Floortje

IMG_3062

Sinds kort heb ik een hond: Floortje. Floortje is eigenlijk de hond van mijn moeder, maar die kan niet meer voor haar zorgen. Floortje is eigenlijk ook geen hond, ze is meer een soort grote, harige rat die is opgevoed als een mensje.

Floortje mocht bij mijn moeder op bed slapen. ’s Ochtends at ze – net als mijn moeder – pap. Floortje hield niet van wandelen of buiten poepen. Floortje vond slagroomsoesjes heel erg lekker en Floortje luisterde niet als ze daar geen zin in had. Als ik op bezoek kwam, ging ze naast mijn moeder zitten en keek me aan. Bizar lang. Zonder te knipperen. Ik vond Floortje eigenlijk niet zo leuk.

Toch hoorde ze ineens bij mij (en ook een beetje bij de taalnazi natuurlijk). Vanaf het moment dat we haar aan een roze riempje meenamen en de taalnazi een half uur na thuiskomst haar eerst drol opruimde, hoorde ze bij ons. Het is nogal een verantwoordelijkheid. Ik moet haar eten geven en uitlaten, ik moet met haar spelen en haar opvoeden, ik moet voor haar zorgen.

Het tweede weekend dat Floortje bij ons was, lieten we haar alleen om naar een eetafspraak met vrienden in Amsterdam te gaan. Floortje had die dag nog niks binnen gedaan en ik vond het zielig om haar alleen te laten. ‘Het is een hond, schatje,’ zei de taalnazi. Ik keek naar haar, zij staarde terug zoals alleen zij kan en pieste toen voor me op de grond. ‘Floortje!’ riep ik boos. Ze kwispelde. We vertrokken.

De vrienden hadden pas een kindje gekregen. Nou ‘pas’, het kon al bijna fietsen maar ik ben nu eenmaal niet zo snel met die dingen. Ik was er nu in ieder geval en had versterking meegenomen. Ik keek naar het meisje dat in zo’n ding lag dat je met je voet kon wiegen en ik lachte ernaar. Het lachte terug en ik vond het wel aardig, maar ik werd er niet wild van. Ik vond het niet aandoenlijk. Sommige vrouwen veren op bij elk babyscheetje dat eruit komt, maar ik heb dat niet zo. De vrienden waren altijd net als ik geweest: zij waren ook mensen die niet perse kinderen wilden. Het meisje was een ongelukje. En nu waren ze dolblij met haar. Het meisje lachte en gromde, kotste en boerde en de vrienden lachten alleen. Verlekkerd. Ik zag het nu goed: mijn vrienden waren geen mensen meer, maar ouders. Ook nadat het meisje naar bed was, bleef ze eigenlijk in haar wiegding aanwezig. Kleine gesprekken over het meisje sijpelden langs de tafelpoot omhoog de grote mensen gesprekken in. Een moment viel het stil en de mama verontschuldigde zich. ‘We praten alleen maar over de baby, sorry. We hebben het er steeds over. We zijn echt geobsedeerd, ik geef het gewoon toe. Volledig geobsedeerd. Zou het ooit over gaan?’ Dat vond ik het meest aandoenlijke van de avond.

Toen we thuis kwamen, was Floortje intens gelukkig. Ze stond bij de deur te wachten en toen we binnen kwamen, draaide ze rondjes om zichzelf, zo blij was ze dat we er weer waren. Ik liep door naar de woonkamer, keek goed rond en aaide haar toen. Ze had niet binnen gepoept en dat vond ik eigenlijk heel erg knap van haar.

De weken gingen voorbij. Floortje luisterde beter. Floortje ging in haar mand liggen als dat van mij moest tijdens het eten. Floortje rende, Floortje vond wandelen leuk. Floortje poepte niet meer in de woonkamer. Floortje plaste nog alleen maar uit protest binnen als ze op bed wilde en dat niet mocht van de taalnazi. Floortje wilde me altijd zoenen in de ochtend. Floortje ging bij mij liggen op de bank, als ik alleen televisie keek. Floortje wachtte me altijd op bij de deur als ik thuis kwam.

Dit weekend was Floortje bij mijn schoonouders omdat ik weg was met vriendinnen.
Ik bel de taalnazi.
‘Hoi, ben je bij je ouders?’ vraag ik.
‘Ja.’
‘Hoe is het met mijn kindje?’
‘Wat?’ Hij doet net of hij me niet goed verstaat.
‘Zeg nou gewoon.’
‘Het is je hondje.’
‘Hoe is het met mijn kindje?’
‘Goed hoor,’ zegt hij dan, ‘het is goed met je hondje, schat.’
‘Mag ik d’r even?’ vraag ik.
‘Mag ik d’r even?!’ herhaalt hij.
‘Kun je me even op luidspreker zetten?’
‘Ja, hoor.’ Een zucht. ‘Je staat op luidspreker.’
‘Floooooooortje,’ roep ik op hoge toon. Even is het stil. ‘Wat doet ze?’ vraag ik. ‘Wat doet ze?’
‘Ze doet niks,’ zegt de taalnazi. ‘Ze is een hondje.’
‘Floooooooortje!’ doe ik weer. ‘Wat doet ze nu?’
‘Kijk nou,’ zegt de taalnazi. ‘Ze hoort je, ze kwispelt. Doe nog eens.’
‘Floooooooortje!’
Nu lacht hij. ‘Ja, haar oortjes gaan omhoog. Aaaah.’

