De Kutdagen

img_3720

Dat ik iemands vriendin ben, vind ik nog steeds raar. Het is al best een tijdje zo, maar er zijn nog altijd momenten dat ik eraan moet wennen. Nog steeds kan ik me beter identificeren met de vriendin die in haar zoektocht naar een geschikte vent verschrikkelijke en hilarische dates heeft, dan met stellen die om de week een datenight inplannen.

Ik moest uitvinden hoe een relatie werkt, dat moest ik leren. Als je 30 jaar vrijgezel bent geweest, is dat nogal moeilijk. Het lastigste vind ik de kutdagen. Op vrolijke dagen is een relatie makkelijk, de gezamenlijke bubbel is fantastisch. Ik wist niet dat iemand mij zo gelukkig kon maken, zittend op de bank, ruikend aan zijn baard, thee slurpend, rug aaiend. Er is dan geen meditatie nodig om in het hier en nu te blijven. Ik ben er, hij is er en ik hou van onze bubbel.

Jaja, terug naar die kutdagen (want gelukkige mensen vind ik ook nog steeds om te kotsen). Die kutdagen zijn er. Als ik verdrietig ben omdat ik ruzie met mijn moeder heb gehad, of omdat ik moet janken omdat ik mega ongesteld ben of gewoon, zomaar omdat ik een dal in mijn dag heb. Toen ik nog vrijgezel was, zette ik op dat soort dagen een grote kan thee, pakte een dekentje, ging op de bank liggen en keek Pretty Little Liars.  Nu is dat anders, nu is een dal in mijn dag confronterend. Ik merk het meteen als ik thuis kom na een lange, vermoeiende rotdag.

‘Hoi schatje!’ roept de taalnazi vanuit de studeerkamer. Altijd maar dat ‘geschatje’.
‘Hoi.’ Zonder een kus loop ik naar de meditatiekamer. ‘Ik moet mediteren.’
‘Oké!’
Gejaagd steek ik mijn kaarsjes aan. En die pokke wierook moet ook. Ik ga zitten op mijn kussen, trek een kleedje over me heen en ervaar het gehele half uur geen zachtheid of ontspanning. Het enige pluspuntje is dat ik ben blijven zitten.

Ik sta op en ben boos. Op mezelf, op mijn moeder, op hem omdat hij geen klote opruimt of schoonmaakt. Zou hij vandaag wel wat hebben gedaan? Nee zeker. Nee, zij doet het wel. Ik laat het voor haar wel liggen. Ik ga wel lekker in mijn studeerkamer zitten. Sjonge. Ik loop naar de woonkamer, langs de studeerkamer zonder naar hem te kijken.

Tot mijn teleurstelling is de woonkamer niet heel vies. Hij heeft gestofzuigd. Maar de kussens liggen niet recht en er staat een fles ijsthee op de grond en de chipszak van gisteren ligt nog op de salontafel. Hij weet dat ik het opgeruimd wil. Is het nou zo moeilijk om even op te ruimen? Ik heb een drukke dag gehad. Het moet opgeruimd zijn.

De keuken is goor. Echt heel goor. Dit moet gepoetst. Ik ga hem laten zien dat ik poets (en hij niet!). Ik maak een sopje en haal alle spullen uit de koelkast. De hele keukentafel staat vol. De glazen planken haal ik er ook uit. Ik sop en boen. Daarna schrob ik het gasstel. Daarna de keukenkastjes. Ook zo vies. Behalve die ene die hij pas heeft schoongemaakt en opnieuw ingericht. Eentje maar verdomme. Als ik de honing uit het kastje probeer te krabben, hoor ik iets achter me. Als ik me omdraai, staat de taalnazi in de deuropening.
‘Kan ik wat doen?’ vraagt hij zachtjes.
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Kijk hoe vies dit is.’ Ik wijs naar, nou ja, de hele keuken.
‘Zal ik het schoonmaken?’
‘Nee. Ik doe het wel weer.’

Ik zie angst in zijn ogen. Toch waagt hij het om binnen te komen. Inmiddels weet hij dat hij me nu niet moet vastpakken of kroelen of aaien. Hij grijpt met zijn hand in het gootsteenkastje. Hij weet volgens mij niet wat hij pakt maar loopt met zijn staart tussen zijn benen (en de allesreiniger) de keuken uit. Ik ga zitten op de stoel en hoor hem lopen. Met zijn allesreiniger. Ik laat het even gaan, laat mezelf denken. En dan roep ik hem (ik weet dat ik eigenlijk naar hem toe moet lopen maar dat kan nog niet).
‘Ik ben aan het schoonmaken, schatje,’ zegt hij zacht.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Ehm.’
‘Omdat je bang voor me bent he?’
‘Eh, ja, doodsbang.’
‘Dat is eigenlijk niet goed of fijn ofzo,’ zeg ik. ‘Kom je zitten?’
Hij gaat zitten. We zwijgen. Ik heb een dal in mijn dag en hij is er. Ik zou dankbaar moeten zijn, in zijn baard vliegen, huilen op zijn borst, me laten zeggen dat het goed komt, me laven aan zijn slechte grappen, maar ik kan het niet. Niet nu, nu niet meteen.

