Online daten? Met vissen vang je bot – GASTBLOG

Achtentwintiger heeft de Bloggende Bankier gestrikt als gastschrijver! Floris Mein is ‘banker by day, blogger by night’ en hier lees je zijn lees zijn verhaaltjes! Verder is Floris vader, vaste columnist van Taalvoutjes en single. Je weet: als je single bent, doe je aan Tinder. En als je zijn avontuur hieronder leest, is dat eigenlijk zielig voor Floris maar hilarisch voor ons!

IMG_0122

De Zaanse verhoormethode. Die lijkt erg populair te zijn bij het online daten. De meeste gesprekjes beginnen ongeveer zo:  “WIE BEN JE, WAT DOE JE, WAAR KOM JE VANDAAN, WAT ZIJN JE HOBBY’S?” En dat binnen een tijdsbestek van zo’n 47 seconden. Ik vond het beangstigend. Soms kreeg ik zelfs de neiging om m’n hoofd onder te dompelen in een bak ijswater totdat ik in ademnood zou komen. Zo kreeg ik tenminste echt het gevoel dat ik ondervraagd werd door de KGB. Het was elke keer net alsof ik het Staats Tinder Examen moest afleggen en bij de minste of geringste misser afgeslacht zou worden. Of erger: naar links geswipet … (Ja, ik drink koffie, sorry! En nee, ik houd niet van hardlopen of van South Park. Maar verder ben ik echt een tof mens, hoor!) De Tinderterreur maakte me gewoon een beetje ‘synisch’, aldus één dame. Tja en daar kon ik dus niet tegen: dat gemaksanalfabetisme… Maar misschien vond ik het chatten op Tinder ook wel gewoon eng. En werd ik daarom zo cynisch. Omdat ik bang ben. Ja, dat zal het zijn. Dat ik gewoon bang ben dat ik, nadat ik alle vragen zo eerlijk mogelijk heb beantwoord, alsnog afgewezen word.

Ik bedoel: Ik ben 35 jaar, gescheiden, heb twee kinderen, woon driehoog achter op een flatje in de Bijlmer, ik rijd in een roestige Opel uit 1999 en ongeveer 81,4659% van m’n sociale leven speelt zich af achter m’n laptop. Verder houd ik van scifi-films en ben ik slecht in rekenen. Dat is natuurlijk niet een cv om over naar huis te twitteren. Ja, dat zal het geweest zijn: ik was bang om afgewezen te worden, door al die leuke knappe meisjes met hun fijne levens. Mijn spraakmakendste hobby waar ik over kan vertellen, is bloggen en zij hadden allemaal foto’s van hippe vakanties, zonnebrillen (Ray Bans, allemaal!) en wakeboards. Ja, wakeboards ja. Het zal je verbazen hoeveel meisjes er wakeboarden. Dat is niet normaal! Ik val zelfs nog van de step van mijn zoontje, maar zij kunnen het allemaal. Wat ik ook nooit begreep: Foto’s van vriendinnengroepen. Moet je dan het leukste meisje kiezen, of hoe werkt dat? Of is het een vooropgezet plan van de vrouwen om te kunnen zeggen: “Welke hóóp je dat ik ben?” ALERT: DANGER! Want (en dit is wetenschappelijk bewezen) de knapste is NOOIT het meisje met wie je de match hebt op Tinder.

Soms vroeg ik weleens: “Waarom heb je mijn redelijk alledaagse foto dan geliket?” Het liefste compliment dat ik ooit kreeg was: “Ach, je was een van de weinigen die niet met een vis of met kinderen op de foto stond.” Wat ook lief was: “Je stond niet achter het roer op een bootje waarvan we alletwee weten dat je nog steeds aan het aflossen bent op de hypoteek.” “*Hypotheek”, stuurde ik terug. Dat was ook een les voor me. Verbeter nooit iemands spelfouten op Tinder (of andere online datingtoestanden).

En weet je wat het is? Op een gegeven moment zijn de leuke openingszinnen echt op. Dan stuurde ik maar iets stoms: “Hoi! Ik was een lamp aan het vervangen in de gang en ik moest even aan je denken.” Hitratio: 0,0%. Of vijf keer achter elkaar hetzelfde bericht in drie minuten: “Hoi, hoe is ‘t?” En dan er achteraan: “Sorry, m’n wifi deed raar.” Hitratio: 0,7%. Ook deze aanpak kun je skippen.