En daar was het. Ik besefte het meteen. Een oergevoel waar ik me voor geneer omdat ik het over een hond heb, maar who cares, ik zeg het gewoon.
Floortje is mijn kindje. Ons ongelukje en we houden van haar.

Overspannen zijn is net als zwanger zijn

IMG_0303

Ze zijn overal. Ik zit met een kop thee op de bank en ze hebben me omsingeld. Op whatsapp krijg ik foto’s binnen van pasgeboren baby’s, op Facebook zie ik collega’s met bolle buiken geposeerd tegen bomen staan en de enige vriendin die niet zwanger is of bezwangerd wil worden belt op om te vertellen wie er nog meer bijna moeder is. Er is geen ontsnappen meer aan. Ze zijn overal. De zwangere vriendinnen.

Zelf ben ik niet zwanger (op de foto heb ik gewoon serieus teveel gegeten). Maar ik ben wel overspannen. En als ik zo naar mijn vriendinnen luister, is overspannen zijn bijna hetzelfde als zwanger zijn. Als je zwanger bent, schijn je een emotioneel monster te worden (de vriendinnen geven het zelf toe). Dat ben ik op dit moment ook, ik kan al huilen als het verkeerslicht op groen gaat (en dat doe ik ook: o, lief verkeerslicht) en ben woedend als mijn merk kwark in de supermarkt op is (als wraak besluit ik nooit meer kwark te eten). Ochtendmisselijkheid, daar heb ik ook last van, alleen de hele dag door. Als ik gestressed ben, is mijn eerste symptoom duizeligheid. Maar nu ik overspannen ben, moet ik er ook bij kotsen. Of liever gezegd: bijna kotsen. Ik ben steeds aan het kokhalzen, zomaar. En daar word ik dan weer misselijk van. Maar dat ben ik dan zo weer vergeten, want ik heb ook last van zwangerschapsdementie. Zo stond ik gisteren de droge was af te halen en ik leek dat tijdens de handeling zelf al vergeten te zijn. De wc moest plotseling schoon. Een minuut later zat ik op mijn knieën op de vloer van het toilet, omringd door schone onderbroeken. Er lag trouwens ook een ananas naast de wc borstel. Waar die vandaan kwam, weet ik eigenlijk nog steeds niet.

De hel die zwanger zijn heet, levert de vriendinnen ‘iets moois’ op. Althans, dat vinden zij. Als ik een baby uit mijn vagina moest duwen en daar 18 jaar aan vast zou zitten, zou ik hard huilen met veel snottebellen erbij. Mijn hel levert weinig op. Mijn lijf is gewoon boos op me. Het is boos omdat ik mezelf al die tijd voorbij ben gelopen, dat ik mijn zorgen en mijn angsten heb weggestopt, onder een laagje eten en een laagje series. Maar ik kan het mezelf niet kwalijk nemen, want wegstoppen is fijn. Het is een kunst ook, die ik goed beheers. Als je het goed doet namelijk, merk je het zelf niet eens. Je hoeft even niet te voelen, even hoef je niet aan het bakje ellende dat je verstopt, maar naarmate je het langer verstopt, groeit het en nu zit ik met een hele grote bak ellende en een ontzettend groot bewustzijn. Ik zie alles, hoor alles en voel mezelf.

Wat ik hoor en voel is niet gezellig. Waarom is dit mislukt? Waarom deed ik dat niet anders? Wat ga ik doen om alles te veranderen? Hoe ga ik zorgen dat ik debuteer? Doe ik het wel goed genoeg? Het zijn vragen die ik vroeger wel vaag herkende, waar ik af en toe mee te maken had. Maar de afgelopen weken, in het dal der dalen worden deze vragen negatief beantwoord en worden de antwoorden de waarheid. Gelukkig kan ik mezelf af en toe herpakken. Dat komt ook door de vriendinnen die zichzelf tijdens hun zwangerschap niet altijd serieus nemen. Ze hebben een ‘pregnancy brain’. Het zijn de hormonen die praten. Ik heb een ‘extremely stressed out brain’. Het zijn de hormonen van de overspannenheid die praten. En eigenlijk is dat ook zo. Ik kom er wel uit, ik ben niet dit. Het wordt weer anders. Heel af en toe voel ik het al, het zijn kleine schopjes van dat het beter gaat.

