De mug en de olifant – GASTBLOG

Deze week een gastblog van de net naar het Gooi verhuisde schrijver Valerie Latul. Voordat zij de stap nam om freelance schrijver te worden, werkte Valerie als format-ontwikkelaar voor verschillende televisieproducenten. Nu schrijft ze nog steeds veel voor tv, maar is ze ook bezig met blogs, korte verhalen en boeken. Uiteraard heeft ze ook haar eigen blog: Doei Amsterdam. Voor Achtentwintiger schreef ze deze week een lekker luchtig, zomers verhaal. Veel leesplezier met De mug en de olifant!

MUG

Hoera! Het is zomer! En dan is alles beter. In de winter zijn er momenten dat ik om de dode hamster van mijn overbuurjongetje al keihard in janken kan uitbarsten en vervolgens met drie chocoladerepen en een mini-appeltaart van de Appie mijn bed in kruip, me afvragend wat de zin van het leven nou eigenlijk is. Maar zodra de zon weer schijnt, kan ik alles relativeren. Ben ik 300 euro over mijn bundel gegaan? Ach, het is zomer! Gaat míjn ex, de jongen die me dumpte omdat hij zich niet kon binden, trouwen? Ik wens ‘m veel geluk en heel veel baby’s! Het is namelijk zomer. Zelfs als ik op het centraal station sta en dreig door te lekken, omdat ik slechts 45 cent heb van de 50 om naar het toilet te mogen, maakt de zomer alles goed. Er is een ding waar mijn zomerse relativeringsvermogen niet tegenop kan. En dat zijn muggen.

Het is 00.15 uur. Het raam staat wagenwijd open. De gordijnen bewegen flauw op het zuchtje wind dat af en toe naar binnen komt. Ik lig in bed, na een avondje doorzakken in de tuin van mijn LBFF’s (dat zijn mijn Lesbische Best Friends Forever). Vanwege mijn deadline de volgende dag ben ik eerder naar huis gegaan. Ik duw de dekens met mijn voeten op de grond en laat mijn bezwete lichaam wennen aan de niet-Nederlandse temperatuur in mijn kamer. Ik weet dat de alcohol me snel naar dromenland zal brengen. Wat is slapen toch heerlijk. Tevreden denk ik aan het typische vrouwengesprek dat ik die avond voerde met mijn vriendinnen: wat heb je liever? Een string die altijd in je reet zit of een hipster die altijd van je reet zakt? Terwijl ik de voor- en de nadelen van de twee soorten ondergoed in mijn hoofd tegen elkaar wegstreep, worden mijn ogen zwaarder en zwaarder.

Zoem! Wat was dat? Vast niks. Ga nou maar gewoon slapen, morgen heb je een deadline. Ik probeer weer in slaap te komen, maar op de een of andere manier lukt dat nooit als het je wordt opgedragen, ook al doe je dat zelf. Alsof iemand tegen je zegt: “De komende tien seconden niet aan een blauwe olifant denken.” Dan weet je dat de wereld de komende tien seconden helemaal stilstaat en het enige wat je kunt zien, ruiken, horen of voelen is die vreselijke blauwe olifant. Ga slapen, bijt ik mezelf toe. Slapen, slapen, slapen, slaa…

Zoem, zoem! Nee hè, dit ga je niet menen. Niet nu. Niet nu. ‘Laat het niet waar zijn! Laat het niet waar zijn!’, jammer ik slaapdronken in mijn halve slaap. Zzzzzzoem. Ja, hoor. Het is waar. Uitgerekend op de avond dat ik een keer besluit verstandig te doen, gaat uitgerekend een mug het voor me verpesten.

Ik doe het licht aan. Terwijl mijn ogen wennen aan het felle licht speuren ze de kamer af, maar de mug is nergens te bekennen. Die vliegende bloedzuigers uit de krochten van de insecten-onderwereld spelen altijd verstoppertje met me. Als het donker is, zoemen ze je de oren van het hoofd, maar zodra je het licht aan doet zijn ze spoorloos verdwenen. Ik doe het licht weer uit en wacht tot ik de mug weer hoor. Het gezoem schiet langs mijn oor. Daar! Ik doe het licht aan. Daar zit ze. Niet irritant hoog of in een onbereikbaar hoekje waar je geen slipper of tijdschrift tegenaan kan drukken. Nee, recht voor me op de muur op ooghoogte. Gewapend met de Flair in mijn hand sta ik klaar om die mug de hemel, of beter, de hel in te slaan. Ik breng mezelf in opperste concentratie. Ik mag niet misslaan en de kracht die ik op haar uitoefen moet zodanig uitgebalanceerd zijn dat ze elegant, als een ballerina tijdens het Zwanenmeer, op de grond valt. En niet platgeslagen, met bloed van weet ik veel wie, op mijn witte muur blijft plakken.

