De Kutdagen

img_3720

Dat ik iemands vriendin ben, vind ik nog steeds raar. Het is al best een tijdje zo, maar er zijn nog altijd momenten dat ik eraan moet wennen. Nog steeds kan ik me beter identificeren met de vriendin die in haar zoektocht naar een geschikte vent verschrikkelijke en hilarische dates heeft, dan met stellen die om de week een datenight inplannen.

Ik moest uitvinden hoe een relatie werkt, dat moest ik leren. Als je 30 jaar vrijgezel bent geweest, is dat nogal moeilijk. Het lastigste vind ik de kutdagen. Op vrolijke dagen is een relatie makkelijk, de gezamenlijke bubbel is fantastisch. Ik wist niet dat iemand mij zo gelukkig kon maken, zittend op de bank, ruikend aan zijn baard, thee slurpend, rug aaiend. Er is dan geen meditatie nodig om in het hier en nu te blijven. Ik ben er, hij is er en ik hou van onze bubbel.

Jaja, terug naar die kutdagen (want gelukkige mensen vind ik ook nog steeds om te kotsen). Die kutdagen zijn er. Als ik verdrietig ben omdat ik ruzie met mijn moeder heb gehad, of omdat ik moet janken omdat ik mega ongesteld ben of gewoon, zomaar omdat ik een dal in mijn dag heb. Toen ik nog vrijgezel was, zette ik op dat soort dagen een grote kan thee, pakte een dekentje, ging op de bank liggen en keek Pretty Little Liars.  Nu is dat anders, nu is een dal in mijn dag confronterend. Ik merk het meteen als ik thuis kom na een lange, vermoeiende rotdag.

‘Hoi schatje!’ roept de taalnazi vanuit de studeerkamer. Altijd maar dat ‘geschatje’.
‘Hoi.’ Zonder een kus loop ik naar de meditatiekamer. ‘Ik moet mediteren.’
‘Oké!’
Gejaagd steek ik mijn kaarsjes aan. En die pokke wierook moet ook. Ik ga zitten op mijn kussen, trek een kleedje over me heen en ervaar het gehele half uur geen zachtheid of ontspanning. Het enige pluspuntje is dat ik ben blijven zitten.

Ik sta op en ben boos. Op mezelf, op mijn moeder, op hem omdat hij geen klote opruimt of schoonmaakt. Zou hij vandaag wel wat hebben gedaan? Nee zeker. Nee, zij doet het wel. Ik laat het voor haar wel liggen. Ik ga wel lekker in mijn studeerkamer zitten. Sjonge. Ik loop naar de woonkamer, langs de studeerkamer zonder naar hem te kijken.

Tot mijn teleurstelling is de woonkamer niet heel vies. Hij heeft gestofzuigd. Maar de kussens liggen niet recht en er staat een fles ijsthee op de grond en de chipszak van gisteren ligt nog op de salontafel. Hij weet dat ik het opgeruimd wil. Is het nou zo moeilijk om even op te ruimen? Ik heb een drukke dag gehad. Het moet opgeruimd zijn.

De keuken is goor. Echt heel goor. Dit moet gepoetst. Ik ga hem laten zien dat ik poets (en hij niet!). Ik maak een sopje en haal alle spullen uit de koelkast. De hele keukentafel staat vol. De glazen planken haal ik er ook uit. Ik sop en boen. Daarna schrob ik het gasstel. Daarna de keukenkastjes. Ook zo vies. Behalve die ene die hij pas heeft schoongemaakt en opnieuw ingericht. Eentje maar verdomme. Als ik de honing uit het kastje probeer te krabben, hoor ik iets achter me. Als ik me omdraai, staat de taalnazi in de deuropening.
‘Kan ik wat doen?’ vraagt hij zachtjes.
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Kijk hoe vies dit is.’ Ik wijs naar, nou ja, de hele keuken.
‘Zal ik het schoonmaken?’
‘Nee. Ik doe het wel weer.’

Ik zie angst in zijn ogen. Toch waagt hij het om binnen te komen. Inmiddels weet hij dat hij me nu niet moet vastpakken of kroelen of aaien. Hij grijpt met zijn hand in het gootsteenkastje. Hij weet volgens mij niet wat hij pakt maar loopt met zijn staart tussen zijn benen (en de allesreiniger) de keuken uit. Ik ga zitten op de stoel en hoor hem lopen. Met zijn allesreiniger. Ik laat het even gaan, laat mezelf denken. En dan roep ik hem (ik weet dat ik eigenlijk naar hem toe moet lopen maar dat kan nog niet).
‘Ik ben aan het schoonmaken, schatje,’ zegt hij zacht.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Ehm.’
‘Omdat je bang voor me bent he?’
‘Eh, ja, doodsbang.’
‘Dat is eigenlijk niet goed of fijn ofzo,’ zeg ik. ‘Kom je zitten?’
Hij gaat zitten. We zwijgen. Ik heb een dal in mijn dag en hij is er. Ik zou dankbaar moeten zijn, in zijn baard vliegen, huilen op zijn borst, me laten zeggen dat het goed komt, me laven aan zijn slechte grappen, maar ik kan het niet. Niet nu, nu niet meteen.