Want ook al is het donker in de krochten van het bijna kotsen, de duizeligheid en de dementie, ergens daarbinnen is er ook een plekje waar het lichter is. Het is een warm hoekje in mijn gedachten en mijn lijf; het is er niet altijd en ik kan het alleen vinden als ik goed zoek. Zoals een hond die heen en weer beweegt in zijn mandje, totdat hij precies de juiste houding heeft om te gaan slapen, beweeg ik me door de slechte momenten, totdat ik mijn plekje heb gevonden. Soms is het maar een paar minuten, soms is het iets langer. Ik laaf me aan het alleen zijn, aan de gedachte dat ik niks hoef te doen, geen deadline hoef te halen, niemand hoef te doen lachen of ervoor te zorgen dat iets goed komt. Ik hoef dan niet eens te zorgen dat het met mij goed komt. In die paar minuutjes lig ik in mijn eigen mandje en wéét ik dat het goed komt. Dan besef ik dat ik er ook ‘iets moois’ voor terug krijg. Ik voel dat ik groei, dat ik door het overspannen zijn mezelf weer net een beetje beter ken en dan wordt het warm en licht en ben ik blij met wie ik aan het worden ben.

Over tijdloze hemden en goede koffie – Gastblog

De gastblogger van deze maand is misschien wel de Carrie van de Lage Landen te noemen. Simone Dolk, freelance schrijver maar vooral ook dromer, woont in Amsterdam en geniet daar van goede kopjes koffie, biertjes in foute barren, haar vriendinnen, haar schrijverij en natuurlijk; af en toe een leuke vent. Voor Achtentwintiger schreef ze een raar verhaal met een hoog waarheidsgehalte dat zo in Sex and the City zou kunnen. De clichés van de liefde die o zo waar zijn, lees je in Over tijdloze hemden en goede koffie.

Over tijdloze hemden en goede koffie

Daar lig ik dan. Starend uit het slaapkamerraam en mijn dekbed tot onder mijn neus opgetrokken. Ik beweeg niet en adem een beetje. Mijn hoofd voelt zwaar en mijn buik weeïg. Vanuit mijn ooghoek zie ik een berg dekbed naast me en daar ligt hij onder. Ik weet wie hij is en ook dat hij zo snel mogelijk mijn bed uit moet.

Een diepe zucht, een kuchje en kippenvel over mijn lijf.
“Yo, ben je al wakker.” Mijn stem klinkt nog roestig van het bier en de rook. Ik draai me naar hem toe en tik met mijn wijsvinger op zijn schouder. Hij bromt. Ik glimlach naar zijn rug onder mijn dekens en wil het liefst verdwijnen in mijn matras. Waarom dacht ik dat dit een goed idee was? Door de waas in mijn hoofd heen spelen de beelden van gisteren in slow motion door mijn hoofd. Zomaar, ineens stond hij voor mijn neus in de kroeg. Hij keek me aan, recht in mijn ogen, gaf me een vluchtige zoen op mijn wang terwijl zijn hand in mijn nek lag en zei “Dat is lang geleden, dame.” Dat ene woord, met die ene blik. Die godvergeten blik. Die gódvergeten blik… En dan ook nog die glimlach. Alle goede voornemens, alle beloftes om ver bij hem vandaan te blijven, verdwenen als sneeuw voor de zon.

Hij. Hij was degene die mijn dagen kleurde. Hij maakte mijn dagen zo veel leuker dan ik dacht dat ze zouden kunnen zijn. Hij zorgde voor de glimlach op mijn gezicht, ook al viel er niets te lachen. Soms lijkt dat allemaal een leven geleden. Het werkte niet, wij samen. Het was onze tijd niet, weet ik het. Blijkbaar voelde het allemaal niet goed genoeg. En nu ligt hij weer in mijn bed. “Terug bij af,” denk ik dramatisch. Mijn telefoon trilt onder mijn kussen, ik knipper met mijn ogen en slik de opkomende tranen weg. Anna in de lucht.

Anna: Schatje! Gaarne een update. Bart? Serieus?! Meld je je zo voor koffie bij Two for Joy op de Haarlemmerdijk? Kan je me alles vertellen 😉 PS Julia en Cath zijn er ook bij.
Ik: Hij. Moet. Hier. Weg. Nog tips uit eigen repertoire?
Anna: Bied hem geen koffie aan. Ik herhaal. Geen koffie.
Ik: Ok 🙂 Ik ben er om 1300. Zie je dan xx

Ik schraap mijn keel en zeg zo nonchalant mogelijk tegen hem: “Hey, ik moet er zo vandoor. Dus spring nu onder de douche.” Zonder zijn antwoord af te wachten, gooi ik zijn overhemd op mijn bed en vis ik een handdoek, ondergoed, spijkerbroek en hoodie uit mijn kledingkast. Terwijl ik naar de badkamer loop, doe ik een schietgebedje dat hij het veld heeft geruimd als ik terugkom. Beter voor iedereen.
Ik heb nog een uur om me toonbaar te maken. Mijn gezicht zit in de kreukels, mijn make up zit tot aan mijn kin en mijn haar lijkt het meest op een warzone, zie ik als ik in de spiegel kijk. Mijn hersens bonken mijn hoofd uit, het licht doet pijn aan mijn ogen en om over het gevoel in mijn buik nog maar te zwijgen. Ellende. Een grote, fakking ellende. In stilte spreek ik met mezelf af dat ik nooit meer een druppel alcohol drink. En deze keer écht nooit meer. Ik stap onder de douche, hoor na een paar minuten dat hij de deur achter zich dichttrekt en leun met mijn voorhoofd tegen de tegeltjes. Machteloos en verslagen.