Het is de kutste dag van het jaar (oké, van de maand, oké van de week) en ik wil het alleen doen. Nee. Ik ben gewend om het alleen te doen. Dat is ook wat ik tegen hem zeg.
‘Ik weet niet goed hoe het moet, verdrietig zijn bij een ander.’
‘Dat maakt niet uit he.’ Als ik me open stel, heeft hij iets om mee te werken, zijn kalmte is terug. ‘Ik geef je alle tijd. Je doet hoe je het doet.’
‘Ik heb het nooit gedaan,’ zeg ik. ‘Ik ben dat niet gewend.’
‘We hebben de tijd,’ herhaalt hij.
‘Je bent een spiegel.’ Ik stomp hem op zijn knie. ‘Je bent een kutspiegel ook nog. Vroeger ging ik gewoon op de bank liggen met een deken en dan merkte ik niet eens dat ik een kutdag had.’
‘Dan: ga op de bank liggen met een dekentje.’
‘En Pretty Little Liars kijken?’ vraag ik.
‘Ik weet niet wat dat is, maar ga lekker Pretty Little Liars kijken. En dan breng ik je een kopje thee en dan ga ik weer in mijn studeerkamer zitten.’
‘Is dat niet raar?’
‘Een beetje wel maar jij bent raar en ik ben raar, dus is het goed.’
Ik trek hem omhoog en knuffel hem. Heel even. ‘En nou oprotten,’ zeg ik.
‘Ja jij!’ Hij steekt zijn middelvinger op, geeft me een duwtje richting de woonkamer en zet de televisie aan.
En weer ben ik een klein beetje meer gewend. Ik ben iemands vriendin.

Met een hele schone koelkast.

Online daten? Met vissen vang je bot – GASTBLOG

Achtentwintiger heeft de Bloggende Bankier gestrikt als gastschrijver! Floris Mein is ‘banker by day, blogger by night’ en hier lees je zijn lees zijn verhaaltjes! Verder is Floris vader, vaste columnist van Taalvoutjes en single. Je weet: als je single bent, doe je aan Tinder. En als je zijn avontuur hieronder leest, is dat eigenlijk zielig voor Floris maar hilarisch voor ons!

IMG_0122

De Zaanse verhoormethode. Die lijkt erg populair te zijn bij het online daten. De meeste gesprekjes beginnen ongeveer zo:  “WIE BEN JE, WAT DOE JE, WAAR KOM JE VANDAAN, WAT ZIJN JE HOBBY’S?” En dat binnen een tijdsbestek van zo’n 47 seconden. Ik vond het beangstigend. Soms kreeg ik zelfs de neiging om m’n hoofd onder te dompelen in een bak ijswater totdat ik in ademnood zou komen. Zo kreeg ik tenminste echt het gevoel dat ik ondervraagd werd door de KGB. Het was elke keer net alsof ik het Staats Tinder Examen moest afleggen en bij de minste of geringste misser afgeslacht zou worden. Of erger: naar links geswipet … (Ja, ik drink koffie, sorry! En nee, ik houd niet van hardlopen of van South Park. Maar verder ben ik echt een tof mens, hoor!) De Tinderterreur maakte me gewoon een beetje ‘synisch’, aldus één dame. Tja en daar kon ik dus niet tegen: dat gemaksanalfabetisme… Maar misschien vond ik het chatten op Tinder ook wel gewoon eng. En werd ik daarom zo cynisch. Omdat ik bang ben. Ja, dat zal het zijn. Dat ik gewoon bang ben dat ik, nadat ik alle vragen zo eerlijk mogelijk heb beantwoord, alsnog afgewezen word.

Ik bedoel: Ik ben 35 jaar, gescheiden, heb twee kinderen, woon driehoog achter op een flatje in de Bijlmer, ik rijd in een roestige Opel uit 1999 en ongeveer 81,4659% van m’n sociale leven speelt zich af achter m’n laptop. Verder houd ik van scifi-films en ben ik slecht in rekenen. Dat is natuurlijk niet een cv om over naar huis te twitteren. Ja, dat zal het geweest zijn: ik was bang om afgewezen te worden, door al die leuke knappe meisjes met hun fijne levens. Mijn spraakmakendste hobby waar ik over kan vertellen, is bloggen en zij hadden allemaal foto’s van hippe vakanties, zonnebrillen (Ray Bans, allemaal!) en wakeboards. Ja, wakeboards ja. Het zal je verbazen hoeveel meisjes er wakeboarden. Dat is niet normaal! Ik val zelfs nog van de step van mijn zoontje, maar zij kunnen het allemaal. Wat ik ook nooit begreep: Foto’s van vriendinnengroepen. Moet je dan het leukste meisje kiezen, of hoe werkt dat? Of is het een vooropgezet plan van de vrouwen om te kunnen zeggen: “Welke hóóp je dat ik ben?” ALERT: DANGER! Want (en dit is wetenschappelijk bewezen) de knapste is NOOIT het meisje met wie je de match hebt op Tinder.

Soms vroeg ik weleens: “Waarom heb je mijn redelijk alledaagse foto dan geliket?” Het liefste compliment dat ik ooit kreeg was: “Ach, je was een van de weinigen die niet met een vis of met kinderen op de foto stond.” Wat ook lief was: “Je stond niet achter het roer op een bootje waarvan we alletwee weten dat je nog steeds aan het aflossen bent op de hypoteek.” “*Hypotheek”, stuurde ik terug. Dat was ook een les voor me. Verbeter nooit iemands spelfouten op Tinder (of andere online datingtoestanden).

En weet je wat het is? Op een gegeven moment zijn de leuke openingszinnen echt op. Dan stuurde ik maar iets stoms: “Hoi! Ik was een lamp aan het vervangen in de gang en ik moest even aan je denken.” Hitratio: 0,0%. Of vijf keer achter elkaar hetzelfde bericht in drie minuten: “Hoi, hoe is ‘t?” En dan er achteraan: “Sorry, m’n wifi deed raar.” Hitratio: 0,7%. Ook deze aanpak kun je skippen.