Het is de kutste dag van het jaar (oké, van de maand, oké van de week) en ik wil het alleen doen. Nee. Ik ben gewend om het alleen te doen. Dat is ook wat ik tegen hem zeg.
‘Ik weet niet goed hoe het moet, verdrietig zijn bij een ander.’
‘Dat maakt niet uit he.’ Als ik me open stel, heeft hij iets om mee te werken, zijn kalmte is terug. ‘Ik geef je alle tijd. Je doet hoe je het doet.’
‘Ik heb het nooit gedaan,’ zeg ik. ‘Ik ben dat niet gewend.’
‘We hebben de tijd,’ herhaalt hij.
‘Je bent een spiegel.’ Ik stomp hem op zijn knie. ‘Je bent een kutspiegel ook nog. Vroeger ging ik gewoon op de bank liggen met een deken en dan merkte ik niet eens dat ik een kutdag had.’
‘Dan: ga op de bank liggen met een dekentje.’
‘En Pretty Little Liars kijken?’ vraag ik.
‘Ik weet niet wat dat is, maar ga lekker Pretty Little Liars kijken. En dan breng ik je een kopje thee en dan ga ik weer in mijn studeerkamer zitten.’
‘Is dat niet raar?’
‘Een beetje wel maar jij bent raar en ik ben raar, dus is het goed.’
Ik trek hem omhoog en knuffel hem. Heel even. ‘En nou oprotten,’ zeg ik.
‘Ja jij!’ Hij steekt zijn middelvinger op, geeft me een duwtje richting de woonkamer en zet de televisie aan.
En weer ben ik een klein beetje meer gewend. Ik ben iemands vriendin.

Met een hele schone koelkast.

Zo’n liefde

Als ik de wachtkamer van de dokter in loop, hoor ik zacht gehuil. Vorige week had ik in mijn vinger gesneden, er moest een hechting in en nu moet die eruit. De wachtkamer is groot en de bankjes zijn leeg. Op één bankje na. Op die plek zit een vrouw van in de zestig te huilen, ze wordt omarmd door haar man. Hij wrijft zachtjes met zijn duim over haar bovenarm. De vrouw heeft een rood gezicht en dept haar tranen met een nat propje papier, dat ooit een zakdoekje was. Haar hoofd rust op de schouder van de man en af en toe verstopt ze haar gezicht in zijn nek. Hun handen met oude aderen zijn in elkaar verstrengeld en liggen op zijn knie. De vrouw huilt door merg en been. Ze huilt op zo’n manier dat ik het voel. Soms heb ik dat bij een kind ook. Wat een verdriet, denk ik dan. Zulk verdriet bij een oude vrouw zien, is extra droevig. 

Ik bedenk wat er kan zijn gebeurd. Wat ze van de dokter gehoord heeft, om zo van slag te zijn. Ik zie het stel zitten voor het bureau van de dokter. Zij nog niet huilend, hij nog niet over haar bovenarm wrijvend. Wel die handen op dezelfde manier verstrengeld op zijn knie.
U heeft Alzheimer, het spijt me.
U heeft kanker, uw borsten moeten eraf.
Nee, dat is niet wat de dokter zegt. De dokter kijkt hèm aan. Het is zijn ziekte. Dat moet het zijn. Hij heeft kanker en zij heeft verdriet. Er is tegen hem gezegd dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft en zij is bang. Dat is het.

Ik denk dat dit het is, omdat het bij mij zo zal zijn.

Als de hechting eruit is gehaald, loop ik terug naar de wachtkamer. De vrouw zit nu alleen, kijkt naar de vloer, een stille traan loopt over haar wang. Ik voel dat er ook bij mij tranen opkomen. Het zijn tranen voor mij. Tranen voor de liefde.
Ik loop naar haar toe, leg mijn hand op haar rug. ‘Mevrouw?’ zeg ik. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ik wilde u even veel sterkte wensen.’
‘Dank je,’ zegt ze. ‘Wat lief.’
Ik klop op haar rug, ze begint heviger te snikken. ‘Zal ik even bij u komen zitten?’ vraag ik dan. ‘Tot uw man terug is?’
‘Ja,’ fluistert ze. Met haar propje veegt ze over haar ogen, ze zijn dik.
‘Gaat het een beetje?’ vraag ik. Domme vraag, maar ik vraag het.
‘Ik ben voor alles zo bang,’ zegt ze. ‘Voor alles.’
Ze kijkt naar haar handen. ‘Ik ben bang om naar de supermarkt te gaan, ik ben bang om naar de bakker te gaan, zelfs voor het uitlaten van de hond ben ik bang.’
Straatvrees. Och jee. Dat dat je nog op zo’n leeftijd kan overvallen. ‘Wat naar voor u zeg.’

Dan komt haar man binnen, hij blijft even voor ons staan en kijkt liefdevol naar zijn vrouw. Ik sta op. ‘Gaat u maar zitten.’
Dat doet hij, precies op dezelfde manier als net. De vrouw vouwt zich moeiteloos tegen hem aan, zo zitten deze mensen al jaren. Binnen, dat wel.
‘Hij heeft een paar maanden geleden een hartinfarct gehad begrijp je wel,’ zegt ze. ‘Hij was bijna dood.’
‘Och jee,’ zeg ik tegen de man. De man maakt een wegwuifgebaar met zijn hand, hij kijkt of het hartinfarct een bezoekje aan de bloemenboer was.
‘Bijna dood en nu kan ik hem niet alleen laten.’
Geen straatvrees, ziek van angst, ziek van liefde.
‘Ja, dat lijkt me heel moeilijk,’ zeg ik. ‘U bent natuurlijk bang dat er weer wat gebeurt.’
‘Nee,’ zegt de vrouw, ‘Nee, ja dat ook natuurlijk. Maar ik wil gewoon zo graag bij hem zijn.’
Ze tilt haar hoofd op, ze kijken elkaar aan. Hij doet zachtjes een pluk haar, nat van de tranen, achter haar oor. Hij glimlacht naar haar. Zij reageert met een snik.