Wat wel altijd reacties opleverde? Elk meisje dat ik tegenkwam, noemde ik ‘Annie’. Als ze dan terugstuurden: “Ik heet helemaal geen Annie!”, dan reageerde ik: “Dat weet ik, maar je lijkt zo op mijn ex-vrouw. Mag ik je alsjeblieft Annie noemen? Ik mis haar gewoon nog soms …” Daarna hadden ze vaak ineens geen bereik meer. Of gingen ze op vakantie. Wakeboarden weer waarschijnlijk.

Nou ja, terug naar de kroeg dan maar, waar je de feromonen kunt ruiken (al ruik ik meestal alleen verschaald bier en sigaretten, maar het schijnt te werken). Of nee! Nee, ik weet het: ik ga een wakeboardwinkel beginnen! Nou hopen dat alle vrouwen in het echt net zo leuk gefilterd zijn als de foto’s op mijn laptop. Wel de brillen thuislaten graag.

Kruimels in bed – Gastblog

Halve glazen is deze week gastschrijver voor Achtentwintiger. Ken je haar blog nog niet? Check de site dan snel, want op Halve glazen lees je hilarische stukken van deze 30 jarige psycholoog en schrijfster, over de hel die nagels lakken is, hoge latten, onmindfull leven, ins- and outs van kaasschaven en nog veel meer. Voor Achtentwintiger schreef ze een neurotisch, typisch Halve glazen verhaal. Over het hebben van een relatie. Want dat is niet per se heel fantastisch hoor. Echt niet.

Kruimels in bed

Sinds anderhalf jaar ben ik, zoals de mensen dan zeggen, onder de pannen. Ik warm mijn ijskoude voeten op aan een manspersoon, kan ongestelde onredelijkheid op iemand botvieren en lig lepelend in bed in plaats van diagonaal in m’n eentje. De hoofdtoon is roze.

Er was een tijd dat een laptop, chocola en stapels tijdschriften me gezelschap hielden in de slaapkamer in plaats van een goed stel XY chromosomen. Ik werd geplaagd door doemscenario’s waarin ik zag dat vrienden en familie elk jaar overlegden over ‘wie aan de beurt was’ de vrijgezel met kerst uit te nodigen. Ik moest mijn voeten de rest van mijn leven warmen aan een kat in plaats van een kacheltje met borsthaar. Om de angst te verbloemen dat ik eeuwig vrijgezel zou blijven oefende ik vol overgave op het ‘happy single’ toneelstuk, en na een mislukte date zond ik de hele avond rooksignalen met Lucky Strikes om de leuke mannen te laten weten dat ik weer beschikbaar was.

Angst zorgt voor een kokervisie, zo blijkt maar weer, want een belangrijk voordeel heb ik al die tijd over het hoofd gezien. Wat gebeurt er namelijk als je niet meer alleen bent? Juist, je bent niet meer alleen. Er is nu dus een extra paar ogen en oren dat vastlegt wat jij doet en je eigen gekheid valt in sommige gevallen dan moeilijk meer te ontkennen. Enkele voorbeelden:

Graag eet ik, sinds jaar en dag, cracottes. Van die luchtige alles-blijft-tussen-je-tanden-plakken crackers. Want ze kosten geen reet en er zitten drie calorieën in dus je hoeft geen maat te houden. Die eet ik dan met smeerkaas sambal. Dat is smeerkaas met stukjes rood erin die sambal moeten voorstellen. Ik begin met drie, en dan smeer ik er nog drie en dat herhaalt zich een aantal keer. Met zes stuks kun je immers net een holle kies vullen. Je kunt ze eten aan de tafel of op de bank, maar ik eet ze graag in bed. Terwijl ik de cracottes aan het bingen ben, binge ik ook een favoriete serie, eet ik nog een tony’s chocolonely en maak wat vlekken hier en daar. Ik kan me nog goed het afgrijzen op het gezicht van de wederhelft herinneren toen ik mijn laptop + series, een zak chips, een pak crackers en kuipje smeerkaas meetoog naar zijn slaapkamer. Want dan kwamen er kruimels in bed en ‘we hadden toch net geluncht?’
Ja hallo, beroof me niet van mijn ineffectieve coping wil je?

