Het groene mandje

het groene mandje

Ik zie mezelf als een zacht mens, iemand die met geduld naar anderen kijkt, iemand die lief is en graag lief heeft, iemand die met zachte ogen de wereld beziet.
Maar soms. Soms wil ik gewoon een rauw ei naar iemand gooien. Heel soms maar. En meestal naar de taalnazi. Het zijn kleine dingetjes. Het is de kaas uithollen en nooit de korsten er vanaf snijden. Het is altijd de handdoek vies maken en geen nieuwe ophangen. Het is kleding uitdoen en die neergooien op willekeurige plekken in het huis. Of nou ja, ‘willekeurig’: overal behalve in de wasmand. Al mijn liefde en geduld ten spijt, op die momenten vind ik hem verschrikkelijk irritant.

Natuurlijk weet ik dat ik me soms aanstel, dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan uitgeholde stukken kaas en vieze handdoeken, en daarom probeer ik de taalnazi ook niet altijd lastig te vallen met mijn frustraties. Maar om het voor mij op te lossen, moet ik er wel iets mee doen, iets dat oplucht. Een paar weken geleden vond ik de oplossing. We zaten aan de telefoon en hij was het – geheel ten onrechte – niet met me eens. Het was een te klein dingetje om ruzie over te maken, dus ik moest het anders oplossen. Nadat we hadden opgehangen, liep ik naar de badkamer. Onze twee tandenborstels stonden gemoedelijk samen in de beker. Ik haalde de borstel van de taalnazi eruit en legde die in het groende mandje. Ik grijnsde. Dat was zijn straf. Zijn tandenborstel moest, totdat ik bekoeld was, in de groene mand tussen de wasmiddelen slapen. De tandenborstel logeert sindsdien minimaal eens per week in het groene mandje. Het is perfect. Ik ben het kwijt, de taalnazi zit zonder dat hij het weet zijn straf uit: een ideale situatie voor alle partijen.

Afgelopen weekend waren we op een bruiloft. Ik zag er mooi uit, de taalnazi ook. Ik had een fifties jurk aan, een zwarte jurk met rode kersjes erop. Strak rond de borsten, wat ik kan hebben, en lekker wijd uitlopend rondom de buik, wat ik moet hebben. Ik vond de jurk te gek. De taalnazi ook, hij had er zelfs een bijpassende rode stropdas bij gekocht. Een vriend van hem bleek ook dol op mijn jurk. Hij legde zijn hand op mijn buik en aaide de kersen, ‘hé wat grappig,’ zei hij. Daarna proosten we op mijn jurk en op het bruidspaar, we dronken meer bier en nog meer en nog meer, we aten een broodje shoarma met knoflooksaus en we gingen bezopen naar huis. Het was een mooie dag, een mooie bruiloft en de kersjes op mijn jurk waren prachtig. Alles was lief.

De volgende dag zaten de taalnazi en ik met onze katerkoppen aan het ontbijt. We aten stokbrood met mayo, tomaat en gebakken ei. De taalnazi was iets beter uit de kater gekomen dan ik; hij was redelijk vrolijk, ik was half dood.
‘He grappig verhaal nog…’ zegt hij.
‘O?’ Ik vraag het met mijn mond vol.
Hij vertelt over de vriend en diens hand op mijn kersen. ‘Hij dacht dat je zwanger was!’ De taalnazi lacht. ‘Ik was net op tijd. Nee man, doe normaal, ze is niet zwanger, en toen zei hij wat over die kersen.’
‘Echt?’ Ik slik geschrokken mijn brood met mayo, ei en tomaat door. ‘O mijn god.’
‘Is toch een leuk verhaal?’
‘Een leuk verhaal, een leuk verhaal,’ roep ik verontwaardigd. ‘Het lijkt of ik zwanger ben. Ik heb een pens alsof ik zwanger ben!’
‘Nee joh,’ hij glimlacht, ‘je bent lekker zacht.’
‘Hij wilde zijn hand op de baby leggen.’ Ik klink vrij hysterisch.
‘Jezus,’ mompelt de taalnazi. Dit had hij niet voorzien. ‘Sorry.’ Als hij een staart zou hebben, zat hij nu tussen zijn benen.
‘Waarom zeg je dit eigenlijk tegen mij?’ vraag ik. ‘Als hij het gister niet mocht zeggen, waarom vertel je het dan nu aan mij?’
‘Ik vond het een leuk verhaal,’ herhaalt hij.
‘Superleuk,’ grom ik.
Ik voel een lichte depressie aankomen, waarin ik alleen nog maar appels en water zal moeten eten. De taalnazi staat op. Met gebogen hoofd loopt hij de keuken uit.
‘Wat ga je doen?’ roep ik.
Hij roept niks terug. Ik sta nu ook op en loop achter hem aan. Hij gaat de badkamer in, ik ook. Hij staat voor de wasbak, pakt zijn tandenborstel uit de beker en legt hem in het groene mandje.
‘Leg hem maar weer terug als jij er klaar voor bent,’ zegt hij tegen me.
‘Hoe weet jij…’
Hij streelt mijn haar. ‘Ik heb mijn borstel al vaker in het mandje gevonden.’
Hij heeft er nooit iets van gezegd.
Hij kent me.
Hij accepteert me.
Van hem mag ik zijn tandenborstel in het groene mandje leggen als ik dat nodig heb. Ik haal zijn borstel eruit en zet ‘m weer naast mijn tandenborstel in de beker.
‘Dankjewel,’ zeg ik.