‘Ik ben te kort bij hem geweest,’ zegt ze. ‘Zeventwintig jaar, we hebben alles gedeeld samen, kinderen, kleinkinderen, trouwpartijen, vakanties, mensen die dood gingen, er gingen ook zoveel mensen dood. Maar er is nog zoveel meer. Ik wil gewoon bij hem zijn. Hij mag nog niet dood.’ Ze pakt zijn hoofd beet en zoent hem. Het is een droge, harde zoen en ik moet huilen.
‘Ik begrijp het,’ zeg ik. ‘Wat mooi en verdrietig tegelijk.’
Dit zijn mensen die elkaar leerden kennen en die de mooie en de lelijke dingen aan elkaar lieten zien. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die van elkaar houden, zelfs als ze niet van elkaar houden. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die doorleven in elkaars leven, nadat ze zijn gestorven. Dat is iets waar ik niet aan wil denken.
De vrouw snuit haar neus.
Ik zeg zachtjes ‘dag’ tegen de man en wens de vrouw veel sterkte, dan loop ik naar buiten en ik huil. Eventjes, zachtjes. Omdat ik dit kan zijn. Omdat ik geloof dat ik zo’n liefde heb gevonden. Hij mag niet doodgaan, niet voor mij, niet na mij, nooit. Ik lach. Ik heb zo’n liefde.

Het groene mandje

het groene mandje

Ik zie mezelf als een zacht mens, iemand die met geduld naar anderen kijkt, iemand die lief is en graag lief heeft, iemand die met zachte ogen de wereld beziet.
Maar soms. Soms wil ik gewoon een rauw ei naar iemand gooien. Heel soms maar. En meestal naar de taalnazi. Het zijn kleine dingetjes. Het is de kaas uithollen en nooit de korsten er vanaf snijden. Het is altijd de handdoek vies maken en geen nieuwe ophangen. Het is kleding uitdoen en die neergooien op willekeurige plekken in het huis. Of nou ja, ‘willekeurig’: overal behalve in de wasmand. Al mijn liefde en geduld ten spijt, op die momenten vind ik hem verschrikkelijk irritant.

Natuurlijk weet ik dat ik me soms aanstel, dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan uitgeholde stukken kaas en vieze handdoeken, en daarom probeer ik de taalnazi ook niet altijd lastig te vallen met mijn frustraties. Maar om het voor mij op te lossen, moet ik er wel iets mee doen, iets dat oplucht. Een paar weken geleden vond ik de oplossing. We zaten aan de telefoon en hij was het – geheel ten onrechte – niet met me eens. Het was een te klein dingetje om ruzie over te maken, dus ik moest het anders oplossen. Nadat we hadden opgehangen, liep ik naar de badkamer. Onze twee tandenborstels stonden gemoedelijk samen in de beker. Ik haalde de borstel van de taalnazi eruit en legde die in het groende mandje. Ik grijnsde. Dat was zijn straf. Zijn tandenborstel moest, totdat ik bekoeld was, in de groene mand tussen de wasmiddelen slapen. De tandenborstel logeert sindsdien minimaal eens per week in het groene mandje. Het is perfect. Ik ben het kwijt, de taalnazi zit zonder dat hij het weet zijn straf uit: een ideale situatie voor alle partijen.

Afgelopen weekend waren we op een bruiloft. Ik zag er mooi uit, de taalnazi ook. Ik had een fifties jurk aan, een zwarte jurk met rode kersjes erop. Strak rond de borsten, wat ik kan hebben, en lekker wijd uitlopend rondom de buik, wat ik moet hebben. Ik vond de jurk te gek. De taalnazi ook, hij had er zelfs een bijpassende rode stropdas bij gekocht. Een vriend van hem bleek ook dol op mijn jurk. Hij legde zijn hand op mijn buik en aaide de kersen, ‘hé wat grappig,’ zei hij. Daarna proosten we op mijn jurk en op het bruidspaar, we dronken meer bier en nog meer en nog meer, we aten een broodje shoarma met knoflooksaus en we gingen bezopen naar huis. Het was een mooie dag, een mooie bruiloft en de kersjes op mijn jurk waren prachtig. Alles was lief.

De volgende dag zaten de taalnazi en ik met onze katerkoppen aan het ontbijt. We aten stokbrood met mayo, tomaat en gebakken ei. De taalnazi was iets beter uit de kater gekomen dan ik; hij was redelijk vrolijk, ik was half dood.
‘He grappig verhaal nog…’ zegt hij.
‘O?’ Ik vraag het met mijn mond vol.
Hij vertelt over de vriend en diens hand op mijn kersen. ‘Hij dacht dat je zwanger was!’ De taalnazi lacht. ‘Ik was net op tijd. Nee man, doe normaal, ze is niet zwanger, en toen zei hij wat over die kersen.’
‘Echt?’ Ik slik geschrokken mijn brood met mayo, ei en tomaat door. ‘O mijn god.’
‘Is toch een leuk verhaal?’
‘Een leuk verhaal, een leuk verhaal,’ roep ik verontwaardigd. ‘Het lijkt of ik zwanger ben. Ik heb een pens alsof ik zwanger ben!’
‘Nee joh,’ hij glimlacht, ‘je bent lekker zacht.’
‘Hij wilde zijn hand op de baby leggen.’ Ik klink vrij hysterisch.
‘Jezus,’ mompelt de taalnazi. Dit had hij niet voorzien. ‘Sorry.’ Als hij een staart zou hebben, zat hij nu tussen zijn benen.
‘Waarom zeg je dit eigenlijk tegen mij?’ vraag ik. ‘Als hij het gister niet mocht zeggen, waarom vertel je het dan nu aan mij?’
‘Ik vond het een leuk verhaal,’ herhaalt hij.
‘Superleuk,’ grom ik.
Ik voel een lichte depressie aankomen, waarin ik alleen nog maar appels en water zal moeten eten. De taalnazi staat op. Met gebogen hoofd loopt hij de keuken uit.
‘Wat ga je doen?’ roep ik.
Hij roept niks terug. Ik sta nu ook op en loop achter hem aan. Hij gaat de badkamer in, ik ook. Hij staat voor de wasbak, pakt zijn tandenborstel uit de beker en legt hem in het groene mandje.
‘Leg hem maar weer terug als jij er klaar voor bent,’ zegt hij tegen me.
‘Hoe weet jij…’
Hij streelt mijn haar. ‘Ik heb mijn borstel al vaker in het mandje gevonden.’
Hij heeft er nooit iets van gezegd.
Hij kent me.
Hij accepteert me.
Van hem mag ik zijn tandenborstel in het groene mandje leggen als ik dat nodig heb. Ik haal zijn borstel eruit en zet ‘m weer naast mijn tandenborstel in de beker.
‘Dankjewel,’ zeg ik.