Ik moet van mezelf de hele dag miljard dingen doen. Pietje appen, truusje bellen, mientje mailen, de beste therapie van de wereld geven aan veel mensen op één dag, de lekkerste maaltijd koken, me aan voornemens houden (geen cracottes meer eten, geld sparen, hardlopen, geen impulsaankopen doen) en als ik dan aaallllees heb gedaan chill ik even op de bank, tot de boyfriend thuis komt. Laten we zeggen, dat is een kwartier. Maar hij ziet mij dus slapend als hij weg gaat en hangend als ik thuis kom. Sinds ik een relatie heb moet ik dus noodgedwongen een klus veinzen vlak voor hij binnen komt, want anders is mijn klaagzang over de drukte niet meer geloofwaardig.

Ik begroot mijn uitgaven doorgaans iets te optimistisch en vergeet elke maand om rekening te houden met de factor ‘impulsiviteit’. Zodra t-shirts, sneakers, en ideeën opkomen als poep, hang ik al in de onlinecatalogi te speuren naar die specifieke puma’s of een ticket naar Kenia. Het komt regelmatig voor dat ik naar de stad ga voor tandpasta, ondertussen een kledingwinkel passeer en me prompt bedenk, omdat ik een meisje in een leuk outfitje zie, dat precies zó’n rok nog mist in de kledingkast. En dan kom ik thuis met tandpasta, een andere rok en 24 shirts. Eerst had ik vooral te dealen met mijn eigen cognitieve dissonantie, en psychologische term voor ‘goedpraterij’, in de poging mijn eigen schuldgevoel te temmen. Nu moet ik slinkse listen uithalen om te voorkomen dat hij ontdekt dat ik iets nieuws heb, want anders rijmt het niet met het begin van de week; toen stortte ik namelijk nog m’n armoedzaaierige hart klagend bij hem uit omdat “ik nooit uitkom met mijn geld”. Tegelijkertijd moet hij natuurlijk wel altijd zien dat ik iets nieuws heb, maar dat is zijn probleem.

Zelf begrijp ik mijn eigen hersenspinsels volkomen. Al is het maar dat ik begrijp dat ik veel gedachten heb en subgedachten en subsubgedachten en daar weer metagedachten over. Zo kan het voorkomen dat ik zo blij als een kind ben omdat de zon schijnt, maar bij de ontdekking van een minispatader stampvoetend als een baby voor de spiegel sta. Een specifieke ‘hm’ van mijn baas doet mij doemscenario’s bedenken tot ik een ons weeg en aan het eind van de dag ben ik aan het anticiperen op mijn ontslag. Een ‘hoi’ van de boyfriend op een gewone hoi-manier terwijl ik graag een ‘hoi liefde van mijn leven’ wil horen verandert me in een kattekop. Zelf ben ik er volkomen aan gewend maar nu ik in zo’n bui vaak in de vragende, verwarde of verbaasde ogen van de boyfriend kijk realiseer ik me dat andere mensen me wellicht rijp achten voor het gesticht. Wat weer reden is om 18 cracottes te eten.

Vrijgezello’s, ook al vraagt die tante de hele tijd of je dit jaar wél iemand meeneemt met kerst, zitten er volgens jan en alleman meervissenindezee en komtjouwtijdnogwel, hou nog even vol. Dans er liever nog op los in je onderbroek op de spicegirls, bestel een gezinszak patat zonder gezin en mét 2 dikke vette snacks, huil als een kind bij een nieuwe rimpel, rook je te pletter en doe honderd impulsaankopen. Voor je het weet moet je normaal doen.

Angst is een slechte raadgever – gastblog

Met trots presenteert Achtentwintiger de gastschrijver van deze maand: filosoof, schrijver en taalnazi Luckie S. Delacroix. Luckie schrijft een column voor het online vrouwenblad Plein9, is redacteur bij het literaire magazine de Optimist en zijn debuutroman Johnny Cash Danst Nooit zal dit jaar nog in de schappen liggen. Voor Achtentwintiger verstopte hij zich een keer niet achter zijn gebroken personages, maar keerde hij zijn eigen gevoelsleven binnenste buiten. Dat dappere besluit resulteerde in een oprecht mooi verhaal.