Liefde in tijden van liedjes II

Liefde in tijden van liedjes II

Inmiddels weet ik dat ik stuk ben. In Liefde in tijden van liedjes bekende ik dat ik bijna 30 was en nog nooit van iemand gehouden had. Nu weet ik waarom. Ik heb een te leuk gevuld leven met veel te veel vrienden die ik heb gemaakt doordat ik altijd alleen was. Ik ben kritisch en heb een passie die makkelijk het gemis van een partner opvult, wat zeg ik: mijn schrijven vult met gemak het gat op van drie partners. Daardoor ben ik in een samenzijn enorm gesteld om mijn eigen tijd, maar o wee als je me verlaat. Bovendien is jarenlang loeren naar stellen niet perse bevorderlijk naar het verlangen om een stel worden. Ik heb dingen gehoord en gezien waardoor ik oprecht happy single was. Vrouwen die tegen hun mannen zeggen: “Ik heb geen zin om uit eten te gaan hoor. Zit ik jou heel de avond aan te kijken.” Mannen die verdommen te koken, zelfs als ze lang en breed thuis zijn voor hun vrouw binnenkomt. Stellen die simpelweg langs elkaar heen praten. Ze luisteren louter naar zichzelf en de stroom woorden die ze hun partner toesnauwen verdwijnt in een ruimte waar alleen vreemden hun oren spitsen.

Nee. Niet dat voor mij. Ik ben vrij. Vrij om mijn vrienden te zien. Vrij om bier te drinken wanneer ik dat wil. Vrij om bang te zijn. Vrij om kritisch te zijn. Vrij om te schrijven. Vrij om te vrijen. Vrij om stuk te zijn en niemand zich daarmee te laten bemoeien. En toen kwam ik de schrijver tegen waar ik eerder over schreef. De taalnazi die mijn dt’s veranderde. Met zijn gele bril, vreemde bakkebaarden en een houding die zich niet liet plaatsen, paste hij in geen enkel liedje. Net zoals ik zelf niet in liedjes pas. Wij waren beiden rare vogels zei mijn zus, dus als er iets in mij was dat ooit iets van een relatie wilde, moest ik volgens haar nu toch echt doorbijten.

Ik beet door omdat ik zag dat hij en ik samen iets zouden kunnen hebben wat mooi was. Wat de moeite waard zou zijn. Maar verliefd werd ik niet. Maand na maand na maand probeerde ik. Ik vond hem lief. We hadden het fijn. Ik moest om hem lachen en hij inspireerde me. Maar het gevoel dat ik zocht, kwam niet. Het gevoel dat bij de liedjes hoorde. En ik wilde het zo graag. Twijfels. Doordaten. Lachen. Huilen. Mijn zus bellen. Doordaten. Praten. Uit eten. Samen slapen. Twijfels.

Voel ik wel genoeg?
Is dit het?
Kan ik dit wel?
Wil ik dit wel?

Het is niet het begin waar je van droomt. Het is een begin waarvan mensen zeggen ‘dat is niet goed hoor’ of ‘zo hoort dat niet’. In het begin hoor je te genieten. Maar in mijn hart wist ik dat als ik het ooit echt zou proberen, het zo zou verlopen. Het was het begin waar ik jaren tegenop had gezien. Maar de taalnazi met de gele zonnebril had geduld. We dronken biertjes en aten bitterballen. We skypten drie uur op een avond. Ik kreeg lieve berichtjes maar niet teveel. Als ik een avond alleen wilde zijn, mocht ik mijn telefoon uitzetten. Maar ik bleef twijfelen en kon wel huilen. Dat deed ik en het enige wat ik wilde was mijn hoofd neerleggen op de behaarde borst van mijn taalnazi. Ik had verdriet om het gebrek aan gevoel maar wilde alleen door hem getroost worden.

Dat was hetgene dat ervoor zorgde dat ik doorging. Ik had een beeld van ons als stel en voor het eerst in mijn leven was het een realistisch beeld. Een fijn beeld. Ik zou hem niet een avond niet aan willen kijken. Met de gedeelde passie hadden we altijd wat te bepraten. Hij zou wél eten voor me maken als hij eerder thuis was. Wij zouden nooit langs elkaar heen praten, omdat we op dezelfde golflengte zitten. Dus als het gevoel nu gewoon kwaaaham, dacht ik.

Na drie maanden liet ik hem los. Ik had mijn best gedaan en ging huilend naast hem zitten. Mijn hoofd in zijn nek. “Ik wil het niet uitmaken, echt niet, maar ik weet het niet,” zei ik. Hij zat een verhaaltje te tikken, keek rustig op en zei niks over het uitmaken. Hij sprak de legendarische woorden: “Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zoveel moeite doet om bij mij te zijn.” Mijn natte ogen waren nooit eerder zo snel droog. Hij pakte mijn hand, we gingen naar het bos, liepen langs het water en hij wist het zeker genoeg voor ons tweeën.

De volgende ochtend was ik zo blij dat hij er nog was toen ik wakker werd. Ik keek naar hem en toen naar mezelf. Ik ben kritisch. Ik heb bindingsangst gecombineerd met verlatingsangst. Vaak denk ik dat ik krankzinnig ben. Bipolair denk ik soms. Ik ben bang. Maar hij is lief en gek genoeg om met mij samen te zijn. Ik keek naar de bakkebaarden die ik de afgelopen drie maanden in een baard had doen veranderen en bedacht, ik ben verliefd op je aan het worden.

Een week lang verzweeg ik het. Ik denk immers soms dat ik bipolair ben, dus met dit soort beweringen moet ik altijd even wachten. Na die week zaten we samen in het kunstgras op mijn balkon. Door het warme weer zweette hij als een otter. Ik kuste hem door zijn zweetdruppels heen en sprak toen de legendarische woorden.
“Ik ben denk ik verliefd op je aan het woorden.”
“Zo,” zei hij lachend. “Lekker op tijd.”
“Sorry,” zei ik. “Bedankt dat je bij me bent gebleven.”
“Ik wil alleen een krankzinnige vriendin,” zei hij. “Als je normaal wordt, maak ik het uit.”