Wat wel altijd reacties opleverde? Elk meisje dat ik tegenkwam, noemde ik ‘Annie’. Als ze dan terugstuurden: “Ik heet helemaal geen Annie!”, dan reageerde ik: “Dat weet ik, maar je lijkt zo op mijn ex-vrouw. Mag ik je alsjeblieft Annie noemen? Ik mis haar gewoon nog soms …” Daarna hadden ze vaak ineens geen bereik meer. Of gingen ze op vakantie. Wakeboarden weer waarschijnlijk.

Nou ja, terug naar de kroeg dan maar, waar je de feromonen kunt ruiken (al ruik ik meestal alleen verschaald bier en sigaretten, maar het schijnt te werken). Of nee! Nee, ik weet het: ik ga een wakeboardwinkel beginnen! Nou hopen dat alle vrouwen in het echt net zo leuk gefilterd zijn als de foto’s op mijn laptop. Wel de brillen thuislaten graag.

Aardappeleters

Aardappeleters

Met een bak quinoa op mijn schoot, staar ik in mijn werkkamer naar mijn prikborden. Quinoa is hip en gezond en op mijn prikborden hangen allerlei briefjes. Ze zijn door elkaar heen geprikt en sommigen kan ik niet eens meer lezen. Er staan dingen op als “Hoofdpersoon Elsie: wie is zij?” en “Proloog moet beter. Wat wil je zeggen?!” en “Tijs en Elsie steeds bijna seks maar toch steeds niet”. Het zijn allemaal briefjes die mij moeten helpen met het schrijven van mijn roman. Ik neem een hap quinoa, kauw er langzaam op en denk aan opgeven. Voor het schrijven van een roman zou het fijn zijn dat je ordelijk bent. Ik ben dat niet, vraag maar aan mijn moeder. Stiekem vind ik het niet heel erg dat het creatieve proces zo moeizaam is. Het is zoete waanzin. Ik vind het heel erg onhandig dat ik er een zooitje van maak, maar ik vind het ook – en ik schrijf dit op met een lichte zelfwalging – getuigen van artistiek zijn en bijzonder en ja… Wacht even, ik moet even naar de wc.

Inmiddels is het vier uur ’s middags en mijn personages zijn kapot van al mijn gedenk over hen. Ik moet aan de borrel. Niets dat je schrijversschizofrenie beter wegspoelt dan rode port. En dat doe ik in Bergen op Zoom deze vrijdag; een vriendin van mij viert daar haar verjaardag (omdat ze daar woont). Bergen op Zoom is een klein plaatsje waar je al snel bijzonder bent. Het is fijn om daar even naartoe te gaan, vanuit een stad als Rotterdam, die vele bijzondere mensen kent.

In Bergen op Zoom valt een onbekend gezicht snel op. Er wordt mij gevraagd wat ik doe. Ik vertel dat ik schrijf.
“Zo, dat lijkt me moeilijk,” zegt een meisje.
“Het is ook echt heel moeilijk,” zeg ik, blij dat iemand mijn worsteling erkend.
“Maar het is wel een echte passie,” zegt een ander. “Dat is bijzonder.”
“Ja,” zeg ik, blij dat iemand mijn bijzonderheid erkend.
“Wat is jouw passie?” vraag ik. Het meisje schudt verdrietig haar hoofd, ze heeft er geen. We doen een passie ronde in Bergen op Zoom. Weinig mensen hebben passies. Velen zijn daarover verdrietig. Ik vertel dat een passie hebben heus niet altijd leuk is. Dat je soms helemaal geen geld hebt of inspiratie en ik vertel over mijn prikborden. De mensen leven met me mee.

Eén jongen met krullend donker haar heeft nog niks gezegd. Ik vraag hem naar zijn passie, wachtend op een gelukzalig ‘ik heb er geen’.
“Aardappels,” zegt hij.
Ik lach heel hard.
“Echt waar,” zegt de jongen die Mees blijkt te heten. “Aardappels zijn mijn passie.”
“Dat meen je niet,” zeg ik. En ik denk aan de quinoa die bij mijn artistieke leven hoort.
“Jawel, dat meen ik wel. Later word ik boer en ga ik aardappels telen.”
Later word ik schrijver en ga ik boeken publiceren. Dat is wat ik altijd zeg.
“Maar, wat vind je daar dan leuk aan?” vraag ik.
“Het is gewoon mooi werk,” zegt Mees. “Ik studeer nu in Dronten tuin- en akkerbouw. Dat is een hele toffe opleiding, je leert van alles over de grond en over de gewassen en ook over marketing. Dat vind ik niet zo, maar toch.”
“Maar aardappels. Waarom aardappels?” vraag ik.
“Het is een mooi product. De plant behoort tot de nachtschadefamilie, dat weten weinig mensen,” zegt Mees. “Bovendien moet je goed nadenken wat je na de aardappel op het perceel laat groeien. Je kunt een aardappel maar een keer in de drie jaar oogsten. En na dat jaar, moet je iets anders zaaien.”
Ik ken de woorden ‘zaaien’ en ‘oogsten’ alleen metaforisch. Wat nachtschade betekent, weet ik helemaal niet. Mees lacht naar mij, alsof hij ziet dat ik het allemaal niet weet maar dat het niet geeft. Een passie die niet moeilijk is, wie had dat gedacht. Ik lach terug. Als hij niet 19 was, maar 29, had ik ‘m nu prompt op zijn mond gezoend.