Verkering

Alle verhaaltjes over de taalnazi en mij, vind je hier.

Het is 13 april 2016, 19.08 uur. Een eetcafé in Antwerpen.
Op tafel staan twee biertjes en twee hamburgers.
‘Ga je me nou eigenlijk nog een keer verkering vragen?’ vraag ik.
‘Wil je dat graag?’ vraagt de taalnazi.
‘Ja.’
Hij neemt een hap van zijn hamburger. Ik neem een slokje bier. Hij kauwt lang. Ik neem ook een hap. Mayonaise loopt langs mijn mondhoek naar beneden.
‘Wil je verkering met me?’ vraagt hij dan.
Ik veeg vlug de mayo van mijn kin. ‘Is goed.’
Hij lacht.

Het is zondag 20 november 2015, 20.51 uur. Een keuken in Rotterdam.
Op tafel staan lege biertjes en de vriendschap is op.
‘Wat is dat nou godverdomme,’ zegt de taalnazi. ‘Alleen maar vrienden zijn? Dat kan toch niet. Dat wil je toch niet. Ik kan dat niet.’
‘Ik wil dat wel.’ Ik kijk naar mijn armen die pas twee maanden schurftvrij zijn. Ik denk aan mijn grote lege bed dat ik leeg wil houden. Ik denk aan bij mezelf zijn. Bij niemand hoeven zijn. Beter worden. Los van de drukte. Los van moeten. ‘Ik wil echt vrienden zijn,’ herhaal ik. Ook wil ik zeggen dat ik hem niet kan missen en dat er niemand luistert zoals hij. Er is niemand met wie ik liever in het café zit, er is niemand met wie ik liever bel. Er is niemand die ik liever mijn werk stuur, er is niemand op wiens schouder ik liever heel zachtjes, heel rustig, heel even mijn hoofd wil leggen. Maar meer niet. Alleen mijn hoofd en alleen om te rusten. Geen handen vast houden. Geen omhelzingen. Geen blote lijven. Geen monden tegen elkaar. Ik heb niks om te geven en ik weet niks om te zeggen.
‘Je bent mijn beste vriend.’
Hij kijkt naar me, het waren voor hem lege woorden. Hij kan het echt niet meer en beent met grote stappen mijn keuken uit. De deur slaat dicht.

Het is woensdag 23 november 2015, 21.22 uur. Een laptop op schoot. De mijne. Niks in mijn maag. Mijn beste vriend heeft de vriendschap uitgemaakt. Ik kan niet eten of slapen of denken. Wel huilen en mezelf niet begrijpen. Geen relatie, wel liefdesverdriet. Hij mag niet mijn vriendje zijn, maar ik wil wel bij hem in de buurt zijn. Het raarste meisje in de wereld ben ik. Ik typ dingen op mijn laptop, alleen warrigheid komt eruit.
Een mail verschijnt.
De taalnazi: ‘En toch he. Toch mis ik je. Je bent mijn allerbeste vriendje. Ik dacht dat je zei dat je vrienden wilde zijn omdat dat is wat je zegt als het uitgaat. Maar je wilt echt vrienden zijn. Ik had niet gedacht dat dat een mogelijkheid was. Vriendschap. Maar je bent mijn beste vriend geworden. En natuurlijk wil ik ook de tango met je dansen in de regen, maar vrienden, dat is wat nu kan.’

Het is dinsdag 9 februari 2016, 18.35 uur. Een Centraal Station.
We staan voor de trein. Hij gaat naar Eindhoven, ik naar India. Ik geef hem een knuffel en leg mijn hoofd op zijn schouder. Wat langer, hij geeft er een kus op. Hij steunde me. Hij mediteerde soms mee. Hij las erover. Hij praatte met me. Hij begrijpt me, zelfs op momenten dat ik dat zelf niet doe. Ik kijk hem aan en zie dat hij probeert te glimlachen. Ik wil weg. Mijn avontuur begint nu en nu wil ik weg. Ik wil nu bij mij zijn. Ik wil nu het anker in mezelf vinden en jij bent een goede vriend, maar jij moet nu weg, ik moet nu alleen. Ik heb niks om te geven.
‘Tot over een maand,’ zeg ik dan maar.
‘Tot over een maand,’ zegt hij.

Het is donderdag 17 februari 2016. Het is India.
India maakt me los van wat er moet, los van verdriet, los van drukte. India in al haar kleuren, in al haar chaos en toch vind ik rust. Ik kan hier niks controleren of in de hand houden. Dit ben ik. Het is stil. Alleen maar dit en alles mag er komen. Ik geef toestemming aan gedachten, aan angsten, aan de beerput die open zal gaan als ik echt stil zou zijn. Maar er komt alleen nog meer stilte en rust. Hoe langer ik hier ben, hoe dichter ik bij mezelf ben en hoe dichter ik bij mezelf ben, hoe liever ik bij hem wil zijn. In dit boeddhistisch centrum voelt het gek om hem ‘taalnazi’ te noemen, maar ik doe het toch. Ik wil bij mijn taalnazi zijn.