Hij is echt weg als ik weer in mijn slaapkamer sta. En hij heeft mijn bed opgemaakt: alsof hij er nooit is geweest. Ik laat mezelf in een zeesterpositie op bed vallen, adem zijn geur in en glimlach. Maar het doet een beetje pijn.

In spijkerbroek en hoodie sta ik even later voor de spiegel en ik zie er net zo uit als ik me voel: afgrijselijk. Laat ik in ieder geval doen alsof ik me kiplekker voel. Hoodie uit, zijden bloesje aan. Nikes uit, hakken aan. Even in de make-up voor de herstelwerkzaamheden: crèmepje, mascara, wenkbrauwen, nog een laag mascara en wat gloss op de lippen. Als ik mijn mondhoeken omhoog trek, is het net echt.

Two for Joy. Behalve de heerlijke koffie, industriële inrichting, staat deze tent ook symbool voor mijn leven als vrijgezel meisje. Vergaderingen over de ondoorgrondelijke gedachtegangen van mannen, werksores en de vragen des levens worden hier belegd. De geur van geroosterde koffiebonen, vers gebakken granola en bananenbrood komt me tegemoet als ik naar binnen stap.
“Hi there,” zegt de barista. Hij ziet eruit zoals een barista eruit hoort te zien: een baard, een kunstige, quasi-nonchalante coupe en armen onder de tattoos. “Would you like to have your latte?” vraagt hij alsof ik hier al jaren kom. En eigenlijk kom ik dat ook. Ik knik en glimlach: “Yes please.”
“Ok great. And I was wondering… if maybe we could get together outside this place one day? I mean we could just go for a beer somewhere around here.”
Ik frons mijn wenkbrauwen en kantel mijn hoofd. Voor mijn gevoel staar ik hem tien volle secondes aan terwijl ik het probeer te verwerken. Hoor ik dit goed? Word ik hier, nu op klaarlichte dag ouderwets mee uitgevraagd door een barista? Als in, een date?

“Uhm?! What? A beer?” is het enige wat ik uit kan brengen. Maar hij heeft zich al omgedraaid en doet zijn trucjes met zijn piston en andere attributen. Hij lijkt zich vol overgave toe te leggen op de coffee art en ik speel de laatste minuut tien keer opnieuw in mijn hoofd af. Stel hè, hij bedoelde wat ik denk dat hij bedoelde… Hoe lang is het geleden dat iemand mij die vraag gesteld heeft? Nuchter als de pastoor en in het echt? Niet met een Tinder berichtje? Met een pistool tegen mijn kop zou ik het echt niet weten.

Hij gaf me mijn koffie verkeerd met een ongemakkelijke glimlach “Here you go”. Ik glimlach terug, zo mogelijk nog ongemakkelijker. En ik heb werkelijk geen idee wat ik moet zeggen en kraam een onverstaanbaar “Ok. Thank you. Bye.” uit en loop naar mijn vriendinnen. Onderweg zie ik dat hij een hartje heeft gemaakt van de warme melk in mijn koffie. Wow. Ik draai mijn hoofd nog een keer om en lach naar hem. Breeduit. Hij knipoogt. Hij ziet er zo anders uit dan mijn crushes van afgelopen tijd. Geen tijdloos overhemd, geen lange mat van haar in zijn nek en al helemaal niet van die degelijke gaatjesschoenen.

Anna, Cath en Julia waren verwikkeld in een zeer vermakelijke analyse van een whatsappgesprek van Anna en een vriend van haar als ik aan kom lopen. “Dit is toch niet normaal!” Verongelijkt betoogt Anna dat hij met haar aan het flirten is, ook al heeft ze hem opgedragen dat niet te doen. Cath denkt er iets anders over: “Vriendschap tussen man en vrouw is echt onmogelijk. Hoe vaak heb ik dat al gezegd? Ik zeg het je. Ik heb echt al te veel verontrustende verhalen over gehoord. Maar onze slettebak is gearriveerd! Dus dame,” en ze richt zich tot mij, “vertel even. Bart? Waarom precies?” En hun aandacht verplaatst zich naar mij met een vragenvuur. Blijkbaar heeft Anna al een goede teaser gegeven. Hoe kon ik in hemelsnaam me weer hebben ingelaten met Bart? Ik wist toch dat hij… en dat ik dan… en dat wij nooit… Mijn toelichting is kort: “Gisteren leek het echt een supergoed idee. En ik ben echt te brak voor diepgaande analyses en gepreek.”