Op dat moment hoorde ik een liedje in mijn hoofd. De melodie was mij vreemd. Het was geen liedje dat ik eerder hoorde. En dat klopt eigenlijk wel. Mijn gevoel past ook bij geen enkel liedje dat al bestaat. Ik hoorde een nieuw liedje. Het liedje van mij en de taalnazi.

Het foto-moment

Het fotomoment

“Heb je een foto van hem?” vraagt een vriend aan me.
– “Nee,” zeg ik.
“Wel. Je hebt wel een foto.”
– “Ja ik heb wel een foto maar…”
“Laat zien.”
– “Misschien wordt het wel niks. Ik weet het nog niet. Je krijgt een foto als het wat wordt.”
“Laat nou zie-hien!”
Zuchtend open ik Facebook en klik op een foto van een apart figuur, met een oor dat vrij ver van zijn hoofd afstaat en gordijntjeshaar dat dit oor net niet bedekt. Ik glimlach. Het Oor is mijn nieuwste liefdesavontuur.

Als ik begin aan een liefdesding is er altijd dat moment dat vrienden een foto van hem willen zien. Dit foto-moment voltrekt zich vrij vroeg in het stadium van datgene dat (nooit) een relatie wordt. Voor mij is dit problematisch. Ik date met jongens die een groter hoofd hebben dan dat op hun lichaam past. Word verliefd op mannen met vieze, vlassige snorretjes en verdwaalde baardharen. Ik vind manorexics in te strakke broeken leuk en kus jongens met teveel en over elkaar heen staande tanden. Geen beauty’s dus.

– “Oké,” zeg ik wanneer ik een foto van het Oor heb gevonden waarop hij er normaler uitziet dan in werkelijkheid. “Het is geen beauty, he,” waarschuw ik.
“Jaja, geef nou maar.”
Ik draai mijn laptop om en laat hem zien.
“Ja,” zegt de vriend. Hij klikt langs de rest van de foto’s. En dat terwijl ik zo mijn best deed om de beste foto van hem uit te kiezen. “Ja,” herhaalt hij. “Het is geen beauty inderdaad.”

Op mijn negentiende nam ik mijn eerste vriendje mee naar mijn ouders. Hij was lief en slim en lachte om mijn grapjes en ik kon ‘m wel opvreten. Toen ik belde naar mijn moeder om te vragen wat ze van hem vond, zei ze: “Wat is hij dun. En wat een grote tanden. Een beetje een gekkie.”
Het was haar ook wel opgevallen dat hij aardig was, maar ja, die tanden, die maakten een grotere indruk. Ik zag ze nu ook.

Mijn vrienden reageren vaak subtieler, maar in dezelfde strekking. Dit kan een gevalletje van totale projectie zijn, maar toch: toen ik vertelde over het Oor met gordijntjeshaar, werd er niet gevraagd wat het grappigste was dat hij had gezegd, hoe hij me heeft kunnen raken of op welke manieren hij me anders naar dingen deed kijken. Nee. Heb je een foto van hem.

Nu is het niet zo dat ik ze erom uitzoek, die apart uitziende types. En, voordat mannen dit verhaal verlaten met een minderwaardigheidscomplex, wil ik benadrukken dat ik het geen lelijke mannen vind. Het zijn types die een flinke marge verschillen met het reguliere schoonheidsbeeld, te weten: mannen met baarden en hun knotten, jongens met een perfecte lach en corresponderende lijven of heren met hippe kuiven en even hippen pakken. Dit soort mannen bekoren mij niet. Ze kunnen nog zo mooi zijn, ik heb er nog niet een ontmoet die past bij wie ik ben. Mijn mannen zien er een beetje gek uit, maar ik vind ze aantrekkelijk omdat ze slim zijn. Inspirerend. Grappig. Omdat ze de dingen zeggen die me verbazen. Omdat ze in werelden wonen die anders zijn dan de mijne.

Maar waarom wil ik dan geen foto’s laten zien van mijn mannen? Als ik wild ben van wie ze zijn, doet een foto daar niks aan af. Waarom zoek ik de beste foto van het Oor? Terwijl het mij dus niet gaat om het uiterlijk. En waarom ben ik teleurgesteld dat vrienden mijn liefdesavonturen nooit ‘beauty’s’ vinden? Zij moeten niet met de man in kwestie aan het bier of in het bed.

Ik geef de maatschappij, het schoonheidsbeeld en mijn moeder de schuld. Mijn moeder past het boetekleed alleen niet zo goed. Ook op mijn negentiende, toen ik uitviel na haar oordeel op mijn vriendje, gooide ze dat kleed van zich af. “Ik bedoel er helemaal niks mee,” zei ze toen. “Je bent geen doorsnee meisje en dat zal je nooit zijn ook. Jij komt thuis met wat anders dan het buurmeisje. En dat mag.” Nu ik tegen haar klaag over de reacties van vrienden op het Oor, is ze net zo streng als toen. “Misschien moet jij jezelf eens accepteren en de keuzes die je maakt. Wat anderen vinden, moet je geen moer kunnen schelen.” Zoals alleen moeders dat kunnen, legt ze ook nu haar vinger op mijn zere plek, maar gelukkig doet ze het zachtjes. “Als je goedkeuring zoekt, heb je die. Je mag van mij met alle gekkies van de wereld thuiskomen. Nu van jou nog.”

Ze heeft gelijk. Ik ga voor mezelf en daarmee voor het Oor. Of mensen hem nu leuk vinden of niet: ik vind hem leuk. Dus ik gooi een flinke dosis acceptatie tegen mezelf aan, koppel hem los van het standaard schoonheidsbeeld en duik in mijn eigen schoonheidsbeeld. Waar hij – echt – in past.