Het is donderdag 3 maart 2015. Het is Rotterdam.
Ik ben een dag terug uit India en ik wil hem zien. Natuurlijk ben ik bang dat nu ik eenmaal weer in Nederland ben, het gevoel voor de taalnazi een soort vakantieliefde was. Dus ik besluit te wachten, voor ik hem iets vertel. Dinsdag 15 maart heb ik genoeg gewacht. Ik voel dat hij niet meer weggaat. We zitten buiten aan het water voor mijn huis. Ik ga tegen hem aanzitten. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder. Hij doet zijn arm om me heen. Ik kijk omhoog en pak zijn kin. Ik kus hem, heel zachtjes. Hij kust terug. Het is onze eerste echte kus. Echter dan de allereerste.

Nu is het 13 juni 2016. Ik durf officieel te zeggen dat ik weer verkering heb. Ik durf ook te zeggen dat het komt omdat ik ben veranderd. Je kunt veranderen, als er noodzaak is. Bij mij was er noodzaak zat. Ik hoorde niet meer bij mij. Dus ik veranderde omdat ik niets anders kon. Ik deed het werk dat nodig was. Veel werk. Ik deed de mindfulnesstraining, ik begon met mediteren, ik begon met lezen, ik mediteerde nog meer, ik sprak met mensen die ermee bezig waren, ik ging op reis om een anker te vinden, ik deed een stilteretraite. Het was pokkeveel werk en dat zal altijd zo blijven. Maar ik ben veranderd en ben gelukkiger. Ik ben ontspannen, kalmer, ik leef meer in het moment, ik geniet meer en ben heel blij met wie ik geworden ben. Ik wist niet dat ik daaronder zat.

En dankbaar ben ik natuurlijk ook, omdat jij er nog was toen ik mezelf vond, taalnazi.

Verdriet met schurft III

IMG_0103

Vandaag het slot van mijn schurfttrilogie. Als je niet helemaal bij bent, is het verstandig om eerst de ellende van deel I en deel II te lezen.

De zon schijnt als de taalnazi en ik hebben afgesproken op het terras. Hij zit er al, met een zonnebril op en hij rookt een sigaret. Twee biertjes staan op tafel en ik ben zenuwachtig. Ook ik heb een zonnebril op. We kussen elkaar op de wang, wat vreemd is maar fijn.
“Ik ben nerveus man,” zeg ik. Snel neem ik een slok van mijn bier. Het is mijn eerste biertje sinds de prednison kuur en hij smaakt verdrietig.
“Ik ook,” zegt hij. “Hoe is het met je?”
“Ik ben moe,” zeg ik. “Heel moe.”
“Ik zie het.”
Trots rol ik dan de mouw van mijn truitje op. “Maar de schurft is weg.”

We kijken beiden naar mijn arm. “Het ziet er mooi uit,” zegt hij. De zalf en de prednison hebben hun werk gedaan. Ik heb geen jeuk meer, de blaasjes zijn weg en de korstjes zijn kleiner.
“Ja,” zeg ik. Ik wrijf over de kleine plekjes die de korsten hebben achter gelaten. Alles lijkt verdwenen en nu vind ik dat toch een beetje naar. “Maar ik houd wel kleine littekens, volgens de dermatoloog.”

Even zijn we stil. Dat mag ook. Verdriet, schuldgevoel, verwijten, vragen, onbevredigende antwoorden… we hebben ze al uitgewisseld over de mail en de telefoon de afgelopen maand. Nu, een maand na het uitgaan en de schurft, is alles iets lichter, al lijkt het soms nog net zo zwaar. De dermatoloog is in ieder geval tevreden want de schurft is voorbij. Al het was geen schurft, geen leukemie, het was ook geen sweet syndrome of lupus. Het bleek EEM (Erythema Exsudativum Multiforme). Of althans, dat dacht het team toen ze ‘er met z’n allen nog eens naar hadden keken’. Een acuut optredende huiduitslag, een soort allergische reactie op een infectie met een virus of een bacterie. Meestal is een koortslip de oorzaak. Maar misschien reageert EEM ook op aften, dacht ik. Of misschien was het stress en verdriet en overspannenheid; en dat mijn lijf dat zo uit. Ik zou het niet raar vinden. Mijn moeder vond me altijd al een theatraal type.

“Ben je blij dat het voorbij is?” vraagt de taalnazi.
“Ja,” zeg ik, zonder dat ik precies weet waar hij op doelt. Ik neem nog een slokje bier en kijk omhoog. De zon verdwijnt achter een wolkendek en ik houd mijn zonnebril op omdat de taalnazi anders mijn natte ogen ziet. Ik wil hem mijn verdriet niet tonen, ik heb geen recht op verdriet: ik ben degene die geen wij meer wil zijn. Maar soms is er toch het gemis. De dansjes door de supermarkt, mijn hoofd dat zich laaft aan zijn schoot en de pastamaaltijden met veel te veel creme fraiche en witte wijn.