Anna ziet dan dat er een kaartje op mijn schotel ligt, pakt het en kijkt mij met grote ogen aan: “Zeg? Had je dit wel gezien?” Anna begint te giechelen en ik ben in complete verwarring. “Het is een geheime boodschap van de barista. Hij vraagt of je een keertje met hem wilt afspreken.” fluistert Anna. “En daaronder staat zijn telefoonnummer.” Er breekt totale hysterie uit: Cath en Julia uiten hun enthousiasme met een synchroon “Whaa!”, grissen het kaartje uit Anna’s handen, vallen nog net niet flauw van opwinding en lezen zijn tekst voor: “I was serious. Let’s grab a beer together one day.” Gênant. Drie paar ogen kijken mijn vragend aan. En ik? Ik denk dat er te weinig te gekke dingen in mijn comfort zone gebeuren.

Aardappeleters

Aardappeleters

Met een bak quinoa op mijn schoot, staar ik in mijn werkkamer naar mijn prikborden. Quinoa is hip en gezond en op mijn prikborden hangen allerlei briefjes. Ze zijn door elkaar heen geprikt en sommigen kan ik niet eens meer lezen. Er staan dingen op als “Hoofdpersoon Elsie: wie is zij?” en “Proloog moet beter. Wat wil je zeggen?!” en “Tijs en Elsie steeds bijna seks maar toch steeds niet”. Het zijn allemaal briefjes die mij moeten helpen met het schrijven van mijn roman. Ik neem een hap quinoa, kauw er langzaam op en denk aan opgeven. Voor het schrijven van een roman zou het fijn zijn dat je ordelijk bent. Ik ben dat niet, vraag maar aan mijn moeder. Stiekem vind ik het niet heel erg dat het creatieve proces zo moeizaam is. Het is zoete waanzin. Ik vind het heel erg onhandig dat ik er een zooitje van maak, maar ik vind het ook – en ik schrijf dit op met een lichte zelfwalging – getuigen van artistiek zijn en bijzonder en ja… Wacht even, ik moet even naar de wc.

Inmiddels is het vier uur ’s middags en mijn personages zijn kapot van al mijn gedenk over hen. Ik moet aan de borrel. Niets dat je schrijversschizofrenie beter wegspoelt dan rode port. En dat doe ik in Bergen op Zoom deze vrijdag; een vriendin van mij viert daar haar verjaardag (omdat ze daar woont). Bergen op Zoom is een klein plaatsje waar je al snel bijzonder bent. Het is fijn om daar even naartoe te gaan, vanuit een stad als Rotterdam, die vele bijzondere mensen kent.

In Bergen op Zoom valt een onbekend gezicht snel op. Er wordt mij gevraagd wat ik doe. Ik vertel dat ik schrijf.
“Zo, dat lijkt me moeilijk,” zegt een meisje.
“Het is ook echt heel moeilijk,” zeg ik, blij dat iemand mijn worsteling erkend.
“Maar het is wel een echte passie,” zegt een ander. “Dat is bijzonder.”
“Ja,” zeg ik, blij dat iemand mijn bijzonderheid erkend.
“Wat is jouw passie?” vraag ik. Het meisje schudt verdrietig haar hoofd, ze heeft er geen. We doen een passie ronde in Bergen op Zoom. Weinig mensen hebben passies. Velen zijn daarover verdrietig. Ik vertel dat een passie hebben heus niet altijd leuk is. Dat je soms helemaal geen geld hebt of inspiratie en ik vertel over mijn prikborden. De mensen leven met me mee.

Eén jongen met krullend donker haar heeft nog niks gezegd. Ik vraag hem naar zijn passie, wachtend op een gelukzalig ‘ik heb er geen’.
“Aardappels,” zegt hij.
Ik lach heel hard.
“Echt waar,” zegt de jongen die Mees blijkt te heten. “Aardappels zijn mijn passie.”
“Dat meen je niet,” zeg ik. En ik denk aan de quinoa die bij mijn artistieke leven hoort.
“Jawel, dat meen ik wel. Later word ik boer en ga ik aardappels telen.”
Later word ik schrijver en ga ik boeken publiceren. Dat is wat ik altijd zeg.
“Maar, wat vind je daar dan leuk aan?” vraag ik.
“Het is gewoon mooi werk,” zegt Mees. “Ik studeer nu in Dronten tuin- en akkerbouw. Dat is een hele toffe opleiding, je leert van alles over de grond en over de gewassen en ook over marketing. Dat vind ik niet zo, maar toch.”
“Maar aardappels. Waarom aardappels?” vraag ik.
“Het is een mooi product. De plant behoort tot de nachtschadefamilie, dat weten weinig mensen,” zegt Mees. “Bovendien moet je goed nadenken wat je na de aardappel op het perceel laat groeien. Je kunt een aardappel maar een keer in de drie jaar oogsten. En na dat jaar, moet je iets anders zaaien.”
Ik ken de woorden ‘zaaien’ en ‘oogsten’ alleen metaforisch. Wat nachtschade betekent, weet ik helemaal niet. Mees lacht naar mij, alsof hij ziet dat ik het allemaal niet weet maar dat het niet geeft. Een passie die niet moeilijk is, wie had dat gedacht. Ik lach terug. Als hij niet 19 was, maar 29, had ik ‘m nu prompt op zijn mond gezoend.

