook nagelslak?”
“Nagellak,” verbeter ik haar.
“Ik ook nagelslak!” roept ze.
“Jij mag ook nagellak. Ga maar zitten.”
Ik lak haar teennagels net zo rood als die van mij. Ze kijkt me aan of ik fantastisch ben. Of ik haar moeder ben. Haar beste vriend. “Mooi tante,” zegt ze. “Ik ben mooi.”
“Je bent heel mooi!” Ik zoen haar. “Je bent de zon, de maan en de sterren!”
“Nee, ik ben zon,” kirt ze. “Tante is maan.”
“Oké,” zeg ik lachend. Even ben ik de maan.
Mijn nichtje rent naar binnen.
“Mama kijk!” roept ze. Mijn zus en schoonzus en hun zoon bewonderen haar rode teennagels.
Ik lak mijn nagels af. En bij gebrek aan het bovenbeen van een ander, laat ik mijn hand op die van mijzelf rusten.

Liegen

Liegen

Voordat je aan dit verhaal begint, moet je even het verhaal van vorige week lezen.

Met nul gulden in mijn zak stond ik voor het tijdschriftenrek in de Edah. Om me heen deden vrouwen zakken chips in karretjes waar nog flippo’s in zaten, maar ik had alleen oog voor de Hitkrant. Tussen de Margriet en de Yes sierde Peter Andre de cover. Mijn Peter, zoals ik hem kende uit de clip van Mysterious girl: met ontbloot gebruind bovenlijf en zijn zwarte haar in dunne strengen gestyled. Het blad beloofde een ‘mega poster’ van mijn grote liefde en die had ik nog niet. Ik had alleen kleine plaatjes in het Peter Andre schriftje dat onder mijn kussen lag. De poster moest ik dus hebben, maar mijn zakgeld was op. Nog een keer keek ik om me heen. Niemand. Ik stapte naar het rek, deed de Hitkrant open; precies in het midden. Koelbloedig haalde ik de poster eruit en verstopte in ‘m onder mijn jas. Ik was klaar om de Edah uit te lopen, samen met Peter Andre.
“Jij hebt iets onder je jas,” zei een meneer in een rood-wit schort. De Edah kleuren.
Zonder aarzelen keek ik de man streng aan. “Nee hoor,” loog ik.
“Jawel. Ik heb het gezien,” hij wees naar een camera die gericht was op de tijdschriften.
“Ik heb niks,” zei ik zonder te knipperen. Glashard liegen. Ik wist niet dat ik het kon.
“Luister, ik ga zo terug naar de kantine en dan kijk ik of je het terug legt. Als je het teruglegt, is er niks aan de hand. Als je het niet terug legt, bel ik de politie.”
De man liep terug en trok de deur naar de kantine dicht.
Ik hield Peter Andre onder mijn jas vast en rende naar buiten.

Gewetenloos loog ik voor Peter Andre. Dat is wat je doet voor de liefde. Je liegt, ook al is het niet makkelijk. Je liegt in de liefde niet alleen op heroïsche momenten zoals hierboven beschreven, nee, als je echt van iemand houdt, lieg je ook als er minder op het spel staat. Vind ik. En dat is niet iedereen met me eens natuurlijk. In het leven en de liefde zijn twee soorten mensen: mensen die liegen verachtelijk vinden en mensen die hun handen niet omdraaien voor een leugentje. Ik ben een type 2. Sterker nog: wat mij betreft is liegen een belangrijk element in elke gezonde relatie.

In een gezonde relatie zijn twee soorten leugens nodig. De eerste soort is liegen vóór je partner. Dit zijn leugens die je verspreid ten bate van hem of haar. Ik loog bijvoorbeeld voor Peter Andre in de supermarkt. Als je de baas van je vriendin opbelt om te zeggen dat griep heeft, terwijl ze eigenlijk alleen PMS heeft en chocolade wil eten, lieg je voor haar. De telefoon van je vriend opnemen en tegen zijn moeder zeggen dat hij niet lekker is en morgen terugbelt (zodat hij nu ongestoord voetbal kan kijken) is ook een voorbeeld. Beiden gevallen verdienen misschien niet de schoonheidsprijs, maar ik vind het prijzenswaardig dat je dat voor elkaar over hebt.