Het blijkt te laat. Het Oor belt niet meer terug, al hadden we nog zoveel te bespreken.

Nu zit ik weer achter mijn laptop, starend naar de profielfoto die ik eerst niet aan mijn vriend durfde te tonen. Ook de vriend is er weer. Samen kijken we naar het scherm. Een traan rolt van mijn kin. Na een tijdje klapt de vriend mijn laptop dicht. “Joh, wat kan jou het schelen. Het was toch geen beauty.”
“Nee, precies,” zeg ik en veeg tevreden mijn kin droog.

Vouwen of proppen

Vouwen of proppen

In het begin van je leven zijn je wc gewoontes gemeengoed. Er wordt aan je kont geroken, men bespreekt de kleur van je urine en er wordt grondig geveegd tussen je billen. Een paar maanden later wordt er aan je gevraagd of je ‘poep moet doen’ en dan schuiven er mensen een potje naar je toe. Er wordt gekeken hoe je op het potje gaat zitten, soms wordt een foto van de inhoud van je potje op Facebook gezet. Nog later leer je zelf hoe je het beste je billen af kunt vegen. En dan, volgens mij ben je dan ongeveer vier, is het afgelopen met het publiek bespreken van wc gewoontes. Althans, dat dacht ik.

De afgelopen week ben ik erachter gekomen dat er een tijd aanbreekt, wanneer er weer wordt gevraagd of je ‘poep moet doen’. Het gebeurt wanneer je gaat samenwonen. Met twee vrienden en een vriendin was ik een weekje op vakantie. We zaten in een huisje en ondernamen niet veel. We deden spelletjes, dronken wijn, liepen over het strand, lazen een boek, dronken bier en keken tv. Samenwonen voor een week. Ik vond het leuk. Op de eerste dag van onze vakantie, kondigde ik tijdens een gesprek aan dat ik naar de wc moest. (Geen idee waarom, maar ik had nog nooit samengewoond, dus ik kende de regels niet.)

“Moet je poepen?” vroeg een vriend.
“Wat zeg je?” vraag ik.
“Of je moet poepen.”
“Hoezo?” Is dit een strikvraag? Is dit een grap? Is dit serieus?
De vrienden lachen. Ik had het gevoel dat dit uitlachen was, maar dat kon aan mij liggen.
“Wil je dat nou niet zeggen,” vraagt de vriend, “of je moet poepen of niet?”
“Nee. Dat zeg ik niet. Waarom zou ik dat zeggen? Waarom wil je het weten?”
“Ik heb net beneden gepoept, dus als jij ook moet, moet je ook beneden,” zegt hij. “Want dan hebben we boven nog steeds één wc die niet stinkt.”
Ik loop rood aan en ga netjes naar beneden om te doen wat ik moet doen.

“Vind je het zo vervelend om over poep te praten?” vraagt de vriendin.
“Nou. Wil je niet steeds het woord ‘poep’ gebruiken,” zeg ik.
De vrienden lachen me uit, het is nu heel duidelijk.
“Ben ik preuts omdat ik niet over een grote boodschap wil praten?” zeg ik. “Het is toch niet een heel interessant onderwerp jongens?”
De drie zeggen dat het wel een heel interessant onderwerp is. En een grote boodschap moest ik gewoon poep noemen. Ze vertelken me dat het hartstikke normaal is om je wc gewoontes te bespreken, ik zou er vanzelf wel achter komen als ik ging samenwonen. Deze vrienden hebben al eens samen gewoond of doen dat nu nog. Als je samenwoont, zeggen ze, kom je er niet onderuit: dan weet je wanneer iemand aan de diarree is en hoe dat spettert of hoe dat ruikt. Je weet of diegene veel toiletpapier gebruikt of weinig juist en als de enige wc in huis in de badkamer is en de een staat onder de douche en de ander moet heel erg, ja, dan gebeurt het dat je poept waar die ander bij is, ja. Dit leek mij al heel gênant en iets wat een nachtmerrie is. De echte nachtmerrie bleek het sluitstuk van het gesprek; een discussie over de perfecte drol, waar ik niet verder over uit zal weiden.

“He, maar nu ben ik nieuwsgierig,” zegt de vriendin, “ben jij een vouwer of een propper?”
Ik trek mijn wenkbrauwen op van onbegrip.
Ze legt uit. “Als je ‘een grote boodschap’ hebt gedaan en je veegt je billen af, vouw je dan het toiletpapier of prop je het?”
“Hoezo?” vraag ik.
“Dat zegt wat over je.”
“Ik prop het geloof ik.”
“Dat dacht ik wel.”
Met een begrijpelijke, doch zorgelijke frons wordt er naar me geknikt.
“Is dat heel erg?” vraag ik.

De vrienden doen het verschil tussen een vouwer en een propper uit de doeken. En ik vraag me af of er ergens een Facebook pagina is voor samenwonenden en hun wc gewoonten, want serieus, ik had er nog nooit van gehoord Een vouwer is iemand die keurig zijn wc papiertjes vouwt, dat is logisch. Maar je kunt een parallel trekken naar wat voor soort persoon hij of zij is. Een vouwer zit rustig op de wc, neemt tijd voor het bezoek en staat ook zo in het leven. Het is een ordelijk iemand, niet chaotisch, niet gehaast. Een propper daarentegen geeft een ruk aan de rol, duwt wat papier tot een prop en veegt zo snel mogelijk zijn of haar kont af. De propper is een druk of chaotisch iemand, vindt het moeilijk zich te ontspannen en gebruikt zijn of haar tijd op de wc zo efficiënt mogelijk. Het liefst wordt er tijdens het toiletbezoek nog een mail gestuurd.
“Ik denk dat jij deze week moet gebruiken om te ontproppen,” zegt de vriendin. En het klinkt nog logisch ook. Ik stuur veel te vaak mailtjes op de wc.