“Hoe is het met jou?” vraag ik dan.
“Beter,” glimlacht hij.
“Fijn.” We zoeken naar woorden en dat is gek want dat hoefden we nooit. Maar alles is nu anders.
“Ik begrijp het alleen nog niet.” Hij lacht harder. “Ik heb er veel over nagedacht en ik begrijp het niet, maar het is goed zo.”
Ik knik, blij dat het goed is en opgelucht dat ik het niet hoef uit te leggen. Ik heb ook nagedacht. Gedacht en gehuild. Geschreven en gedacht. Gedacht en gepraat. En ik kan het niet uitleggen. Ik weet het zelf ook niet. Het enige dat ik weet is dat ik moe ben en dat ik niet samen wil zijn. Dat ik wil rusten, alleen. Dat ik wil slapen en soep maken. Dat ik Heel Holland Bakt wil kijken en niemand wil zien. Dat ik wil lezen en wil schrijven. En dan misschien nog iets wil bakken.

We drinken onze biertjes en praten over schrijven. We praten over Giphart die we binnenkort gaan ontmoeten op een literaire middag, over Nietzsche waar hij nu over schrijft en over mijn nieuwste lievelingsboek Kom hier, dat ik u kus.
“Ik zal dit missen,” zeg ik.
“Ik ook,” zegt hij.
“Zullen we vrienden blijven?” Het is het meest clichématige dat ik ooit heb gezegd.
“Misschien,” zegt hij. “Laten we elkaar maar eerst even niet zien.”
“Ja, dat is beter.” Ik vraag me af of we het kunnen en ik vraag me af of we het echt willen. Een schrijver die ik ken schreef eens over relaties die uitgaan: ‘Je geeft elkaar even het beste dat je hebt, komt tot de conclusie dat het niet genoeg is en gaat elkaar dan maar minder geven. Dat werkt zelden.’ Het leest alsof het waar is.

Als alle woorden die we voor nu hebben op zijn, nemen we afscheid. We delen de rekening, dat is iets wat vrienden doen, bedenk ik me. Hij pakt me vast, even verdwijn ik in zijn baard en ik kijk hem aan, met mijn zonnebril nog op. Er sijpelt een kleine traan onder het donkere brillenglas vandaan. Ik wrijf het weg en glimlach. “Tot over een tijdje,” zeg ik. “Tot over wanneer we vrienden zijn.” Deze keer hoop ik dat clichés waar zijn. Ik hoop echt dat we elkaar over een paar maanden zien en dat we kunnen praten en lachen, zonder onze zonnebrillen op. Een diepe ademhaling ontglipt de taalnazi en ook hij toont zijn ogen niet, zelfs niet voor het afscheid. “Tot over een tijdje,” zegt hij. We lopen weg, ieder een andere kant op.

Liefde in tijden van liedjes II

Liefde in tijden van liedjes II

Inmiddels weet ik dat ik stuk ben. In Liefde in tijden van liedjes bekende ik dat ik bijna 30 was en nog nooit van iemand gehouden had. Nu weet ik waarom. Ik heb een te leuk gevuld leven met veel te veel vrienden die ik heb gemaakt doordat ik altijd alleen was. Ik ben kritisch en heb een passie die makkelijk het gemis van een partner opvult, wat zeg ik: mijn schrijven vult met gemak het gat op van drie partners. Daardoor ben ik in een samenzijn enorm gesteld om mijn eigen tijd, maar o wee als je me verlaat. Bovendien is jarenlang loeren naar stellen niet perse bevorderlijk naar het verlangen om een stel worden. Ik heb dingen gehoord en gezien waardoor ik oprecht happy single was. Vrouwen die tegen hun mannen zeggen: “Ik heb geen zin om uit eten te gaan hoor. Zit ik jou heel de avond aan te kijken.” Mannen die verdommen te koken, zelfs als ze lang en breed thuis zijn voor hun vrouw binnenkomt. Stellen die simpelweg langs elkaar heen praten. Ze luisteren louter naar zichzelf en de stroom woorden die ze hun partner toesnauwen verdwijnt in een ruimte waar alleen vreemden hun oren spitsen.

Nee. Niet dat voor mij. Ik ben vrij. Vrij om mijn vrienden te zien. Vrij om bier te drinken wanneer ik dat wil. Vrij om bang te zijn. Vrij om kritisch te zijn. Vrij om te schrijven. Vrij om te vrijen. Vrij om stuk te zijn en niemand zich daarmee te laten bemoeien. En toen kwam ik de schrijver tegen waar ik eerder over schreef. De taalnazi die mijn dt’s veranderde. Met zijn gele bril, vreemde bakkebaarden en een houding die zich niet liet plaatsen, paste hij in geen enkel liedje. Net zoals ik zelf niet in liedjes pas. Wij waren beiden rare vogels zei mijn zus, dus als er iets in mij was dat ooit iets van een relatie wilde, moest ik volgens haar nu toch echt doorbijten.

Ik beet door omdat ik zag dat hij en ik samen iets zouden kunnen hebben wat mooi was. Wat de moeite waard zou zijn. Maar verliefd werd ik niet. Maand na maand na maand probeerde ik. Ik vond hem lief. We hadden het fijn. Ik moest om hem lachen en hij inspireerde me. Maar het gevoel dat ik zocht, kwam niet. Het gevoel dat bij de liedjes hoorde. En ik wilde het zo graag. Twijfels. Doordaten. Lachen. Huilen. Mijn zus bellen. Doordaten. Praten. Uit eten. Samen slapen. Twijfels.

Voel ik wel genoeg?
Is dit het?
Kan ik dit wel?
Wil ik dit wel?

Het is niet het begin waar je van droomt. Het is een begin waarvan mensen zeggen ‘dat is niet goed hoor’ of ‘zo hoort dat niet’. In het begin hoor je te genieten. Maar in mijn hart wist ik dat als ik het ooit echt zou proberen, het zo zou verlopen. Het was het begin waar ik jaren tegenop had gezien. Maar de taalnazi met de gele zonnebril had geduld. We dronken biertjes en aten bitterballen. We skypten drie uur op een avond. Ik kreeg lieve berichtjes maar niet teveel. Als ik een avond alleen wilde zijn, mocht ik mijn telefoon uitzetten. Maar ik bleef twijfelen en kon wel huilen. Dat deed ik en het enige wat ik wilde was mijn hoofd neerleggen op de behaarde borst van mijn taalnazi. Ik had verdriet om het gebrek aan gevoel maar wilde alleen door hem getroost worden.