De prikborden en mijn personages doemen op in mijn gedachten. Ook opgeven is terug. “Maar die aardappel he, die verdwijnt toch uiteindelijk,” probeer ik. “Iedereen eet tegenwoordig quinoa enzo.”
Nu is Mees degene die hard lacht. “Dat is een regelrechte hype. Uiteindelijk zijn we toch echt aardappeleters. Tegen de tijd dat ik ben afgestudeerd, is de quinoa weer voorbij.”
“Wanneer is dat?” vraag ik.
“Over twee jaar.”
Ik knik, loop naar de bar en bestel een rode port. Ik staar naar het rood in het glaasje. Elsie staat stampvoetend in mijn gedachten. Doe maar een cola, zeg ik tegen de barman en ik schuif de port terug. Ik adem in en sla het fris snel achterover. Ik moet terug; terug naar Rotterdam, terug naar mijn werkkamer. Ik moet mijn roman afschrijven voordat de quinoa weer uit de mode is.

Leven

Leven

Grote bruine ogen kijken terug vanuit de spiegel. Ze lachen. Ze stift haar lippen donkerroze en haalt de krullers uit haar warme haren. Ze kijkt de tuin in en haar buik maakt een vrolijk sprongetje, alsof ze over een heuvel rijdt. De lichtjes zijn al opgehangen, haar vriendinnen versieren de stoelen. Het wordt een kleine plechtigheid in de buitenlucht, waar iedereen bij is van wie ze houdt.

De man die haar gelukkig zou maken, had haar nog moeten vragen. Ze zou verbaasd zijn geweest over hoe snel ze verliefd op hem was geworden en hij zou nooit eerder zijn huissleutel als kerstcadeau hebben geschonken. Ook toen zou ze het sprongetje hebben gevoeld. Ze zouden praten. Wat konden ze goed praten. Ze zouden ook ruzie maken. Ze zouden lachen en vrijen en natuurlijk, nog meer ruzie maken. Maar, na al die jaren zouden ze af en toe nog steeds heel verliefd zijn.

Hij zou haar steunen in haar werk. Beloofde misschien ooit huisvader te worden. Want zij zou carrière maken. En niet zo maar carrière. We zouden van haar horen. Van hier tot in Afrika. Ze zou van de wereld een betere plek maken.

Ze zou met haar vriendinnen nog elk jaar weg gaan: met z’n tienen op stap. Zonder mannen, met rugtassen. Thailand. Scandinavië. Australië. Haar favoriete biertje zou Singha blijken te zijn. De meisjes die vrouwen werden zouden net zo lang met elkaar op vakantie gaan tot de kindjes kwamen. Vanaf toen zouden het weekenden worden.

Haar bevalling zou ze een hel vinden, maar ze zou zeggen dat ze de pijn was vergeten zodra het kindje op haar borst lag. Ze zou lachen door haar tranen heen en haar man loste zijn belofte in om huisvader te worden. Na haar werk zouden ze eten in de tuin en daar zou het kindje zijn eerste stapjes zetten. Later zou ze met hem naar de speeltuin gaan. Ze zou zich ervan moeten weerhouden om achter hem aan te lopen, om hem op te vangen als hij zou vallen. Ze zou hem helpen met zijn wiskunde huiswerk, daarna zijn spullen naar een studentenkamer verhuizen en hem stimuleren om net zo veel van de wereld te zien als zij had gedaan.

Ze zou spreken op de begrafenis van haar vader en later op die van haar moeder en ze zou hun graven verzorgen. Ze zou met pensioen gaan en zich verbazen over het feit dat ze nu ook ineens van kruiswoordpuzzels hield. Altijd zou ze betrokken blijven bij het werk wat ze vroeger had gedaan, al wilde haar man nu gewoon samen met haar puzzels maken. De puzzels maakten ze in de tuin, terwijl ze nog een paar jaar van de rozenstruik kon genieten die haar man geplant had. De geur van rozen vervulden de tuin toen ook haar kleinzoon zijn eerste stapjes zetten. Het was goed. Het einde zou komen op een leeftijd waarop een einde past. Ineens bleef ze voor altijd slapen en werd ze uitgestrooid onder de rozen.

Nooit heeft ze de warmte gevoeld van haren die ze uitrolde voor haar bruiloft. Ze zat op vlucht MH17. Ze zat tussen vele anderen die nog een leven hadden moeten meemaken. Het waren onze vaders, moeders, vrienden, ooms, tantes die erin zaten. Het waren onze buurmeisjes.

Men zegt weleens dat je leven aan het einde in een flits aan je voorbij gaat. Dat de mooiste momenten nog een keertje langs komen. Ik hoop dat jullie in die flits wat anders zagen. Dat lippen werden gestift, tranen gedroogd, lachen gehoord, graven bezocht, puzzels gemaakt en rozenstruiken geroken. Als het waar is dat je leven aan je voorbij flitst, hoop ik dat jullie in die flits de toekomst zagen die er nooit zal komen. Wat zouden het volle levens zijn geweest.