De prikborden en mijn personages doemen op in mijn gedachten. Ook opgeven is terug. “Maar die aardappel he, die verdwijnt toch uiteindelijk,” probeer ik. “Iedereen eet tegenwoordig quinoa enzo.”
Nu is Mees degene die hard lacht. “Dat is een regelrechte hype. Uiteindelijk zijn we toch echt aardappeleters. Tegen de tijd dat ik ben afgestudeerd, is de quinoa weer voorbij.”
“Wanneer is dat?” vraag ik.
“Over twee jaar.”
Ik knik, loop naar de bar en bestel een rode port. Ik staar naar het rood in het glaasje. Elsie staat stampvoetend in mijn gedachten. Doe maar een cola, zeg ik tegen de barman en ik schuif de port terug. Ik adem in en sla het fris snel achterover. Ik moet terug; terug naar Rotterdam, terug naar mijn werkkamer. Ik moet mijn roman afschrijven voordat de quinoa weer uit de mode is.

Hip

Hip

Er zijn momenten in mijn leven in Utrecht dat ik me onzeker voel. Over hoe ik eruit zie voornamelijk; dat heb ik vaak in het café. Ik kijk om me heen en zie mensen met brillen die bijna hun hele gezicht bedekken, vlechten die heel nonchalant lijken te zijn ingezet, maar wel mooi over de schouder hangen en zulke grote truien dat ik vermoed dat het eigenlijk jurken zijn. In eerste instantie denk ik dan: ‘kind, die spullen doen niks voor je. Je wordt er niet knapper van. Doe ze uit en normaal.’ Mijn vriendin die bij een groot modeconcern werkt, zegt echter altijd: ‘het gaat hen er niet om dat ze knap zijn, maar dat ze hip zijn.’ Ik herken iets hips dus niet, laat staan dat ik het kan implementeren in mijn kledingkast… en daar word ik onzeker van.

Laatst was zo’n moment wederom daar. Ik keek naar de barman, een jaartje of 22 moest hij zijn geweest, hij had zijn blonde krullen een soort van ‘opgekroest’, waardoor het haar vrij hoog de lucht in ging. Het oogde mij vreemd. Hij droeg ook nog eens een donkerrode corduroy broek met een zwart-wit gemêleerde, gebreide trui erop. Ik vond de combinatie niet mooi en zelfs een beetje raar.
“Dat is heel erg hip,” zei mijn vriendin. “Die stoffen en dan zo bij elkaar.”
“Echt?” vroeg ik. “Ik vind het raar.”
“Als jij iets raar vindt, is het überhip.”

Dat is een hele ware belediging. Ik weet niet wat hip is. Of ik wil het niet weten. Of ik kan er niet aan meedoen. Mijn benen zien eruit als kleine rollades in skinny jeans, dus dat heb ik nooit gedaan. Ik weet niet wanneer je BAM! hoort te zeggen of anders whoop whoop, dus ik zeg niks. Ik was de laatste die instagram installeerde op mijn telefoon en gebruik het nu nog steeds alleen voor fotobewerking (al is het dus echt een communicatiemiddel).

De vriendin is wel hip, maar loopt daar niet mee te koop, zoals de jongere hippe mensen dat wel doen. Want de regel lijkt te zijn: hoe jonger je bent, hoe hipper je moet zijn. Als ik in het café ben, voel ik me het tegenovergestelde van hip. Ik weet niet goed welk woord daar bij past, maar laten we zeggen antiek. Lijdzaam zit ik in een spijkerbroek met hakken en een colbertje erboven (daar sla je nooit de plank mee mis, zei mijn vriendin van het modeconcern drie jaar geleden en daar hou ik nog steeds aan vast) te kijken naar een meisje met een heel klein roze riempje om haar zwarte spijkerbroek en een grote blouse er nonchalant ingepropt. Hip. Naar een jongen met een pet op die niet goed op z’n hoofd lijkt te zitten (want heel hoog, het doet me denken aan de film Coneheads). Maar ook dit is hip. Ik schud wanhopig mijn hoofd. Weten die mensen wel wat ze te wege brengen bij mensen zoals ik, met hun petten en riempjes? Zien ze me kijken en getraumatiseerd mijn colbertje dichtknopen? Een meisje met een beige ‘hoog water’ broek komt binnen. Dat kan niet hip zijn. Mijn moeder droeg vroeger broeken met hoog water.
“Is dat ook hip?” vraag ik.
“Ja,” zegt de vriendin. “Hoog water broeken komen terug, je kunt weer print op print dragen en neon kleuren doen het ook erg goed.”
“Neon wordt de shit?” vraag ik ongelovig.
“De shit is niet meer.”
“O.” ‘De shit’ zeggen alleen maar antieke mensen blijkbaar. Ik snap er niks van. Jaloezie borrelt op. Jaloers ben ik op de riempjes, de petjes, de jurktruien en hoog waterbroeken. Ik wil ook hip zijn.

Hoe ouder ik word, hoe jonger Utrecht lijkt te zijn. Hipper. Er zijn ook momenten dat ik niet in Utrecht ben. Dan ben ik vaak in Zwijndrecht, waar mijn zus met haar vriendin en twee kinderen woont. Ik drink daar geen wijn in het café, wel op de bank met de meiden. Soms kook ik, ik praat met mijn neefje van negen over Feyenoord of oefen zijn dictee en ik probeer het eten van mijn nichtje van anderhalf dat ze op mijn kin uitspuugt, terug in haar mond te proppen.