De rest van de week blijven de poepgesprekken. Juist omdat ik er niet zo goed tegen kan, denk ik. Ik probeer mee te doen (ook al moet ik soms bijna kotsen), ik probeer te ontpreutsen (want als ik ga samenwonen, moet ik er klaarblijkelijk toch aan). En ik probeer te ontproppen. Secuur vouw ik de velletjes wc papier, heel veel velletjes omdat ik anders bang ben dat mijn hand er doorheen komt. In mijn tijd als propper was ik daar nooit angstig voor. Poepen was deze week niet heel relaxed, maar aan het einde van de vakantie kan ik wel beter omgaan met gesprekken over wc gewoontes. Ik heb mezelf echter niet kunnen transformeren tot een vouwer, ik blijf chaotisch en druk en ben ongelukkig op de wc als vouwer. Dus ik besluit: ik ben een propper in hart en nieren en dat is prima. Nu ik er over nadenk, de man met wie ik ga samenwonen, moet ook een propper zijn, dat lijkt me fijn. En ik wil met deze propper alleen ergens wonen in een huis dat een gescheiden wc en badkamer heeft. O ja. En hij mag me niet vertellen wat zijn perfecte drol is. Anders gaan we latten.

PS. Zin gekregen in meer poep- en plashumor? Lees dan heel gauw Tarrel!

Reboundstory – gastblog

De eerste gastblogger van Achtentwintiger is Thijs Miedema* (achtentwintig min twee jaar oud). Thijs is een creatieve duizendpoot. Dat komt omdat hij geen keuzes kan maken. Daarom is hij acteur, zanger, docent, regisseur en schrijver en daarom schrijft hij proza, poëzie en toneel. Thijs wil met zijn schrijfwerk herkenning oproepen in alledaagse situaties, met een lach en een traan. En voor Achtentwintiger is dat met Reboundstory in ieder geval gelukt.

Reboundstories

Het is zaterdagavond en ik sta in de bioscoop. Met vrienden.
“Moet je doen,” zeiden ze, “dan ben je er even uit.”
Er even uit. Daar was ik aan toe, volgens hen. Een film met Schwarzenegger, Stallone en Statham. Fijn. Maar tegelijkertijd wil ik gewoon naar huis. Gewoon, beetje surfen. Naar ‘Heartless’ van Kanye West luisteren.

De zaaldeuren gaan open en we lopen naar binnen. Naast me loopt een stelletje. Ze lachen naar elkaar. Achter me vangt mijn beste vriend me op.
“Negeren,” fluistert hij.
Ik zucht nog eens diep. We lopen naar onze rij en gaan zitten. Terwijl de reclame begint te draaien kijk ik om me heen. Mijn vrienden zijn allemaal rechts van me gaan zitten en links zitten een paar meisjes. Heb ik weer. Het meisje naast me zit met haar vriendin te praten dus kan ik haar gezicht niet zien. Uiteraard word ik gelijk van rechts aangestoten.
“Donder op,” sis ik.
Ze draait zich om. Zou ze me gehoord hebben? Ze kijkt naar voren. Niks aan de hand dus.

Na de film zeggen mijn vrienden dat we naar de club gaan die vlakbij de bioscoop zit. Biertje drinken, chickies kijken. Welja, ik ben nu toch de deur al uit. We komen aan en een prachtig meisje doet de voordeur voor ons open.
“Welkom!” roept ze.
We lopen naar binnen en nemen plaats aan een tafel, waar alweer een bloedmooi meisje meteen aan komt gelopen met een allerliefste glimlach.
“Hello boys. Hoe kan ik jullie helpen?”
“Vijf biertjes,” zeg ik.
Mijn vrienden brullen en geloven nu definitief dat ik geen liefdesverdriet meer heb. Gelukkig maar, dan hoeven we het daar niet meer de hele tijd over te hebben.