Angst is een slechte raadgever

Te lang heb ik mij laten leiden door angst. Ik was bang om alleen te eindigen, bang om buiten de lijntjes te kleuren en bang om mezelf te zijn. Mijn omgeving greep iedere gelegenheid aan om duidelijk te maken dat ik als mezelf niet goed genoeg was. Ik moest iemand anders zijn. Iemand die past in een nieuwgebouwde koopwoning met een energielabel, iemand die zich als een fatsoenlijke buurman gedraagt op de buurtbarbecue en iemand die de hypoallergene Labradoodle een leuke uitvinding vindt.

Ik ben dat niet en ben dat ook nooit geweest. Omdat ik bang was alleen te eindigen, probeerde ik die rol te spelen. Op het dieptepunt van het laatste decennium had ik anderhalf jaar geen seks en dacht ik dat ik gek was. Letterlijk. Ik sprak eens in de week met een psychiater die vond dat ik psychotisch was. Mijn chaotische gedachten noemde hij wanen en hallucinaties. Nu was ik altijd al wel een beetje zwaar op de hand en verstrooid maar dat kwam dus omdat ik gek was. Ik vond het een hele aparte conclusie, zeker toen ik kennis maakte met de echte psychotische medemens. Ik was blijkbaar best wel ziek.

Ons zelfbeeld wordt gevormd door wat andere mensen van ons vinden. Hoe hard je ook probeert om je niks van die onbenullige meninkjes aan te trekken, je ontkomt daar niet aan. Het is een gegeven. Mijn ex dacht dat ik gek was, de psychiater bevestigde dat, en ik geloofde hen. Ik cultiveerde het zelfs en maakte het onderdeel van mijn identiteit. Het ging zo ver dat ik mijn overmatig drank en drugsgebruik classificeerde als zelfmedicatie en aan de antipsychotica ging.

Het ging niet beter met me, het ging anders, maar nog altijd even slecht. Het werd leeg in mijn hoofd. Ik werd toeschouwer van mijn eigen leven en de versie van mezelf die ze gecast hadden om de hoofdrol te spelen in dit achterlijke toneelstukje, zou liefde en geluk niet herkennen al stonden ze in zijn bek te zeiken. Ik haatte die flapdrol waar ik naar keek en dat moest veranderen. Mijn lenige brein was mijn grootste geschenk en de vrouw die bij me hoorde, zou dat begrijpen omdat ze zelf waarschijnlijk ook een beetje vreemd zou zijn.

Ik creëerde een situatie waarin het einde van mijn vervloekte bestaan onvermijdelijk zou zijn en na een regenachtige avond in oktober was ik plotseling verlost van alles. Ik was 31 en had niks meer. Geen huisje, geen boompje en een fret. Ik was ontheemd en losgeslagen maar voelde dat ik op het juiste pad was beland. Het viel allemaal op zijn plek en ik kreeg vrede met wie ik ben. Ik kleur nu eenmaal graag buiten de lijntjes, ben een beetje vreemd maar wel lekker, en dol op mijn lenige brein. Ik ben een intelligente subversieveling en bedacht dat ik dat altijd al wilde worden als ik later groot zou zijn. Ik moest mij niks aantrekken van bestaande conventies want die maakten me ongelukkig. Ik moest mijn eigen waarden scheppen dus deed ik dat en voor het eerst in jaren was ik gelukkig.

Nu werd het tijd om na te denken over wat de liefde, mits deze echt zou bestaan, me dan zou moeten bieden en iedere overdenking is voor mij een filosofische en iedere filosofische overpeinzing begint bij Plato op schoot. Ook de beschouwing over liefde. Plato beschrijft de liefde door de ogen van Aristofanes. Deze goede man, een schrijver van komedies, wordt op een mooie dag tijdens een diner gevraagd waarom de macht van de liefde zo groot is. Hij denkt een moment na, neemt een slok wijn en antwoordt dat ieder mens vroeger uit drie seksen bestond: de mannelijke, de vrouwelijke en een combinatie van die twee. De mens was volmaakt rond maar Zeus had ze doormidden gesneden en sindsdien zocht de ene helft wanhopig naar de andere. Het is de liefde die hen weer in hun oorspronkelijke gedaante bijeen brengt.