Terwijl ik voorzichtig op haar af loop, denk ik aan een docu die ik niet zo lang geleden online heb gezien. Daarin vertelde de voice-over dat enkel vrouwtjesmuggen je steken en dat ze het bloed nodig hebben voor de ontwikkeling van hun eitjes. Die gedachte zet me aan het denken. Eigenlijk gaat het gewoon om de manier waarop die mug met me communiceert. Als ze nou tegen me zou zeggen: “Hé, hallo. Ik heb een aantal eitjes in mijn kont, geef me wat bloed”, dan vind ik dat sympathiek.
Dan zou ik zeggen: “Hé gefeliciteerd, je bent zwanger. Nee, tuurlijk joh, hier heb je mijn arm. Nee, liever niet mijn gezicht nee, dan sta ik morgen zo voor lul. Over lullen gesproken, ga je daarna naar m’n buurman? Die vindt het normaal om op zondag 07.00 uur in de muur te boren.” Dan zou ze zeggen: “Tuurlijk joh.” En dan vroeg ik haar om te stoppen met dat irritante gezoem. En dan ging ze akkoord, want dat zou ze dan bij de lul-buurman doen. Kijk, dan heb je meteen al een heel ander verhaal.

Met mijn tijdschrift in de aanslag, verplaats ik me in de mug en vraag ik me af of ik het cool zou vinden als iemand me met de Flair op mijn zwangere hoofd zou meppen omdat-ie me irritant vindt. Ik zucht. Inmiddels geïrriteerder door mijn eigen geweten dan door de mug, sjok ik de kamer uit en pak ik een glas uit de badkamer. Ik zet het glas om de mug en schuif mijn tijdschrift eronder. Ik open het raam en zet het glas buiten op de vensterbank. Met de open kant naar boven natuurlijk, anders is het ook zo lullig. Tevreden en voldaan stap ik in bed. Het is inmiddels 02.32 uur.

De volgende ochtend zit ik braaf om 08.30 uur achter mijn laptop om mijn stuk af te schrijven. Annelies spreekt me aan op Facebook.

Annelies: “Ik heb morgen een sollicitatie.”
Ik: “Hé gefeliciteerd, waar? Ben je zenuwachtig?”
Annelies: “Nee, niet echt. Ik heb het al zo vaak gedaan. Ik zit erop.”
Ik: “Heb je nog wat van die sollicitatie van vorige week gehoord?”
Annelies: “Nee, nog niet.”
Ik: “Komt wel. Ze willen jou. En die van maandag?”
Annelies: “Afwijzing. Hoe gaat-ie met jou?”
Ik: “Kort nachtje gehad.”
Annelies: “Ooo, hoe bedoel je?” – knipoog.
Ik: “Ik had een mug.”
Annelies: “Pfff…”
Ik: “Heel irritant hoor. Zeker als je de volgende dag een deadline hebt.”
Annelies: “Nou en? Je bent toch gewoon op tijd wakker?”
Ik: “Creativiteit kun je niet timen. Het komt op als poep.”
Annelies: “Je moet niet zo overdrijven. Jij kon in de zomer toch zo goed relativeren?”
Ik: “Ja, maar muggen vallen buiten mijn relativeringsvermogen.”
Annelies: “Jij maakt altijd van een mug een olifant.” – knipoog.
Ik: “Ha ha ha… Niet grappig.”
Annelies: “Gewoon relativeren.”

Een dag later appt Annelies me een treinselfie. Ze is onderweg naar haar sollicitatiegesprek. Haar linker ooglid staat op springen. Ze ziet er niet uit. Quasimodo is er knap bij.
Ik: “Wauw. Die mug heeft van jouw oog een olifant gemaakt.”
Annelies: “Ha ha ha… Niet grappig.”
Ik: “Gewoon relativeren.”