Drie biertjes later sist mijn beste vriend in mijn oor.
“Dude, kijk achter je.”
Ik draai me om en zie het meisje uit de bioscoop. Op het moment dat ze mijn kant opkijkt, lijkt ze me te herkennen. Ze houdt haar hoofd een beetje schuin, glimlacht en zwaait. Ik zwaai terug. Geschrokken van mijn eigen reactie draai ik me gelijk weer om. Niet doen! Of is dit juist goed? Hoort dit bij het proces? Om zeker te weten dat ze mij bedoelde, bereid ik me voor om nog een keer om te draaien. Ik draai half en kijk recht in twee prachtige bruine ogen. Ze glimlacht weer.
“Hoi,” zegt ze.
“Hoi.”
“Goeie film?”
“Mwa. Wat vond jij?” stamel ik.
“Niet echt mijn ding. Maar mijn vriendinnen wilden hem zien.”
“En dan moet je ook nog mee naar deze suffe club.”
Mijn bijna flirterige opmerking verbaast me. Ze lacht.
“Nou, jij kijkt al de hele avond alsof er iets vastzit,” zegt ze.
“Zo zou je het kunnen zeggen ja.”
“Liefdesverdriet?”
“Jep.”
“Kut is dat he?”
“Dat kun je wel zeggen. Ik ben al de hele avond mijn telefoon aan het negeren, omdat ik haar wil appen.”
Waarom vertel ik dit aan een wildvreemde? Je moet toch nooit op de eerste date over je exen praten? Huh, eerste date? Hoe kom ik daar nou weer bij? Ik wil helemaal niet daten!
“Joehoe!”
Ze zwaait met haar handen voor mijn ogen.
“Hey, blijf es hier,” zegt ze.
Ik kijk schaapachtig terug. Dan lacht ze. Ze heeft intussen haar hand op mijn arm gelegd.
“Wil je dansen?”
Ik schud van nee.
“Snap ik. Kom, zoeken we een tafeltje.”
Ik laat me meevoeren. Als we zitten, stelt ze zich voor als Dora. Als ik zeg dat ik dat een gekke naam vind, moet ze lachen.
“Ik ook!”
Wat mooi, zo’n zelfspot. Dat had mijn ex niet. Maar ja, die had andere hele mooie eigenschappen… Ho, stop! Dit mocht niet! Niet aan denken!
“Vertel eens wat over jezelf,” zeg ik.
Weer moet ze lachen.
“Gatverdamme! Dat is waar je mee komt nu? Ik had gehoopt dat je wel iets beters zou bedenken.”
“Ik weet het niet,” zeg ik met een halve grijns.
“Weet je, ik vergeef je. Je bent gewoon een beetje zielig.”
“Ik ben niet zielig!”
Ze knipoogt.
“Jawel. Een heel klein beetje.”
Ze houdt haar wijsvinger en duim vlakbij elkaar. Er is alleen nog een spleetje te zien.
“Zo’n klein beetje.”
Dan buigt ze zich naar me en fluistert in mijn oor.
“En dat vind ik heel erg sexy.”
Haar hand ligt inmiddels op mijn been. Dat zielig zijn, dat bevalt me wel. Dan komen er ineens allerlei gevoelens los bij de dames, dat blijkt. Ik voel me ineens een stuk zekerder.
“Wat willen jullie drinken?” zegt de – ineens een stuk minder mooie – serveerster.
“Twee caipirinha’s,” zegt Dora, terwijl ze twintig euro op tafelt legt.
“Komt eraan!”
De dame pakt het geld en verdwijnt.
“Jij krijgt van mij een drankje en een wens.”
“Een wens?”
“Jep. Eentje.”
Daar moet ik ineens over nadenken. De gemiddelde man had ‘pijpbeurt op de wc’ gezegd. Maar ik vind Dora gewoon aardig. Ik ben helemaal niet in de stemming voor een ‘pijpbeurt’, zeker niet op de wc.

Ik zou gewoon graag heel lang en heel stevig willen knuffelen. Met Dora. Of mijn ex. Maar met mijn ex kan het niet en als ik dit nu tegen Dora zeg, krijg ik ongetwijfeld een caipirinha in mijn gezicht en de hoon van haar vriendinnen en mijn vrienden over me heen. Daar heb ik ook geen zin in.
“Weet je al iets?”
Ze kijkt me lief aan. In de paar seconden stilte die volgen, begint mijn hart als een razende te bonzen. En ineens durf ik het.
“Ik zou heel graag met je willen knuffelen. Gewoon, je vasthouden.”
Ze kijkt me indringend aan. Dan staat ze op. Fuck. Pakt mijn hand. Huh?
“Wat doe je?”
“Kom mee,” zegt ze resoluut.
Binnen een paar tellen staan we buiten. Op een rustig plekje staat ze stil.
“Nu moet jij de rest doen.”
Ik sla mijn armen om haar heen. Haar armen gaan onder de mijne door, haar handen rusten op mijn rug. Met mijn rechterhand ga ik door haar haren. Ze ruikt ontzettend lekker, merk ik nu. Ik zucht, waarop zij met haar handen over mijn rug aait. Ik merk dat ik opvallend rustig ben. Ik wil niet huilen, niet schreeuwen. Na een tijdje laat ze me los. Ik kijk om me heen, zie mijn vrienden naderen. Ze kust me.
“Ze weet niet wat ze mist,” fluistert ze.
Dan loopt ze weg. Haar geur blijft nog even in mijn neus hangen.

Nog meer reboundverhalen? Lees dan deze en dan kom je vanzelf ook op deze.

*O ja. Thijs heeft (nog) geen website. Mocht die er komen, dan komt dat hier te staan. Wil je voor nu iets weten over Thijs? Mail naar achtentwintiger@gmail.com en je krijgt contact!

Op zoek naar de knuffelrebound II

Op zoek naar de knuffelrebound II

Voordat je deel II van dit verhaal leest, moet je eerst even deel I lezen.

Ik sta voor het raam van het café en druk met mijn wijsvinger m’n bril omhoog. Ik ben toch een beetje in de war van de zoektocht naar de reboundknuffel die zo start en duw mijn neus tegen het raam. Ik zie nog geen potentiële knuffelman, wel twee vrouwen van in de dertig die met hun rug tegen de bar leunen. De een heeft een kort, donkerbruin kapsel dat haar hoekige kaaklijn accentueert. Ze draagt een strakke spijkerbroek met bruine enkellaarsjes eronder en op de riem van haar broek valt een gebroken wit, los topje. In dezelfde bruine kleur als haar laarsjes, glijdt een ketting met een azuurblauwe steen langs haar sleutelbeen. Het lijntje boven haar ogen is kaarsrecht en haar nagels zijn op z’n Frans verzorgd. Alles klopt. Ze is mooi. Of ze mooi genoeg is voor vanavond, weet ze niet. Haar ogen zoeken. Naast haar staat een blonde variant. Net zo mooi gemaakt. In principe zien ze eruit alsof ze leuke vriendinnen zouden kunnen zijn. Alsof ze een fijne avond kunnen hebben. Alsof ze kunnen lachen om elkaars opmerkingen. Maar dat is niet wat ze doen. Ze kijken rond en vergeten elkaar. Ze zijn mooi, nemen kleine slokjes wijn en wachten.