Ik vond het een prachtige gedachte om mijn zoektocht mee aan te vangen. Beetje zoet en sprookjesachtig maar desalniettemin schitterend in haar eenvoud. De mens heeft liefde nodig om compleet te zijn. De zoektocht naar antwoorden, naar de liefde, zou me veel nieuwe vragen brengen maar ook een aantal zachte eisen opleveren voor een liefde die ik waardig acht.

Ik geloof op de eerste plaats dat je niet kunt denken met je hart maar wel kunt voelen met je hoofd en met dat adagium wilde ik een dynamiek creëren die het samenzijn zou cultiveren zonder dat er een twee-eenheid werd gevormd. Samensmelten is een onnozel idee. Dat is helemaal niet nodig om een ‘wij’ te vormen. Twee sterke individuen die graag samenzijn en intimiteit delen, vormen de beste stelletjes omdat zij beseffen dat 1+1, 3 moet zijn.

Daarnaast bleken de mensen die zeiden dat ze vanaf de eerste donder, bliksem en slag, meteen zeker wisten dat ze nog lang en gelukkig zouden leven, vaak bange leugenaars die liefde op het eerste gezicht verzinnen om zichzelf mee voor de gek te houden. Als zij op die manier gelukkig zijn, hebben ze mijn zege maar voor mij werkt het anders. Natuurlijk moet de eerste indruk goed zijn maar wat volgt is minstens zo belangrijk. Als de kruitdampen van de eerste passievolle maanden opgedroogd zijn, moet er iets overblijven dat de moeite waard is om voor te vechten en dat kun je alleen herkennen als je er goed over nadenkt.

Ik vond iets waardevols op een plek waar ik er niet naar zocht en op een moment dat ik het niet verwachtte. Een nieuw persoon die ik mijn favoriet mag noemen, en die beter bij mij past dan de vorige nieuwe personen die ik mijn favoriet mocht noemen, want ik heb er ditmaal goed over nagedacht. Een vrouw die mij een completer mens maakt, die me stimuleert om beter te worden, een liefde waar ik iedere dag weer van geniet.

En weet je lief. Ik ben nergens goed voor, daar weet jij alles van. Maar ik kan van je houden, zoals niemand anders kan.

Gecharmeerd door Luckie? Begrijpelijk. Je kunt ‘m liken op Facebook en volgen op Twitter.

Liefde in tijden van liedjes II

Liefde in tijden van liedjes II

Inmiddels weet ik dat ik stuk ben. In Liefde in tijden van liedjes bekende ik dat ik bijna 30 was en nog nooit van iemand gehouden had. Nu weet ik waarom. Ik heb een te leuk gevuld leven met veel te veel vrienden die ik heb gemaakt doordat ik altijd alleen was. Ik ben kritisch en heb een passie die makkelijk het gemis van een partner opvult, wat zeg ik: mijn schrijven vult met gemak het gat op van drie partners. Daardoor ben ik in een samenzijn enorm gesteld om mijn eigen tijd, maar o wee als je me verlaat. Bovendien is jarenlang loeren naar stellen niet perse bevorderlijk naar het verlangen om een stel worden. Ik heb dingen gehoord en gezien waardoor ik oprecht happy single was. Vrouwen die tegen hun mannen zeggen: “Ik heb geen zin om uit eten te gaan hoor. Zit ik jou heel de avond aan te kijken.” Mannen die verdommen te koken, zelfs als ze lang en breed thuis zijn voor hun vrouw binnenkomt. Stellen die simpelweg langs elkaar heen praten. Ze luisteren louter naar zichzelf en de stroom woorden die ze hun partner toesnauwen verdwijnt in een ruimte waar alleen vreemden hun oren spitsen.