Vaak probeer ik die kinderen ook van school of opvang te halen, zoals vandaag. Ik sta op het schoolplein met heel veel moeders en een enkele vader om me heen. De vader knipoogt. De moeders kijken me aan, met blikken die bekend voelen. De ene moeder draagt een legging als broek met een slobbertrui erover. De ander een spijkerbroek met zo’n wit-rode jas uit de ANWB folder. Ze kijken naar me met schuine ogen. Nog een moeder staat gewoon te wachten in haar paarse huispak. Ze bekijkt me goed. Haar ogen beginnen bij mijn hakken, gaan via mijn spijkerbroek naar boven, zien de bloemetjes op mijn shirt, hoe het colbertje getailleerd is en kijken dan naar de losse staart op mijn hoofd die er misschien nonchalant uitziet (maar wat ik echt niet zo heb bedoeld!). En dan kijken de ogen weg. Het is mijn eigen blik, zoals ik kijk in het café en het wegkijken is jaloezie.

Ineens begrijp ik het. In Zwijndrecht ben ik hip.

Als mijn neefje naar buiten komt, loop ik vol zelfvertrouwen naar hem toe. Hij wuift mijn hand weg, hij is immers te oud om hand in hand te lopen, maar dat geeft even niet want ik ben hip. Met een ingetogen lach (ik wil het er niet in wrijven) loop ik door de schoolpleinzee aan moeders. Ik probeer oogcontact te maken, zoals ik altijd doe tegen mensen die – net als ik – niet hip zijn. Ik glimlach, zoals ik altijd doe. Maar de moeders praten met elkaar en kijken langs me heen. Ik blijf even staan en vang welgeteld één lach. Vast een vrouw die net zo hip wil zijn als ik. Ik zwaai naar haar, wat raar is omdat ze mij niet kent en ze loopt weg.

Verward loop ik met mijn neefje naar huis, eenmaal binnen doe ik een trainingsbroek aan en drinken we chocolademelk. De volgende keer dat ik die kinderen van school ga halen, ga ik dus sowieso in een trainingsbroek. En in Utrecht houd ik het bij mijn colbertje. Hip zijn, wat een afknapper. Ik had het kunnen weten, want hip rijmt op kip. Dat is toch gek.

Liegen

Liegen

Voordat je aan dit verhaal begint, moet je even het verhaal van vorige week lezen.

Met nul gulden in mijn zak stond ik voor het tijdschriftenrek in de Edah. Om me heen deden vrouwen zakken chips in karretjes waar nog flippo’s in zaten, maar ik had alleen oog voor de Hitkrant. Tussen de Margriet en de Yes sierde Peter Andre de cover. Mijn Peter, zoals ik hem kende uit de clip van Mysterious girl: met ontbloot gebruind bovenlijf en zijn zwarte haar in dunne strengen gestyled. Het blad beloofde een ‘mega poster’ van mijn grote liefde en die had ik nog niet. Ik had alleen kleine plaatjes in het Peter Andre schriftje dat onder mijn kussen lag. De poster moest ik dus hebben, maar mijn zakgeld was op. Nog een keer keek ik om me heen. Niemand. Ik stapte naar het rek, deed de Hitkrant open; precies in het midden. Koelbloedig haalde ik de poster eruit en verstopte in ‘m onder mijn jas. Ik was klaar om de Edah uit te lopen, samen met Peter Andre.
“Jij hebt iets onder je jas,” zei een meneer in een rood-wit schort. De Edah kleuren.
Zonder aarzelen keek ik de man streng aan. “Nee hoor,” loog ik.
“Jawel. Ik heb het gezien,” hij wees naar een camera die gericht was op de tijdschriften.
“Ik heb niks,” zei ik zonder te knipperen. Glashard liegen. Ik wist niet dat ik het kon.
“Luister, ik ga zo terug naar de kantine en dan kijk ik of je het terug legt. Als je het teruglegt, is er niks aan de hand. Als je het niet terug legt, bel ik de politie.”
De man liep terug en trok de deur naar de kantine dicht.
Ik hield Peter Andre onder mijn jas vast en rende naar buiten.

Gewetenloos loog ik voor Peter Andre. Dat is wat je doet voor de liefde. Je liegt, ook al is het niet makkelijk. Je liegt in de liefde niet alleen op heroïsche momenten zoals hierboven beschreven, nee, als je echt van iemand houdt, lieg je ook als er minder op het spel staat. Vind ik. En dat is niet iedereen met me eens natuurlijk. In het leven en de liefde zijn twee soorten mensen: mensen die liegen verachtelijk vinden en mensen die hun handen niet omdraaien voor een leugentje. Ik ben een type 2. Sterker nog: wat mij betreft is liegen een belangrijk element in elke gezonde relatie.

In een gezonde relatie zijn twee soorten leugens nodig. De eerste soort is liegen vóór je partner. Dit zijn leugens die je verspreid ten bate van hem of haar. Ik loog bijvoorbeeld voor Peter Andre in de supermarkt. Als je de baas van je vriendin opbelt om te zeggen dat griep heeft, terwijl ze eigenlijk alleen PMS heeft en chocolade wil eten, lieg je voor haar. De telefoon van je vriend opnemen en tegen zijn moeder zeggen dat hij niet lekker is en morgen terugbelt (zodat hij nu ongestoord voetbal kan kijken) is ook een voorbeeld. Beiden gevallen verdienen misschien niet de schoonheidsprijs, maar ik vind het prijzenswaardig dat je dat voor elkaar over hebt.

De tweede soort leugens zijn leugens tegen je partner. Dit zijn leugens die je tegen hem of haar vertelt, zodat hij of zij zich niet beroerd voelt. Het is complexere materie omdat je zware en minder zware leugens hebt. Zware leugens (zoals liegen over het feit dat je jarenlang een affaire hebt met de buurman), daar heb ik het zelf ook niet zo op. Maar als je echt van iemand houdt, doe je wel aan lichte leugens. Je zegt bijvoorbeeld tegen je vriendin dat je haar tijdens het weekendje weg met je vrienden écht wel hebt gemist, terwijl je zo dronken bent geweest dat je niet eens meer wist dat je een vriendin had. Of wanneer je vriend zijn iele lijf in de spiegel bekijkt, zijn soort van biceps probeert aan te spannen en dan teleurgesteld vraagt of hij echt heel mager is… lieg jij: “natuurlijk niet, mager, hoe kom je erbij, je bent juist afgetraind. Je bent precies goed.”