Ps. Toen ik naar het raam liep en het glas binnenhaalde trof ik de mug levenloos aan. Kennelijk was haar einde al in zicht. Al die moeite voor niets. Ach ja, gewoon relativeren. Het is tenslotte zomer.

Zussen

Zussen

Op een grindpad ergens op een camping in Brabant liepen vijfentwintig jaar geleden twee meisjes. De ene was vier jaar, de ander negen. Die van vier had twee vlechtjes in haar haren en sleepte een geel eendje achter zich aan. Het meisje van negen had bruine knieën van het spelen in het bos en sleepte haar zusje achter haar aan. Deze grote zus liet geregeld haar vriendjes bij hun boomhut achter zodat ze die kleine even kon op zoeken. Om te kijken of alles nog goed was. Het was altijd goed, maar misschien kwam dat omdat de grote zus altijd op tijd kwam kijken. De zon stond laag terwijl ze doorstapten. De geur van moeders pannenkoeken kwam hen tegemoet. Het kleine meisje keek naar het grote meisje en hoopte dat het voor altijd zo zou blijven.

De grote zus is vandaag 35 jaar geworden en ondanks dat de zon een stuk minder fel schijnt dan toen op de camping, viert ze het buiten. Met jassen aan zitten de verjaardagsgasten in de tuin. Drinkend, lachend. Mijn grote zus houdt nog steeds van buiten zijn. Ze stookt het vuurtje op in de tuinkachel. Ik kijk naar haar terwijl ik slokjes van mijn wijn drink. Ik kijk naar haar haren, die net tot op haar schouders hangen. Auberginekleurig. Toen we naar de caravan liepen, waren haar haren bruin en had de kapper een pony geknipt. Haar haren hebben ook in een kuif gezeten. Daarna zijn ze met gel besmeurd en in een rode zakdoek gepropt. Haar kapsel is zwart geweest en rood en het is tot huilens toe weleens door een slechte thuiskapper verknipt. Ik was er om te zeggen dat haar kapsel leuk zat of dat het heus wel meeviel. En dat deed ze ook terug. Na een mislukte blondeerpoging riep ze ooit lachend tegen me: “Je lijkt Geert Wilders wel!” Daarna ging ik ook huilen en nam ze me mee naar de kapper.

Kapsels veranderen. Kleding verandert. Eetgewoonten veranderen. Aardappels veranderen in quinoa. Kinderen worden volwassenen. Ouders veranderen in mensen. Mensen worden moeders. Niks blijft zoals het is. Behalve mijn zus. Die werd volwassen, partner, moeder maar bleef voor mij altijd precies wat ze was. Mijn zus. En dat is iets om dankbaar voor te zijn.

Bedankt dus zus, dat je op de camping de grote jongen een blauw oog sloeg die naar mij stenen had gegooid. Bedankt voor rugtekenen voor het slapen gaan. Bedankt voor het wegaaien van mijn buikkrampen toen ik voor het eerst ongesteld werd. Bedankt dat ik met jou mee uit mocht naar de Skihut, terwijl je me eigenlijk te jong vond. Bedankt dat ik bij je mocht huilen, terwijl jij ook verdrietig was om de scheiding. Bedankt dat je bij elk vriendje zei dat ik het wel echt met condoom moest doen. Bedankt dat je vertrouwen in me hebt. Bedankt dat je komt kijken als ik moet optreden. Bedankt dat je me kent. Bedankt dat je zegt dat ik moet doorbijten als er iemand de moeite waard is om lief te hebben. Bedankt dat je me accepteert. Bedankt dat ik mee mag op vakanties van jou en je gezin. Bedankt dat ik bij jou mag horen.

Mijn zus is veranderd. Van een stoere meid van negen jaar veranderde ze in een puber, in een drammer, in een lieverd, in een harde werker, in een oermoeder, zorgzame partner en nu is ze dat allemaal in één. Een vrouw van 35 jaar. Het vuurtje brandt, dus ze loopt de keuken in. Haar werk is nooit af. Ze komt terug met brood en kaasjes en seint met haar ogen dat ik een rondje drank moet doen. Ik doe het. Als haar dochtertje van bijna drie aan haar been hangt, zet ze de muziek aan. Die wil dansen. Ze danst met haar kleine zoals ze ook danste met mij toen we klein waren. Samen waren we klein. Er zijn herinneringen die alleen wij delen. Zij is de enige die ook weet hoe mijn moeders pannenkoeken vroeger roken, hoe zacht ons eerste hondje aanvoelde en met haar ogen dicht is zij de enige in de hele wereld die in een warme auto ook Celine Dion Destin in haar hoofd hoort zingen.