Nee. Niet dat voor mij. Ik ben vrij. Vrij om mijn vrienden te zien. Vrij om bier te drinken wanneer ik dat wil. Vrij om bang te zijn. Vrij om kritisch te zijn. Vrij om te schrijven. Vrij om te vrijen. Vrij om stuk te zijn en niemand zich daarmee te laten bemoeien. En toen kwam ik de schrijver tegen waar ik eerder over schreef. De taalnazi die mijn dt’s veranderde. Met zijn gele bril, vreemde bakkebaarden en een houding die zich niet liet plaatsen, paste hij in geen enkel liedje. Net zoals ik zelf niet in liedjes pas. Wij waren beiden rare vogels zei mijn zus, dus als er iets in mij was dat ooit iets van een relatie wilde, moest ik volgens haar nu toch echt doorbijten.

Ik beet door omdat ik zag dat hij en ik samen iets zouden kunnen hebben wat mooi was. Wat de moeite waard zou zijn. Maar verliefd werd ik niet. Maand na maand na maand probeerde ik. Ik vond hem lief. We hadden het fijn. Ik moest om hem lachen en hij inspireerde me. Maar het gevoel dat ik zocht, kwam niet. Het gevoel dat bij de liedjes hoorde. En ik wilde het zo graag. Twijfels. Doordaten. Lachen. Huilen. Mijn zus bellen. Doordaten. Praten. Uit eten. Samen slapen. Twijfels.

Voel ik wel genoeg?
Is dit het?
Kan ik dit wel?
Wil ik dit wel?

Het is niet het begin waar je van droomt. Het is een begin waarvan mensen zeggen ‘dat is niet goed hoor’ of ‘zo hoort dat niet’. In het begin hoor je te genieten. Maar in mijn hart wist ik dat als ik het ooit echt zou proberen, het zo zou verlopen. Het was het begin waar ik jaren tegenop had gezien. Maar de taalnazi met de gele zonnebril had geduld. We dronken biertjes en aten bitterballen. We skypten drie uur op een avond. Ik kreeg lieve berichtjes maar niet teveel. Als ik een avond alleen wilde zijn, mocht ik mijn telefoon uitzetten. Maar ik bleef twijfelen en kon wel huilen. Dat deed ik en het enige wat ik wilde was mijn hoofd neerleggen op de behaarde borst van mijn taalnazi. Ik had verdriet om het gebrek aan gevoel maar wilde alleen door hem getroost worden.

Dat was hetgene dat ervoor zorgde dat ik doorging. Ik had een beeld van ons als stel en voor het eerst in mijn leven was het een realistisch beeld. Een fijn beeld. Ik zou hem niet een avond niet aan willen kijken. Met de gedeelde passie hadden we altijd wat te bepraten. Hij zou wél eten voor me maken als hij eerder thuis was. Wij zouden nooit langs elkaar heen praten, omdat we op dezelfde golflengte zitten. Dus als het gevoel nu gewoon kwaaaham, dacht ik.

Na drie maanden liet ik hem los. Ik had mijn best gedaan en ging huilend naast hem zitten. Mijn hoofd in zijn nek. “Ik wil het niet uitmaken, echt niet, maar ik weet het niet,” zei ik. Hij zat een verhaaltje te tikken, keek rustig op en zei niks over het uitmaken. Hij sprak de legendarische woorden: “Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zoveel moeite doet om bij mij te zijn.” Mijn natte ogen waren nooit eerder zo snel droog. Hij pakte mijn hand, we gingen naar het bos, liepen langs het water en hij wist het zeker genoeg voor ons tweeën.

De volgende ochtend was ik zo blij dat hij er nog was toen ik wakker werd. Ik keek naar hem en toen naar mezelf. Ik ben kritisch. Ik heb bindingsangst gecombineerd met verlatingsangst. Vaak denk ik dat ik krankzinnig ben. Bipolair denk ik soms. Ik ben bang. Maar hij is lief en gek genoeg om met mij samen te zijn. Ik keek naar de bakkebaarden die ik de afgelopen drie maanden in een baard had doen veranderen en bedacht, ik ben verliefd op je aan het worden.