Zo denk ik erover. Maar zoals ik al zei, er zijn twee typen mensen. En het ene type kan niet goed met het andere type. Twee jaar geleden ontwikkelde ik deze theorie. Voor mijn vriendje (en mezelf uiteraard) had ik een zwart lingerie setje gekocht met allerlei spannende frutsels eraan. Ik vond dat ik heel sexy was en probeerde ook zo naar hem te kijken. Het vriendje keek glazig terug en zei niks.
“En?” vroeg ik toen ik het koud begon te krijgen.
“Tja. Ik vind het allemaal een beetje,” hij schudde zijn hoofd terwijl hij zijn neus optrok. “Je lijkt wel zo’n gothic vrouw. Die vrouw van Within Temptation. Nee, dat werkt niet voor mij.”
Beteuterd deed ik mijn badjas aan. Ik wou dat het vriendje had gelogen en zei dat ook. Hij trok verbaasd zijn wenkbrauwen omhoog en zei dat hij nooit tegen me zou liegen. Nooit. Als je elkaar de waarheid niet kan vertellen, wat voor relatie heb je dan, vroeg hij. Een goede, dacht ik toen voor het eerst in mijn leven, maar dat zei ik niet. Wel zei ik dat hij thuis moest slapen.

Echte liefde bestaat dus bij de gratie om te willen liegen en deze jongen had die bereidheid niet. Omdat hij de wereld zag in zwart-wit: dingen zijn goed of fout, je vertelt de waarheid of je liegt en dan is het makkelijk kiezen. Maar zo zit de wereld niet elkaar. De wereld zit vol met grijze gebieden en je moet niet alleen morele overwegingen maken, maar ook menselijke. Kiezen is dan lastig en liegen soms onvermijdelijk. Je begrijpt, ik was genoodzaakt om de relatie te beëindigen (maar niet alleen om het liegen, het bleek een geiten-wollen-sokken-jongen die vegetarisch at: ik kan toch niet met een man zijn die liever stukken aubergine op de barbecue legt dan stukken koe? Bovendien had ‘ie nog nooit Mysterious Girl gehoord. En toen ik het liedje wel liet horen en meerapte: “Baby girl, I said tonight is your lucky night…”, zei hij dat hij ook dat niet sexy vond. Wat? Ok. Doei.).

Afgelopen weekend zag ik de geiten-wollen-sokken-jongen, na twee jaar. Hij liep in de stad met een meisje aan zijn hand. Hartstikke leuk, vond ik in eerste instantie. Maar toen ik dichterbij kwam, ging het knagen. Het meisje was prachtig. Een lichtbruine huid, amandelvormige ogen, een bos donker haar omlijste haar hoofd en daaronder een klein, tenger lijfje.
Even hoopte ik dat we dat ding zouden doen dat exen soms doen waarbij je elkaar wel ziet, maar uit een soort van vermenging van respect en ongemak elkaar negeert. Maar nee. Hij liep resoluut op me af en het meisje slingerde er achteraan.
“Hoi,” zei hij.
“Hoi,” glimlachte ik.
“Dit is Sheila,” hij wees naar het mooie meisje. “We zijn verloofd.”
“Hoi Sheila,” ik werd een beetje kortademig en stak mijn hand uit. “Gefeliciteerd. Super.”
“Hallo, aangenaam,” ze schudde mijn hand en toonde me haar lach. Ik voelde de warmte van haar af komen. Dit was een mooie, maar ook een lieve meid. Hoe kwam hij daaraan? Had ik de geiten-wollen-sokken-jongen toch niet moeten laten gaan?
“Heb jij ook eh…” gemaakt keek hij langs me heen. “Iemand?”
Zijn ogen fonkelden. Hij had er plezier in dat ik niemand had.
Ik voelde ongemak. Ik voelde schaamte en toen voelde ik: liefde. Ik dacht aan wat je over moet hebben voor liefde. In een goede relatie lieg je voor de ander. Ik lieg voor de liefde!
“Ja,” zei ik en hield mijn hoofd schuin van verliefdheid. “Dat heb ik zeker, maar je kent hem vast niet. Peter heet ‘ie, het is een muzikant.”

Zo. Dat is pas liefde. Zelfliefde 2.0.

Zo’n dag

Zo'n dag

De pijn in mijn rug wekt me. Mijn hoofd is zwaar, mijn lijf is moe en dat terwijl ik gisteren op tijd en zonder alcohol ben gaan slapen. Koffie, eerst koffie. Ik loop naar de keuken en schenk water in het koffiezet apparaat, pak de koffiebus en… leeg. Geen koffie. Dit gebeurt mij regelmatig, normaal zet ik dan gewoon thee. Nu klemmen mijn tanden zich op elkaar en in een voor mij zelf onverwachte beweging gooi ik de koffiebus op de grond. Er zat nog een klein beetje in. Dat moet ik dus van mijn houten vloer vegen. Ik kan wel janken en dat vind ik ook weer heel stom. Een afkoeldouche is noodzakelijk.