Mijn stad

Mijn stad

19 jaar was ik toen ik Rotterdam verliet. De stad waar mensen hun mouwen opstropen, waar je zegt wat je denkt. De stad waar mijn eerste vriendschappen geboren zijn, waar ik voor het eerst verliefd werd, waar ik mijn diploma haalde en waar ik na het uitgaan bij Jaffa kapsalon ging eten.

Rotterdam was mijn stad, maar toch wilde ik een nieuw avontuur. Ik ging naar Utrecht en op kamers. Utrecht, waar ik mijn eerste vriendje kreeg en mijn eerste baan. Waar mijn hart talloze keren werd gebroken en bier het heelde. Waar ik vrienden ontmoette op een steiger of stoep en waar ik zoveel meer mee deelde. Utrecht was van mij en werd ook mijn stad. Ik was er begonnen zonder hulp van anderen en was er groot geworden. Nu is het bijna tien jaar later en ben ik echt een van de grote mensen, zoals je vroeger altijd had willen zijn.

Het gekke van nu is dat velen die ik hier ontmoette, de stad ook weer verlaten. Het is tijd, zeggen ze dan. Vaak gaan ze naar Amsterdam. Ik niet. Ik ben loyaal, dat is misschien het Rotterdamse in mij. Of misschien kan ik gewoon niet naar Amsterdam. Dat klinkt ook logisch. Maar hoe dan ook, ook in mij kriebelt het om iets te veranderen.

Toen ik op mijn 19e naar Utrecht verhuisde, verliet ik niet alleen de stad, ik verliet ook mijn vriendinnen. Het waren er drie. Drie meiden die ik op mijn veertiende ontmoette op de plaatselijke handbalvereniging en vanaf toen was het goed. We gingen op vakantie, maakten ruzie, kotsten onze longen leeg na het drinken van Blue Curaçao en maakten het weer goed. Het was goed. Toen ik vertrok, was het ’t moeilijkste om hen te verlaten. Want niet elke vriendschap is eeuwig en het is een risico om weg te gaan bij wat je kent. Maar ik hoopte dat ze zouden blijven.

En… ze zijn er nog. Ze zijn vrouwen geworden met een baan, een partner, een kind en ik ben geworden wie ik ben. In die tien jaar zagen ze mij worstelen met mezelf of mijn schrijven, ik zag hen worstelen met gebroken nachten en verkeerde hechtingen. Ze zijn vrouwen geworden die ik soms ook wil zijn en af en toe zien ze iets in mij dat zij ambiëren. Dat Rotterdam nog steeds mijn stad is, dat is zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat weet ik niet. Dat mijn vriendinnen er nog steeds zijn, dat is ook zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat wist ik ook niet toen we afgelopen vrijdag voor het eerst in tien jaar een weekend weggingen. Houden we het wel uit, een heel weekend bij elkaar, tien jaar, drie baby’s en vier ontwikkelde karakters verder? Is er nog genoeg basis om 48 uur bij elkaar te zijn?

In de auto kwamen herinneringen boven. En het eerste gelach. Over de gans die ons huisje binnen liep toen we het eerste weekend weggingen in de pubertijd. Over jongens die werden gezoend zonder dat we hun naam wisten een vakantie later. Over het bezoek van mijn vriendinnen met de grootste teddybeer die er bestaat toen ik in het ziekenhuis had gelegen. Later, met een paar shotjes Blue Curaçao spraken we over baby’s – gelukkig niet het hele weekend – maar ook over relatieperikelen, over therapie, over seks, over mijn boek en over onze toekomst.

Toen kwam er het moment dat de hoedanigheid zich onthulde. De foto die ik een half jaar geleden had doorgestuurd kwam ter sprake. Mijn vriendje had het uitgemaakt, ik had de dikste ogen ooit en stuurde een foto van mezelf over de groepsapp. Ik kreeg geen ‘o wat ben je zielig’. Ik kreeg een ook een foto. Een van de vriendinnen maakte een kiek van haar hoofd en zette die op de app. Ze had net zulke rode, opgezwollen ogen als ik, alleen had niemand het met haar uitgemaakt. Een chronisch gebrek aan nachtrust te danken aan haar nieuwbaken baby was de oorzaak. En toen wist ik het. We kunnen nog zoveel verschillen, maar we hebben dezelfde humor, dezelfde basis. Dat is het Rotterdamse. We zijn anders, maar hebben nog steeds dezelfde ogen.

Dit weekend maakte de beslissing makkelijker. Er moest iets veranderen en nu weet ik wat. Ik hou van Utrecht om zoveel redenen, maar ik moet terug naar Rotterdam om één reden: het is thuis. De vriendschappen in Rotterdam heb ik kunnen behouden, zo bleek dit weekend. Ik hoop dat ik over tien jaar met de Utrechtse vrienden, die ik op een stoep of steiger heb ontmoet, ook zo kan zitten in een bungalow. Want ook deze vrienden zijn anders, maar ook wij hebben een basis. Een ding moet ik ze nog wel leren voordat ik terug ga, al wat ik niet precies wanneer dat is. Blue Curacao drinken.