Een week lang verzweeg ik het. Ik denk immers soms dat ik bipolair ben, dus met dit soort beweringen moet ik altijd even wachten. Na die week zaten we samen in het kunstgras op mijn balkon. Door het warme weer zweette hij als een otter. Ik kuste hem door zijn zweetdruppels heen en sprak toen de legendarische woorden.
“Ik ben denk ik verliefd op je aan het woorden.”
“Zo,” zei hij lachend. “Lekker op tijd.”
“Sorry,” zei ik. “Bedankt dat je bij me bent gebleven.”
“Ik wil alleen een krankzinnige vriendin,” zei hij. “Als je normaal wordt, maak ik het uit.”

Op dat moment hoorde ik een liedje in mijn hoofd. De melodie was mij vreemd. Het was geen liedje dat ik eerder hoorde. En dat klopt eigenlijk wel. Mijn gevoel past ook bij geen enkel liedje dat al bestaat. Ik hoorde een nieuw liedje. Het liedje van mij en de taalnazi.

Stelletjes

Stelletjes

Ik vind het niet erg dat stelletjes bestaan. Helemaal niet zelfs. Sommige vrijgezelle mensen hebben wel hekel aan stelletjes en dat vind ik gek. Je moet iedereen in z’n waarde laten, ook stelletjes. Soms zijn stelletjes vervelend. Dat wel. Niet heel vaak natuurlijk en ik hoef er niet een heel opstel over te schrijven, maar ik kan wel wat voorbeelden van geven.

Ik vind het bijvoorbeeld onprettig dat wanneer ik in de bioscoop zit, een stelletje onwijs zit te tongen voor me. Dat hoeft niet van mij. Ik gooi soms popcorn naar dit soort stelletjes en grom een beetje. Mijn bioscooppartner geneert zich dan vaak. Maar ja, ik bedoel. The Wolf of Wallstreet is geen romantische film. Het zoengesmak geeft mijn bioscoopervaring niet echt een extra dimensie of zo.

Wanneer ik bij de McDonalds in de rij sta, irriteren stelletjes mij ook best wel. Er staan dan regelmatig een jongen en een meisje voor me in de rij die een discussie hebben met betrekking tot gedeelde menu’s. Dat konden ze natuurlijk niet eerder doen, toen ze nog niet aan de beurt waren, nee, dat moet als ze voor de kassa staan.
Terwijl ik achter hen sta.
Terwijl ik honger heb.
Terwijl ik alles hoor.
Dat gaat dan zo. Het meisje zegt tegen haar vriendje: “Als je nou het menu neemt en een extra burger, neem jij de burgers en dan eet ik jouw frietjes op. Ik wil er dan alleen een donut bij. Mag ik dan van jouw cola?”
“Maar,” zegt het vriendje, “ik wil geen cola. Ik wil Fanta.”
“Ja maar als je nu cola neemt, dan kan ik meedrinken met jou.”
“Ja maar ik wil Fanta.”
En ik wil een McChicken.

Ik heb ook weleens last van stelletjes in mijn privé kring, tijdens het drinken van een wijntje met twee helften van het stel. We hebben het over gezellige dingen: vakanties, planten, creme brulee, je kent het wel. En ineens is er dan iets gebeurd tussen beiden. Ineens heeft de ene helft van het stel iets gezegd wat de andere helft totaal niet aanstaat. Geen idee wat. Beiden proberen de opkomende ruzie te onderdrukken omdat ik erbij ben. Het is pijnlijk, want geen van tweeën kan nog leuk kletsen. Het is een woede-onderdruk-wedstrijd, waarbij eigenlijk nooit winnaars zijn. Alleen een verliezer. Ik.
Uiteindelijk wordt de spanning doorbroken, dat gebeurt altijd. Degene die als eerst iets onaardigs zegt waar ik bij ben, krijgt gelazer.
“Ik vind dit niet tof van je,” het hoge woord is eruit. Aha. Daar heb je het gelazer.
“Moet je dit nu doen waar zij bij is?” de ander knikt naar mij. “Ze is hier op visite. Ik schaam me kapot. Ik schaam me echt kapot. Dit doe je nu altijd wanneer anderen er zijn.”
Vervolgens ontstaat er een discussie waar ik helemaal niet op zit te wachten, maar ik durf ook niet echt weg te lopen. Eerst moet ik partij trekken, dan weer niet want dat kunnen ze toch niet van mij vragen, dan zeggen ze sorry en dan word er gevloekt. Half snikkend brengt eentje uit: ik had gewoon een leuke avond gewild! En ik wil mijn glas wijn over jullie hoofden leeg gooien. Wel over allebei even veel want ik wil geen partij trekken.