De tweede soort leugens zijn leugens tegen je partner. Dit zijn leugens die je tegen hem of haar vertelt, zodat hij of zij zich niet beroerd voelt. Het is complexere materie omdat je zware en minder zware leugens hebt. Zware leugens (zoals liegen over het feit dat je jarenlang een affaire hebt met de buurman), daar heb ik het zelf ook niet zo op. Maar als je echt van iemand houdt, doe je wel aan lichte leugens. Je zegt bijvoorbeeld tegen je vriendin dat je haar tijdens het weekendje weg met je vrienden écht wel hebt gemist, terwijl je zo dronken bent geweest dat je niet eens meer wist dat je een vriendin had. Of wanneer je vriend zijn iele lijf in de spiegel bekijkt, zijn soort van biceps probeert aan te spannen en dan teleurgesteld vraagt of hij echt heel mager is… lieg jij: “natuurlijk niet, mager, hoe kom je erbij, je bent juist afgetraind. Je bent precies goed.”

Zo denk ik erover. Maar zoals ik al zei, er zijn twee typen mensen. En het ene type kan niet goed met het andere type. Twee jaar geleden ontwikkelde ik deze theorie. Voor mijn vriendje (en mezelf uiteraard) had ik een zwart lingerie setje gekocht met allerlei spannende frutsels eraan. Ik vond dat ik heel sexy was en probeerde ook zo naar hem te kijken. Het vriendje keek glazig terug en zei niks.
“En?” vroeg ik toen ik het koud begon te krijgen.
“Tja. Ik vind het allemaal een beetje,” hij schudde zijn hoofd terwijl hij zijn neus optrok. “Je lijkt wel zo’n gothic vrouw. Die vrouw van Within Temptation. Nee, dat werkt niet voor mij.”
Beteuterd deed ik mijn badjas aan. Ik wou dat het vriendje had gelogen en zei dat ook. Hij trok verbaasd zijn wenkbrauwen omhoog en zei dat hij nooit tegen me zou liegen. Nooit. Als je elkaar de waarheid niet kan vertellen, wat voor relatie heb je dan, vroeg hij. Een goede, dacht ik toen voor het eerst in mijn leven, maar dat zei ik niet. Wel zei ik dat hij thuis moest slapen.

Echte liefde bestaat dus bij de gratie om te willen liegen en deze jongen had die bereidheid niet. Omdat hij de wereld zag in zwart-wit: dingen zijn goed of fout, je vertelt de waarheid of je liegt en dan is het makkelijk kiezen. Maar zo zit de wereld niet elkaar. De wereld zit vol met grijze gebieden en je moet niet alleen morele overwegingen maken, maar ook menselijke. Kiezen is dan lastig en liegen soms onvermijdelijk. Je begrijpt, ik was genoodzaakt om de relatie te beëindigen (maar niet alleen om het liegen, het bleek een geiten-wollen-sokken-jongen die vegetarisch at: ik kan toch niet met een man zijn die liever stukken aubergine op de barbecue legt dan stukken koe? Bovendien had ‘ie nog nooit Mysterious Girl gehoord. En toen ik het liedje wel liet horen en meerapte: “Baby girl, I said tonight is your lucky night…”, zei hij dat hij ook dat niet sexy vond. Wat? Ok. Doei.).

Afgelopen weekend zag ik de geiten-wollen-sokken-jongen, na twee jaar. Hij liep in de stad met een meisje aan zijn hand. Hartstikke leuk, vond ik in eerste instantie. Maar toen ik dichterbij kwam, ging het knagen. Het meisje was prachtig. Een lichtbruine huid, amandelvormige ogen, een bos donker haar omlijste haar hoofd en daaronder een klein, tenger lijfje.
Even hoopte ik dat we dat ding zouden doen dat exen soms doen waarbij je elkaar wel ziet, maar uit een soort van vermenging van respect en ongemak elkaar negeert. Maar nee. Hij liep resoluut op me af en het meisje slingerde er achteraan.
“Hoi,” zei hij.
“Hoi,” glimlachte ik.
“Dit is Sheila,” hij wees naar het mooie meisje. “We zijn verloofd.”
“Hoi Sheila,” ik werd een beetje kortademig en stak mijn hand uit. “Gefeliciteerd. Super.”
“Hallo, aangenaam,” ze schudde mijn hand en toonde me haar lach. Ik voelde de warmte van haar af komen. Dit was een mooie, maar ook een lieve meid. Hoe kwam hij daaraan? Had ik de geiten-wollen-sokken-jongen toch niet moeten laten gaan?
“Heb jij ook eh…” gemaakt keek hij langs me heen. “Iemand?”
Zijn ogen fonkelden. Hij had er plezier in dat ik niemand had.
Ik voelde ongemak. Ik voelde schaamte en toen voelde ik: liefde. Ik dacht aan wat je over moet hebben voor liefde. In een goede relatie lieg je voor de ander. Ik lieg voor de liefde!
“Ja,” zei ik en hield mijn hoofd schuin van verliefdheid. “Dat heb ik zeker, maar je kent hem vast niet. Peter heet ‘ie, het is een muzikant.”

Zo. Dat is pas liefde. Zelfliefde 2.0.