“Ik wil dit niet,” zeg ik tegen m’n vriendin. “Ik wil terug naar huis, kaasjes eten, films kijken, scrabble spelen.”
“Nee. We gaan naar binnen.”
“Moet je nou kijken,” ik wijs naar de vrouwen die ooit ook meisjes van achtentwintig waren. “Die speuren de kroeg af naar een man.”
“Ja en als je nou niet naar binnen gaat, word jij ook zo.”
Dat was de juiste snaar. Ik wil niet zo zijn. Ik wil altijd in het café staan om te lachen met vrienden. Of om te huilen, dat is soms ook nodig. Maar niet om te wachten.
“Kom, we gaan een baard voor je zoeken.”
Ik doe de pootjes van mijn bril goed achter mijn oren en we gaan naar binnen. Om te zoeken maar niet zoals zij dat doen.

Ik krijg een wodka-7up van de vriendin en zij neemt een wijntje. We kijken en ik heb sjans. Veel. Ik weet niet of ik voor mannen aantrekkelijker ben door mijn bril of dat ik het nu gewoon daadwerkelijk zie als er oogcontact wordt gezocht, maar er is animo. Het doet me weinig. Ik glimlach veel maar naar niemand in het bijzonder.
“Ik ben trots op je,” zegt de vriendin.
“Ja hoor.”
“Ja en nu wordt het beloond. Kijk, een leuke baard voor je,” ze wijst.
“Mwah.”

Normaal vind ik ze leuk. Normaal vind ik jongens met baarden mannen. En dan heb ik het natuurlijk niet over de hipsterbaard. Nee, mijn baarden zijn mooi en stoer tegelijk en drinken donker bier. Ze hebben bruine of groene broeken aan met grote zakken, waar een hamer of tang uit kan komen zodat ze ter plekke alles kunnen repareren. Tafels, lampen, m’n hart. Baarden hebben mooie, grote mannenhanden die beschermen, borsthaar komt boven het t-shirt uit en ze houden van honden. Sommige baarden nemen hun oerman zijn iets te serieus en zijn daardoor een beetje onhygiënisch, maar dat vergeef ik ze, want zelf houd ik ook niet van schoonmaken en bij de baard voel ik me een meisje.

“Echt niet?” de vriendin is verbaasd. “Hij heeft ook nog eens een staart.”
“Niks aan.”
“Wil je nog wat drinken?”

Ik pak mijn drankje aan en bedenk dat de baarden niet beter worden. Ik vraag me af of een vroegtijdig stoppen met het rouwproces zou kunnen resulteren aseksualiteit. Nee. Het moet iets anders zijn. Een slokje wodka loopt door mijn keel en ik kijk nog één keer rond. Maar nu, neem ik me voor, scan ik de ruimte zonder de baarden. Misschien is dat het, moet ik me openstellen voor jongens zonder gezichtsbeharing. De baarden doen niet meer mee. Ik kijk. En zie een jongen die ik eigenlijk heel de tijd al zag, maar niet bekeek. Hij heeft zich twee dagen niet geschoren, maximaal. Een zwarte broek zonder zakken heeft ‘ie aan en aan zijn voeten zitten Nike air max. Hij draagt een zwart truitje zonder uitstekend borsthaar en daarop een Adidas jasje met paarse en roze accenten. Door zijn zwarte bril met hip montuur kijkt hij me aan. Hij trekt zijn mondhoek omhoog, ik doe het terug. En voordat we iets naar elkaar kunnen seinen, stapt zijn vriend in mijn gezichtsveld en begint een gesprek. Onze bebrilde ogen missen elkaar.

Even later staat hij aan de bar.
“20 seconds,” zegt mijn vriendin met een beetje Matt Damon.
“Je hebt gelijk. Misschien is de bril de nieuwe baard.”

Ik loop richting de bar.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds, hoor ik in mijn hoofd.
Ik ga naast hem staan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
De barmevrouw geeft hem zijn drie biertjes aan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
Ik kijk hem aan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
“Ik vind jou een leuke vent.”
Hij kijkt me aan, trekt een wenkbrauw op en loopt snel langs me heen.

“Goed geprobeerd,” zegt de vriendin als ik met een gebogen hoofd terug loop.
“Ja, goed geprobeerd. Misschien was het toch geen tijd,” ik doe mijn bril af.
“Misschien niet, maar je bent er wel uit geweest,” ze aait over mijn rug. “Zullen we lekker gaan? De zoektocht even opgeven?”
“Ja, ik ben moe.”

Ik trek mijn jas aan en loop richting de deur. De dames van in de dertig zijn ook nog alleen en lopen voor me het café uit. Ik vind het droevig dat ze zo mooi waren voor niks en wil ze bijna een knuffel geven. Maar zij zoeken natuurlijk ook naar een omhelzing van iemand iemand anders. Dan voel ik een kort, zacht tikje, van twee vingers misschien, op mijn schouder. Ik draai me om.
De baardloze, bebrilde man.
“Sorry,” zegt hij zachtjes. “Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, net. Dus zei ik maar niks. Stom. Maar, ja, ik vind jou ook een leuke vrouw.”
Wat leuk! Wil ik zeggen. Wil je mijn nummer? Wil ik zeggen.
“O,” is wat ik daadwerkelijk zeg.
Tja. Matt heeft niet vertelt wat je na die 20 seconds moet doen.

De stap naar burgerlijkheid…

Burgerlijkheid

Ik woonde eens in een studentenhuis midden in het centrum van Utrecht, ik had een kamer op de derde verdieping. Als ik in mijn raamkozijn zat, kon ik mensen sigaretjes zien roken op de terrassen van de Neude, als ik naar beneden keek zag ik hoe de buurmeisjes op de stoep biermeisjes aan het worden waren. Ik hoorde het geluid van studenten die met rolkoffertjes door de straat liepen en jongens op bezorgbrommers. Samen met vriendin N. en vrienden G. en B. en nog wat anderen, woonde ik daar. Het was mooi. Na een paar jaar, vertrokken we. Halverwege de twintig. We kregen banen of verkering en verhuisden naar een eigen huis, net iets uit het centrum, niet te ver, want we moesten toch altijd kunnen ‘zuipen’. Nu is het drie jaar later en N., G. en B. komen bij me eten. Ik heb nog geen boodschappen gedaan.