Ze is mijn enige link naar ons verleden, maar ook de enige constante factor in de toekomst. Ze zal er zijn als ik failliet ga, of als ik debuteer. Ze zal er zijn als de liefde me gelukkig maakt en ze zal me troosten als de liefde bij me weggaat. Ze zal er zijn om mee te lachen en om me bij te verstoppen. Dat mag ze ook bij mij. We zullen op elkaars kinderen passen en samen op vakantie gaan. We zullen eten en drinken en lijnen als het moet. We zullen verdriet delen als onze ouders sterven en als enigen herinneren hoe zij onze ouders waren. We zullen klagen over de overgang en ons afvragen waarom we nog steeds te weinig tijd hebben, ook al zijn we met pensioen. Ze zal altijd trots op me blijven. En ik op haar. Alles verandert, maar dat niet. Ik zal altijd naar haar kijken zoals die kleine naar die grote keek op de camping vijfentwintig jaar geleden.

We worden oud, zus. Maar gelukkig doen we het samen.

Tanja

Vriendschap

“Hou je grote bek,” zegt Tanja. “Ik zweer het, beter ga jij je bek houden.” Tanja staat op het schoolplein, ze is groot en gezet en kijkt neer op Wart, de magere jongen die dus duidelijk zijn bek moet houden. Wart schold mij uit, zo kwam hij bij Tanja in de problemen. Tussen heel veel lelijke woorden door werd duidelijk dat Wart problemen had met mijn gebrek aan tieten en mijn overvloed aan puisten. Ik stond te bibberen en zei niks. Maar toen was er Tanja. Ineens stond ze er. Met een dreigende vinger die bijna Warts oogbal uit zijn hoofd lepelde, stond ze voor me in. Tanja. We waren veertien en ze was mijn beste vriendin.

Tanja was erbij toen ik op de kleuterschool van Sinterklaas een stom cadeau kreeg en ik vocht tegen mijn tranen. Ze was erbij toen ik geen gewone elastiekjes meer in mijn haar wilde, maar een roze wokkel. Ze was erbij toen ik in groep acht de hoofdrol in de musical aan mijn neus voorbij zag gaan. Elke schooldag was ze erbij. En elke dag aten we advocaatspritsjes. Mijn moeder wachtte ons op, met thee en een spritsje, omdat Tanja een moeder had zonder koekjes.

Op de middelbare school gingen we samen naar 1F: de mavo/havo klas. De nieuwe school, andere leraren, onze veranderende lijven, het viel ons allemaal zwaar, maar we hadden elkaar. En spritsjes natuurlijk. Tot de kerstvakantie aanbrak. Mijn ouders werden gebeld door school. Mijn vader glimlachte vanwege het nieuws dat door de hoorn tot hem kwam. Na dat gesprek moest ik even bij hen komen zitten. Hij vertelde me het goede nieuws. Ik huilde. Ik huilde hard en deed dat totdat ik in slaap viel. De volgende dag zag ik Tanja.
“Jij bent niet gebeld door school he?” vroeg ik.
“Nee, hoezo?”
“Ik moet na de kerstvakantie naar een andere klas.”
“Wat?”
“Ik moet naar de vwo klas.”
Haar ogen vulden zich met tranen. Mijn ogen waren al leeg gehuild.