Dat was hetgene dat ervoor zorgde dat ik doorging. Ik had een beeld van ons als stel en voor het eerst in mijn leven was het een realistisch beeld. Een fijn beeld. Ik zou hem niet een avond niet aan willen kijken. Met de gedeelde passie hadden we altijd wat te bepraten. Hij zou wél eten voor me maken als hij eerder thuis was. Wij zouden nooit langs elkaar heen praten, omdat we op dezelfde golflengte zitten. Dus als het gevoel nu gewoon kwaaaham, dacht ik.

Na drie maanden liet ik hem los. Ik had mijn best gedaan en ging huilend naast hem zitten. Mijn hoofd in zijn nek. “Ik wil het niet uitmaken, echt niet, maar ik weet het niet,” zei ik. Hij zat een verhaaltje te tikken, keek rustig op en zei niks over het uitmaken. Hij sprak de legendarische woorden: “Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zoveel moeite doet om bij mij te zijn.” Mijn natte ogen waren nooit eerder zo snel droog. Hij pakte mijn hand, we gingen naar het bos, liepen langs het water en hij wist het zeker genoeg voor ons tweeën.

De volgende ochtend was ik zo blij dat hij er nog was toen ik wakker werd. Ik keek naar hem en toen naar mezelf. Ik ben kritisch. Ik heb bindingsangst gecombineerd met verlatingsangst. Vaak denk ik dat ik krankzinnig ben. Bipolair denk ik soms. Ik ben bang. Maar hij is lief en gek genoeg om met mij samen te zijn. Ik keek naar de bakkebaarden die ik de afgelopen drie maanden in een baard had doen veranderen en bedacht, ik ben verliefd op je aan het worden.

Een week lang verzweeg ik het. Ik denk immers soms dat ik bipolair ben, dus met dit soort beweringen moet ik altijd even wachten. Na die week zaten we samen in het kunstgras op mijn balkon. Door het warme weer zweette hij als een otter. Ik kuste hem door zijn zweetdruppels heen en sprak toen de legendarische woorden.
“Ik ben denk ik verliefd op je aan het woorden.”
“Zo,” zei hij lachend. “Lekker op tijd.”
“Sorry,” zei ik. “Bedankt dat je bij me bent gebleven.”
“Ik wil alleen een krankzinnige vriendin,” zei hij. “Als je normaal wordt, maak ik het uit.”

Op dat moment hoorde ik een liedje in mijn hoofd. De melodie was mij vreemd. Het was geen liedje dat ik eerder hoorde. En dat klopt eigenlijk wel. Mijn gevoel past ook bij geen enkel liedje dat al bestaat. Ik hoorde een nieuw liedje. Het liedje van mij en de taalnazi.

Tarrel

Tarrel

Mijn angst voor het laten van scheten waar mannen bij zijn, zit diep en gaat lang terug. Denk aan het jaar 2001, ik ben een puber, een nerveuze puber. Ik zit in een zwart-wit geblokte tuinbroek verlegen aan mijn bureau en naast mij zit Peter. Het is de eerste jongen die bij ons thuis komt, het is mijn eerste liefde en we maken wiskundehuiswerk. We kijken stiekem naar elkaar op, nemen slokjes van de gazeuse die mijn moeder ons bracht en soms glimlachen we even en naar elkaar.
Het is mooi, het is lief. Totdat mijn maag begint te borrelen.
En nee, het zijn niet de vlinders.
Het zijn mijn darmen.
Ze beginnen nu ook geluid te maken.
O god. Niet nu.
Ik leg een hand op mijn buik. De druk stapelt zich op.
Het doet pijn. Ik denk: als ik nu beweeg, laat ik er een vliegen. En het kan ook nog weleens een natte zijn.
Niet bewegen. Niet bewegen. Alsjeblieft niet bewegen. Ik ga nog liever dood dan dat ik beweeg.
Ik voel een druppel pijnzweet langs mijn slaap sijpelen. Ik wil niet ruften. Dat mag niet. Maar jullie weten ook wel, als je het te lang inhoudt, ga je op een gegeven moment dood van de pijn. Dan moet je wat doen. Dus ik probeer er nog het beste van te maken en zeg quasi interessant tegen Peter: ‘Ik moet even gaan liggen. Krampen. Ik denk dat het menstruatie is.’ Altijd goed om op je zestiende aan te geven dat je vruchtbaar bent natuurlijk.

Ik strompel met een hand in mijn rug naar het bed. Niet omdat de pijn echt niet te harden is, maar omdat ik mijn billetjes bij elkaar probeer te houden.
Peter is lief en komt bij me zitten.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij haalt een pluk haar uit mijn gezicht.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij aait me over mijn buik.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Ik denk aan wat hij zou doen als hij wist dat hij eigenlijk alleen een grote drol aaide, waar een stuk buik tussen zat.
Hij wrijft wat harder.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij probeert de krampen weg te duwen, net iets te hard en ik…
Kan mijn billetjes niet meer bij elkaar houden. Jullie weten wat er toen gebeurde. Het was een stille en die stinken het ergst.
Ik houd mijn adem in, natuurlijk omdat ik weet wat voor godschruwelijke stank eruit me is gekomen, maar ook uit angst. Zou Peter me nu verlaten?
Ik was trouwens wel opgelucht dat het geen natte was.
Ik kijk Peter aan, hij moet dit ook ruiken, Franse schimmelkaasjes zijn er niks bij.
Maar hij doet niks. Hij blijft aaien, stoïcijns.
Ondanks dat Peter de scheet die dag niet erkende en er nooit meer op terug is gekomen, is de scheet altijd tussen ons in blijven staan. Na die dag is Peter nooit meer huiswerk komen maken, sterker nog: Peter werd zelfs homoseksueel.