Met nat haar ga ik aan het werk. Er is veel te doen, maar geen concentratie om het ook daadwerkelijk te doen, want ik word gekweld door twijfels over mijn beroepskeuze. Tekstschrijver, jezus, wat is dat eigenlijk voor beroep? Wat beteken je dan voor de wereld? Had ik geen dokter moeten worden of maatschappelijk werker of weet ik veel, bakker, dan doe je nog iets voor de mens. Ik wil mijn laptop uit het raam gooien, maar besef net op tijd dat ik zonder laptop geen werk heb, zonder werk geen eten en dat ik zonder eten doodga.

Aan het einde van de ochtend heb ik een belafspraak met een potentiële klant. De mevrouw die mij te woord moest staan, blijkt helemaal niet aanwezig te zijn. Ik gooi mijn telefoon uit nijd naar de bank. Mensen hebben geen respect meer. Ik besluit mezelf nuttig te maken door de koffie van de vloer te vegen, maar het gaat allemaal tussen de houten naden van mijn vloer zitten. Nee… dat mag niet… Nee, niet doen koffie… In mijn ogen prikken tranen. Ik slik ze weg. Doe normaal. Ik ga even zitten in het hoekje van mijn keuken en doe mijn handen voor mijn gezicht.

Dan krijg ik een app van een vriendin.
“Het was heel leuk. Echt heel leuk.”
Ze had gisteren eindelijk een afspraak met de jongen die ze al maanden leuk vindt. Ik kan weer janken. Want ik heb niemand en zij had niemand en we hadden altijd samen niemand en nu heeft zij straks iemand en ik heb dan nog steeds niemand. Ik jank nu, maar tik natuurlijk: “Wat leuk. Ik ben echt heel blij voor je!!!”
Ze vraagt hoe het met me gaat. Ik zeg wel oké. Ze vraagt of ik al over die jongen heen ben die een vriendin had. Er was een tijdje een jongen die leuk was. Die luisterde. Die lief was. Die grappig was. Die mij leuk vond, precies zoals ik ben. Maar die ook een vriendin had. Het is nu twee maanden geleden dat ik hem voor het laatst zag en ik was ‘m eigenlijk al vergeten, maar vandaag voel ik dat hij de vader van mijn kinderen zou moeten zijn. Ik app terug dat ik er niet over wil praten. Ze zegt oké. Ik app dat ik niet snap dat de jongens die mij leuk vinden altijd een vriendin hebben en dat ik ze dan ook nog eens leuk terug vind. Ze zegt dat het twee keer is gebeurd en dat ik genoeg mannen afwijs. Ik app echt niet en zeg dat ik een kat ga kopen. Ze appt dat ik de leukste ben. Ik stuur WAAROM BEN IK DAN ALLEEN? Ze appt terug: NEEM EEN WIJNTJE!

Ik bedank de vriendin en schenk een wijntje in, maar voordat ik een slok kan nemen, belt de mevrouw van vanochtend terug. Een blij gevoel overvalt me. Vreugdetranen. Ik ben terug gebeld! We maken een afspraak voor een nieuwe klus die me tijdens het gesprek heel leuk lijkt, maar zodra ik ophang, denk ik: wat een saaie klote klus. Wat een verschrikkelijk leven heb ik. Ik drink twee wijntjes en rook een sigaret. Terwijl ik nooit thuis rook. Terwijl ik alleen rook met drankjes op feestjes.

Dan sleur ik mezelf in trainingsbroek naar de supermarkt. Ik ben zielig, zo zielig, dat ik wel chips en chocola en wine gums als diner mag. Met dit eten op de bank, doe ik niks meer vanavond behalve Bridget Jones kijken: I en II. Ik zie het personage stuntelen en huilen en wijn drinken en denk: dit is mijn leven. Zo ben ik. Maar waar is mijn Mr. Darcy? Wanneer krijg ik mijn perfecte baan? Waar blijft mijn happy end?! Als de films zijn afgelopen, ben ik nog steeds verdrietig. Ik huil een beetje, prop een laatste hand chips in mijn mond en ga slapen. Snikkend.

Als ik de volgende dag wakker word, is de rugpijn weg, maar de dag van gisteren zit nog in mijn hoofd. Ik loop in het donker naar de wc, doe het licht aan en trek mijn pyamabroek naar beneden. Ik kijk in mijn onderbroek. Godzijdank. Gisteren was niet echt. Gisteren waren mijn hormonen.

Tanja

Vriendschap

“Hou je grote bek,” zegt Tanja. “Ik zweer het, beter ga jij je bek houden.” Tanja staat op het schoolplein, ze is groot en gezet en kijkt neer op Wart, de magere jongen die dus duidelijk zijn bek moet houden. Wart schold mij uit, zo kwam hij bij Tanja in de problemen. Tussen heel veel lelijke woorden door werd duidelijk dat Wart problemen had met mijn gebrek aan tieten en mijn overvloed aan puisten. Ik stond te bibberen en zei niks. Maar toen was er Tanja. Ineens stond ze er. Met een dreigende vinger die bijna Warts oogbal uit zijn hoofd lepelde, stond ze voor me in. Tanja. We waren veertien en ze was mijn beste vriendin.

Tanja was erbij toen ik op de kleuterschool van Sinterklaas een stom cadeau kreeg en ik vocht tegen mijn tranen. Ze was erbij toen ik geen gewone elastiekjes meer in mijn haar wilde, maar een roze wokkel. Ze was erbij toen ik in groep acht de hoofdrol in de musical aan mijn neus voorbij zag gaan. Elke schooldag was ze erbij. En elke dag aten we advocaatspritsjes. Mijn moeder wachtte ons op, met thee en een spritsje, omdat Tanja een moeder had zonder koekjes.