“Ik wil jullie wat vertellen,” zegt B. “meerdere dingen eigenlijk.”
B. is nooit zo officieel, hij vertelt gewoon. Hij is de relaxte van ons vier. Er moet iets bijzonders aan de hand zijn.
“De vakantie met m’n meisje was echt te gek, ik heb een dikke promotie op mijn werk gemaakt, echt fijn,” en dan zegt hij snel en zachter: “ik ga in Vleuten wonen.”
“Wat?” zeggen wij in koor.
Vleuten is wat Barendrecht van Rotterdam is, wat Abcoude van Amsterdam is. Je gaat in Vleuten wonen als je lang genoeg jong bent geweest, klaar om een gezin te stichten en daarna dood te gaan.
“Te burgerlijk?” B. glimlacht een moeilijke glimlach. Hij had de reactie al verwacht.

Ik ga om de hoek boodschappen doen en denk aan Vleuten. Gehakt, ei, komkommer, tomaat, Vleuten heeft een eigen kerkplein, aardappels, ui, sla en Vleuten heeft een station. Ik leg alles wat er op mijn lijstje staat in mijn mandje en loop langs gezellige, gebloemde placemats. Handig, dan maken de glazen water geen kringen in mijn houten tafelblad. En dat groen past precies bij mijn behang. Wat leuk. Ik pak er vier op. Nee, leg terug! Doe niet zo burgerlijk. Ik ben niet burgerlijk. Ik ben stads. Ik ben een rebel. Ja. Ik koop extra bier.

“Nou, vinden jullie het burgerlijk?” vraagt B. als ik de tafel dek.
“Je gaat samenwonen,” zegt N. “Daar gaat het om, het gaat er toch niet om of je dat in Utrecht doet, Vleuten of weetikveelwaar.” Ze is de liefste van ons vier.
“Fucking Vleuten,” G. lacht hard, “Je gaat in Vleuten wonen, man. Ben je ook gestopt met roken en drinken?” G. is de meest directe van ons vier.
Ik geef G. een stomp en kijk naar B. Hij kijkt beteuterd.

Drie jaar geleden keken we allemaal beteuterd. We praatten over wat we zouden missen aan ons studentenleven, spraken de hoop uit om niet saai te worden. Misschien kwam het door de stroom studenten die schreeuwend door onze straat fietsten. Misschien kwam het door de one night stand verhalen die we deelden. Of misschien kwam het door de nog studerende huisgenoten, die per ongeluk tegen onze badkamertegels kotsten. Wat het ook was, daar wonen, maakte ons allerminst saai. Met het vertrek uit ons huis werden we wel saaier. We keken met thee op de bank The Voice op vrijdag, in plaats van dat we gingen zuipen. Daar zijn we inmiddels wel overheen. Maar de volgende stap, de stap naar de burgerlijkheid. De stap naar Vleuten… Zijn we daar klaar voor?

“Waarom is het erg, om burgerlijk te zijn?” vraag ik. “Ik bedoel, wat is burgerlijk zijn eigenlijk?”
“Wonen in Vleuten,” grinnikt G. Hij geeft B. een meelevend schouderklopje.
“Ik ben blij voor je,” zegt N. “Het is jullie gegund en Vleuten is vast fijn.”
“Ik ben ook blij,” probeer ik. Al zie ik B. en zijn dan vast zwangere vriendin volgend jaar al over het kerkplein lopen, langs plekken waar kinderen nog kunnen buiten spelen. Hun huis ruikend naar koffie en borden vol bloemkool met een papje en met een gevulde koelkast, gewoon, hoe het hoort.
“Vleuten is zeven minuten met de trein of zo, B.,” zeg ik. “Geen zorgen.”
“We gaan dan toch nog wel gewoon zuipen?” zegt hij.
“Tuurlijk gaan we zuipen,” zeg ik.
Ik heb tegenwoordig niet meer zoveel zin om te zuipen, maar zeg niks. Niemand zegt iets. Uit angst voor de burgerlijkheid. De angst voor burgerlijkheid van een achtentwintiger is vergelijkbaar met de angst van een 65+’er die bijna met pensioen gaat. Bang zijn voor het er niet meer toe doen. Maar doet het ertoe dat je er niet meer toe doet?

“Ik hou van scrabble,” zeg ik ineens terwijl ik de pannen* hard op tafel zet. “Ik hou van een gevulde koelkast en vind one night stands stom geworden, ik hou van placemats die horen bij mijn behang en dat mijn huis ruikt naar koffie. Ik hou van bloemkool met een papje eten, soep maken, breien en een schone badkamer.”
“Sjezus,” G. schudt zijn hoofd. “je maakt me bang.”
N. lacht, “Je mag best burgerlijk zijn, dat wordt iedereen uiteindelijk toch.”
“Ja?” ik ga opgelucht zitten. “Nou, dat wil ik dus allemaal en ik wil soms ook gewoon níet drinken. Wil jij dat ook allemaal B.?” vraag ik.
“Nee, doe eens normaal joh,” zegt B. “Mijn vriendin woonde al in Vleuten en zij heeft het grootste huis.”
O. Ik ben klaarblijkelijk de burgerlijkste van ons vier.

*Ik kookte aardappels met gehaktballen en komkommers met sla en mayonaise. Burgerlijkheid. Zonder dat ik het wist, ben ik er al bijna. Hoezee.