Tussen Peter, mijn eerste liefde, en de ontmoeting met wat mijn laatste liefde kon zijn, zat een hoop tijd. In die tijd had ik alleen amoureuze ontmoetingen van een nacht en dan weten jullie hoe dat gaat: voor poepen wacht je tot je thuis bent en scheten laat je als je ‘even de wijn gaat pakken.’ Deze laatste liefde ontmoette ik op een schrijversavond in Delft. We lazen vieze verhaaltjes voor, dronken samen Chouffe biertjes, aten shoarma en belanden bij elkaar in bed. Ik vond ‘m wel leuk, die grote taalnazi, maar ik wist ook dat de shoarma een schetenfanfare in mij zou aanwakkeren, die zijn weerga niet kende. Ik vroeg me af of hij me – net als Peter – om stanktechnische redenen zou verlaten. Ik wist eigenlijk wel zeker dat het antwoord op die vraag ja was, want naast de shoarma had ik ook een hoop bier gehad en dat soort scheten zijn het ergst. De taalnazi zou naakt met zijn handen heftig zwaaiend boven zijn hoofd, mijn huis uitrennen van die lucht.

Ik app een vriendin met mijn zorgen.
Ze appt HAHAHA terug en zegt dat ik me beter zorgen kan maken over wat er zich in zijn onderbroek afspeelt. De vriendin is regelmatig opgeschrikt door remsporen in onderbroek en tarrels in bilharen.
Tarrels? Nooit van gehoord.
Ik google het woord. Het urban dictionary vertelt me die nacht iets dat ik voor altijd met me mee zal dragen.
“A tarrel is a piece of shit that gets stuck in your butt hair. It can also be a dried up piece of shit that you find in your underwear.”
Gruwelijk. Gruwelijker nog dan stille stinkscheten.
Ik til de dekens op en kijk naar de blauwe onderbroek van de taalnazi. Even overweeg ik om zijn onderbroek naar beneden te trekken, om te zoeken naar rempsoren of tarrels, maar ik doe het niet. Ik draai me op mijn buik zodat ik zeker weet dat alle bier-en-schoarma-scheten precies blijven waar ze zijn.

De volgende ochtend zit de taalnazi in zijn blauwe boxer in mijn keuken.
“Koffie?” vraag ik in mijn flanellen bloemetjespyama.
“Lekker.”
Ik draai de kraan open en laat water in de koffiekan lopen.
“Ik heb wat geleerd vannacht,” zegt hij.
“O? Wat dan?”
“Dat meisjes ook scheten laten.”
“Nee.” Ik zet de koffie aan en hap naar adem. “Nee toch?”
“Jawel.” Hij lacht en toch schaam ik me dood.
“Ik laat geen scheten,” jok ik.
“O nee?” Met zijn tong uit zijn mond maakte hij een kort scheetgeluid, een wat langer scheetgeluid en een heel lang scheetgeluid.
Ik word rood. “Hou op!”
Hij lacht weer. Ik ken deze lach niet. Ik weet niet of het betekent ‘haha ok, goor wijf, doei.’ Of : ‘haha ik houd wel van kleine viezerikjes.’ Hij lacht en lacht en als hij even bijkomt, vertelt hij het allerergste. ‘En toen,’ zegt hij, ‘na de derder scheet ofzo, je was al  half in slaap, zei je: ‘dit is echt de laatste.’
Ik wil door de grond zakken en uit pure wanhoop vraag ik hem of hij weet wat een Tarrel is. De taalnazi weet ook niet wat een tarrel is maar leest mijn gene en stopt met lachen. Een beetje beschaamd.
“Wat is dat dan een Tarrel?” vraagt hij.
“Volgens het Urban Dictonary is het a piece of shit that gets stuck in your butt hair.”
Hij steekt een sigaret op. “Klinkt vast nog ranziger in het Nederlands.”
“Een Tarrel is een stukje stront dat in je konthaar blijft hangen.” Ik schenk hem koffie in. “Is inderdaad ranziger.”
Hij neemt een slok. “Ik vind het een interessant fenomeen.”
Vraag me niet hoe of waarom maar blijkbaar zie ik dit als een aanmoediging voor poeppraat want ik zeg: “Ik heb weleens op een wc-bril gepoept.”
Ik schrik van mijn eigen ontboezeming. De Taalnazi schrikt ook een beetje, maar hij herpakt zich. En biecht ook. “Ik heb wel eens tweehonderd kilometer vanuit Luxemburg gereden terwijl ik in mijn broek had gescheten. Ik dacht dat ik een scheet liet en toen zat mijn hele broek vol.”
Van zijn ontboezeming moet ik dan een beetje kokhalzen. De taalnazi is nog een grotere smeerlap dan ik. Maar wel leuk.
We drinken nog een kopje koffie en we praten over spetterpoep en vieze stinkscheten en drollen die te groot zijn om doorgespoeld te worden. Dat was het begin. Daar in die keuken overwon ik mijn poepfobie en ik merkte dat de taalnazi eigenlijk al een beetje van mij hield en volgens mij ook een beetje van mijn scheetjes.

PS. Zin in nog meer poep- en plashumor? Lees dan gauw Proppen of vouwen.