Oermoeder

Oermoeder

Het ruikt naar net gemaaid gras, mijn hoofd tolt van de witte wijn en m’n konen gloeien van de zon. Met twee vriendinnen lig ik in het hofje bij ons om de hoek, achtentwintig te zijn. Half dronken, niet helemaal. Niet in een druk park, maar dichtbij onze eigen wc. Op zaterdagmiddag, niet meer in de avond.
“Ik wist altijd al dat ik moeder wilde worden,” zegt één van de twee. Van wijn krijg je zware gesprekken.
“Echt?” vraag ik.
“Ja, echt. Vanaf dat ik heel klein was, wist ik dat al.”
“Goh,” zegt de andere vriendin.
“O,” zeg ik, bewust van het feit dat ik niet altijd heb geweten dat ik moeder wilde worden. “Een oermoeder ben je dus.”
“Nou, oermoeder, oermoeder… het is wel één van de doelen in mijn leven, ja,” antwoordt ze.

Ik heb niet eens één doel in mijn leven. Misschien komt het door de wijn, maar een doel hebben klinkt eigenlijk best goed. Zou het babydoel ook mijn doel kunnen zijn? Als je achtentwintig bent, is het niet raar om daaraan te beginnen. Aan baby’s. Of om te beginnen om erover na te denken in ieder geval. Een baby. Ik heb dat woord nooit eerder in relatie tot mezelf opgeschreven.

“Ik hoef ze niet,” zegt de andere vriendin. We kijken haar allebei aan, vooral de ogen van de oermoeder vragen een verklaring.
“Nee, echt niet,” ze schudt haar hoofd, “en ik voel me er niet schuldig over ook.”
“Waarom wil je ze dan niet?” vraagt de oermoeder.
“Waarom wel?”
“Om mee te kroelen, om voor te zorgen, om iets door te geven,” zeg ik, niet goed wetend waar ik het over heb, “als doel in je leven.”
“Ik heb een ander doel. Ik wil toffe dingen doen en meemaken. Kinderen zijn niet zaligmakend,” zegt ze. “De gangbare levensstijl in ons land; huisje, boompje, beestje is niet voor iedereen de meest geschikte levensstijl hoor. Maar dat mag je bijna niet denken. We weten ook niet beter. Onze vaders en moeders waren onze rolmodellen en die hadden kinderen, die hadden ons. We hebben nooit een volwassene gezien die een kinderloos leven leidt. Die hadden we niet als voorbeeld. Maar misschien past een leven zonder kinderen wel beter bij je, als persoon. Dat zou kunnen.”

Het gras heeft dorst en geurt hier niet, mijn hoofd tolt van de rosé en mijn konen gloeien opnieuw. Ik zit alleen op een tuinstoel voor de caravan van mijn zus. Ze is binnen bij mijn nichtje; met één hand verschoont ze haar luier en met de andere kriebelt ze in haar nek. Ik kijk naar het speelgoed dat verspreidt ligt, de fles op tafel en het kleine kinderzitje. Dit is hoe het hoort te zijn, ik glimlach. Dan denk ik aan het park: of misschien is het hoe ik ben opgevoed dat het hoort.

“Maaaaaaaaaaam! Maaaaaam!” Half strompelend, half rennend, heel huilend komt mijn neefje de tuin in en gilt dat hij klem zat op een schommel. Ik schrik me de pest. O mijn god, ik kan niet meer rijden, wie moet er met die knul naar het ziekenhuis? En wie blijft er bij de baby? Door het raampje in de caravan zie ik hoe mijn zus haar dochter over haar schouder gooit en naar buiten beent. Ik krijg de blote baby in mijn handen en ze controleert haar andere kind op grote defecten. Eerst bekijkt ze hem van top tot teen, daarna kijkt ze naar de wondjes op zijn been, dan draait ze ‘m om, draait ‘m weer terug en kijkt goed in zijn ogen. Zoals onze moeder dat ook zou hebben gedaan vroeger en zoals ik dat misschien ook zal doen later. “Het gaat wel,” constateert ze. Mijn neefje kalmeert, ik kalmeer. Rustig gaat ze naar weer naar binnen. Alles is goed. Mijn zus is een oermoeder.

Het tolt weer een beetje. Alleen niet van de wijn. Ik denk aan mijn neefje, aan mijn nichtje, aan mijn zus, aan mijn eigen moeder en aan mezelf. Als tante, want dat kan ik goed. Maar zou ik ook een moeder kunnen zijn, willen zijn? Stel dat ik was opgegroeid met een rolmodel dat een leven leidde zonder kinderen, had ik dat dan nu ook gewild? Er is natuurlijk een biologische behoefte, maar misschien is het grootste gedeelte van het oermoedergen wel naar mijn zus gegaan en zit ik met de restjes. Restjes die net te weinig zijn. Die ervoor zorgen dat ik niet denk ‘ah wat lief’, als ik een blote baby in mijn armen krijg, maar hoop dat het niet over me heen poept. Misschien heb ik net genoeg restjes in me om een te gekke tante te zijn. Misschien word ik een oermoeder als ik een oervader te pakken heb. Of… misschien is achtentwintig voor mij toch nog te jong om over baby’s na te denken.