Op de middelbare school gingen we samen naar 1F: de mavo/havo klas. De nieuwe school, andere leraren, onze veranderende lijven, het viel ons allemaal zwaar, maar we hadden elkaar. En spritsjes natuurlijk. Tot de kerstvakantie aanbrak. Mijn ouders werden gebeld door school. Mijn vader glimlachte vanwege het nieuws dat door de hoorn tot hem kwam. Na dat gesprek moest ik even bij hen komen zitten. Hij vertelde me het goede nieuws. Ik huilde. Ik huilde hard en deed dat totdat ik in slaap viel. De volgende dag zag ik Tanja.
“Jij bent niet gebeld door school he?” vroeg ik.
“Nee, hoezo?”
“Ik moet na de kerstvakantie naar een andere klas.”
“Wat?”
“Ik moet naar de vwo klas.”
Haar ogen vulden zich met tranen. Mijn ogen waren al leeg gehuild.

Het vwo zou ons niet breken. We besloten bloedzusters te worden. Maar bij het zien het rode streepje vocht dat uit haar vinger liep, moest ik kokhalzen, dus we bezegelden ons zusterschap met een knuffel en de dagelijkse sprits. Het vwo paste bij me. De puisten gingen voorbij, Wart ook en ik hield van leren. Tanja hield niet van leren, wel van jongens, make-up en wiet. Ze zat op de mavo. Tanja kreeg vet haar, vond dat mooi en bond het in een staart op haar hoofd, waardoor ze een soort palmboom op haar schedel creëerde. Ik vond vet haar vies en had altijd een busje talkpoeder bij me voor als mijn haar net iets te vet werd. Vet haar, droog haar. Het maakte niks uit. Wij waren voor altijd.
“Kom je naar buiten?” riep Tanja vanuit de straat naar mijn raam dat open stond. Het was de avond voor mijn schoolexamen geschiedenis.
“Nee man, ik moet leren. Morgen examen.” Met de ‘man’ probeerde ik een beetje gangster over te komen, want Tanja was inmiddels het meest gangstere meisje van de school.
“Fuck dat. Ga gewoon mee. We gaan blowen.”
Fuck dat? Dacht ik. Fuck dat? Ik wil een goed cijfer halen voor dit examen.
“Ik kan niet, man. Studieshit en zo,” probeerde ik.
“Je bent saai geworden,” zei Tanja.
Ze stak een sigaret op en bleef naar boven kijken. Ik liep naar beneden, rookte voor het eerst in mijn leven een sigaret, ging weer naar boven om te kotsen en leerde verder. Voor het eerst, maakte het wat uit, dat we anders waren.

Tanja was eerder volwassen dan ik. Ze werd ontmaagd op haar zestiende, de leeftijd waarop ik mijn eerste zoen kreeg. Ze ging twee jaar later met vrienden naar Salou, ik ging op jeugdkamp in Drenthe. Tanja kreeg haar eerste baan toen ik naar de universiteit ging. Tanja stopte met blowen en kreeg een vriend. Ik wilde schrijver worden en ging op kamers. Ik had voor de eerste keer seks op de leeftijd dat Tanja een dochtertje kreeg. Ik kreeg een baan en Tanja besloot om nog maar twee dagen te werken.

Ze was gelukkig, ik was gelukkig, maar op een andere manier. De vriendschap werd minder, dan weer even meer. Maar we hadden het elkaar beloofd: wij waren voor altijd. Soms zagen we elkaar een paar maanden niet. En dan hadden we weer een opleving. Toen de all-you-can-eat-sushi restaurants in de mode kwamen, bijvoorbeeld, dat was tijdelijk onze gedeelde passie. Toen zij na haar eerste kind weer naar het café wilde, hadden we dat ook weer even. Maar de cafés waar ik naartoe ging, waren niet de cafés waar zij wilde zijn. En van teveel sushi eten, word je misselijk.

Ik vertel jullie dit vlak na het moment dat ik besefte dat ik Tanja twee jaar niet gezien heb. We zagen elkaar in het winkelcentrum, ze had een grote boodschappentas bij zich en haar dochtertje liep ernaast. Toen ik beter keek, zag ik een klein kindje in een draagzak op haar rug. Ik schrok. We hadden elkaar zo lang niet gezien, dat ik haar tweede zwangerschap niet eens had meegemaakt.
“Hoe is het?” vroeg ze. “Heb je al een boek geschreven?”
“Nee,” zei ik beschaamd. Haar droom was waar geworden, die van mij was nog ver weg.
“Hoe is het met jou?” vraag ik.
“Goed,” ze toonde een grote glimlach. “Ik hoef niet meer te werken.”
Dit was alles wat ze wou. Dit is wat haar gelukkig maakt. Nu had ze een jongen en een meisje en haar man had zo’n goede baan, dat ze thuis kon blijven. Mijn ogen liepen vol, door het gebrek aan begrip. Waarom wil je dit. Waarom wil je niet meer. Waarom wil je niet meer en zijn we niet nog steeds vrienden. We hadden toch afgesproken dat we voor altijd waren.

Haar ogen lachten, ze voelde de zwaarte niet van het gemis. Voor haar hoefde ‘voor altijd’ niet meer. Het dochtertje trok aan haar en mijn hoofd trok aan mij. Voor mij hoefde ‘voor altijd’ blijkbaar ook niet meer, anders had ik wel eerder contact met haar gezocht. De helft van ons leven waren we voor altijd geweest. Het is goed zo. We willen andere dingen en weet je, dat is eigenlijk goed. Want niet alles is voor altijd. Dag lieve Tanja, dacht ik. Ik keek even in haar boodschappentas. Er lagen advocaatspritsjes bovenop.