Het vwo zou ons niet breken. We besloten bloedzusters te worden. Maar bij het zien het rode streepje vocht dat uit haar vinger liep, moest ik kokhalzen, dus we bezegelden ons zusterschap met een knuffel en de dagelijkse sprits. Het vwo paste bij me. De puisten gingen voorbij, Wart ook en ik hield van leren. Tanja hield niet van leren, wel van jongens, make-up en wiet. Ze zat op de mavo. Tanja kreeg vet haar, vond dat mooi en bond het in een staart op haar hoofd, waardoor ze een soort palmboom op haar schedel creëerde. Ik vond vet haar vies en had altijd een busje talkpoeder bij me voor als mijn haar net iets te vet werd. Vet haar, droog haar. Het maakte niks uit. Wij waren voor altijd.
“Kom je naar buiten?” riep Tanja vanuit de straat naar mijn raam dat open stond. Het was de avond voor mijn schoolexamen geschiedenis.
“Nee man, ik moet leren. Morgen examen.” Met de ‘man’ probeerde ik een beetje gangster over te komen, want Tanja was inmiddels het meest gangstere meisje van de school.
“Fuck dat. Ga gewoon mee. We gaan blowen.”
Fuck dat? Dacht ik. Fuck dat? Ik wil een goed cijfer halen voor dit examen.
“Ik kan niet, man. Studieshit en zo,” probeerde ik.
“Je bent saai geworden,” zei Tanja.
Ze stak een sigaret op en bleef naar boven kijken. Ik liep naar beneden, rookte voor het eerst in mijn leven een sigaret, ging weer naar boven om te kotsen en leerde verder. Voor het eerst, maakte het wat uit, dat we anders waren.

Tanja was eerder volwassen dan ik. Ze werd ontmaagd op haar zestiende, de leeftijd waarop ik mijn eerste zoen kreeg. Ze ging twee jaar later met vrienden naar Salou, ik ging op jeugdkamp in Drenthe. Tanja kreeg haar eerste baan toen ik naar de universiteit ging. Tanja stopte met blowen en kreeg een vriend. Ik wilde schrijver worden en ging op kamers. Ik had voor de eerste keer seks op de leeftijd dat Tanja een dochtertje kreeg. Ik kreeg een baan en Tanja besloot om nog maar twee dagen te werken.

Ze was gelukkig, ik was gelukkig, maar op een andere manier. De vriendschap werd minder, dan weer even meer. Maar we hadden het elkaar beloofd: wij waren voor altijd. Soms zagen we elkaar een paar maanden niet. En dan hadden we weer een opleving. Toen de all-you-can-eat-sushi restaurants in de mode kwamen, bijvoorbeeld, dat was tijdelijk onze gedeelde passie. Toen zij na haar eerste kind weer naar het café wilde, hadden we dat ook weer even. Maar de cafés waar ik naartoe ging, waren niet de cafés waar zij wilde zijn. En van teveel sushi eten, word je misselijk.

Ik vertel jullie dit vlak na het moment dat ik besefte dat ik Tanja twee jaar niet gezien heb. We zagen elkaar in het winkelcentrum, ze had een grote boodschappentas bij zich en haar dochtertje liep ernaast. Toen ik beter keek, zag ik een klein kindje in een draagzak op haar rug. Ik schrok. We hadden elkaar zo lang niet gezien, dat ik haar tweede zwangerschap niet eens had meegemaakt.
“Hoe is het?” vroeg ze. “Heb je al een boek geschreven?”
“Nee,” zei ik beschaamd. Haar droom was waar geworden, die van mij was nog ver weg.
“Hoe is het met jou?” vraag ik.
“Goed,” ze toonde een grote glimlach. “Ik hoef niet meer te werken.”
Dit was alles wat ze wou. Dit is wat haar gelukkig maakt. Nu had ze een jongen en een meisje en haar man had zo’n goede baan, dat ze thuis kon blijven. Mijn ogen liepen vol, door het gebrek aan begrip. Waarom wil je dit. Waarom wil je niet meer. Waarom wil je niet meer en zijn we niet nog steeds vrienden. We hadden toch afgesproken dat we voor altijd waren.

Haar ogen lachten, ze voelde de zwaarte niet van het gemis. Voor haar hoefde ‘voor altijd’ niet meer. Het dochtertje trok aan haar en mijn hoofd trok aan mij. Voor mij hoefde ‘voor altijd’ blijkbaar ook niet meer, anders had ik wel eerder contact met haar gezocht. De helft van ons leven waren we voor altijd geweest. Het is goed zo. We willen andere dingen en weet je, dat is eigenlijk goed. Want niet alles is voor altijd. Dag lieve Tanja, dacht ik. Ik keek even in haar boodschappentas. Er lagen advocaatspritsjes bovenop.