Het stomste stelletje is misschien wel het stelletje dat in de stad loopt en elkaars hand niet wil los laten. Vaak bevinden ze zich aan de verkeerde kant van de weg. Ik als alleenlopende loop wel goed, dus we lopen naar elkaar toe. De stoep is smal. Als we op het punt zijn gekomen waar we voor elkaar staan, laten ze elkaars handen niet los (terwijl zij aan de verkeerde kant lopen!) en ben ik aangewezen op het fietspad. Ik zou omver kunnen worden gereden door een scooter, vanwege zo’n stelletje. Misschien zou ik in het ziekenhuis terecht komen. Een been breken. Dat zou kunnen. Het stelletje zou mijn been kunnen breken!

Dit ‘soms stelletjes stom vinden’ heeft overigens helemaal niks te maken met etalages vol chocoladenharten of met het feit dat ik op 14 februari tegen beter weten in verwachtingsvol mijn brievenbus in tuur (en dat er nooit wat in ligt). Echt niet. Dat ik terwijl ik gisteren boodschappen deed, werd geconfronteerd met Valentijnsdag cherry tomaatjes was ook zeker niet de druppel die de emmer deed overlopen. Nee, ik vond het helemaal niet erg dat ik als alleenlopende niet eens meer een tomaatje kon kopen. Ik ging onmiddellijk door naar de eenpersoonsbloemkool in zak en daar heb ik vrede mee. Beter eenpersoonsbloemkool in zak dan stom zijn. Ik tong niet in de bioscoop, neem een eigen menu bij de McDonald en ik loop los. Zo. Dat wilde ik even zeggen. Fijne Valentijnsdag allemaal.

PS: Mocht iemand mij niet geloven en denken dat dit toch door Valentijnsdag komt, dan kun je mij altijd een Valentijnshart onder de riem sturen om te kijken of het helpt. Mail naar: Achtentwintiger@gmail.com

Zo’n dag

Zo'n dag

De pijn in mijn rug wekt me. Mijn hoofd is zwaar, mijn lijf is moe en dat terwijl ik gisteren op tijd en zonder alcohol ben gaan slapen. Koffie, eerst koffie. Ik loop naar de keuken en schenk water in het koffiezet apparaat, pak de koffiebus en… leeg. Geen koffie. Dit gebeurt mij regelmatig, normaal zet ik dan gewoon thee. Nu klemmen mijn tanden zich op elkaar en in een voor mij zelf onverwachte beweging gooi ik de koffiebus op de grond. Er zat nog een klein beetje in. Dat moet ik dus van mijn houten vloer vegen. Ik kan wel janken en dat vind ik ook weer heel stom. Een afkoeldouche is noodzakelijk.

Met nat haar ga ik aan het werk. Er is veel te doen, maar geen concentratie om het ook daadwerkelijk te doen, want ik word gekweld door twijfels over mijn beroepskeuze. Tekstschrijver, jezus, wat is dat eigenlijk voor beroep? Wat beteken je dan voor de wereld? Had ik geen dokter moeten worden of maatschappelijk werker of weet ik veel, bakker, dan doe je nog iets voor de mens. Ik wil mijn laptop uit het raam gooien, maar besef net op tijd dat ik zonder laptop geen werk heb, zonder werk geen eten en dat ik zonder eten doodga.

Aan het einde van de ochtend heb ik een belafspraak met een potentiële klant. De mevrouw die mij te woord moest staan, blijkt helemaal niet aanwezig te zijn. Ik gooi mijn telefoon uit nijd naar de bank. Mensen hebben geen respect meer. Ik besluit mezelf nuttig te maken door de koffie van de vloer te vegen, maar het gaat allemaal tussen de houten naden van mijn vloer zitten. Nee… dat mag niet… Nee, niet doen koffie… In mijn ogen prikken tranen. Ik slik ze weg. Doe normaal. Ik ga even zitten in het hoekje van mijn keuken en doe mijn handen voor mijn gezicht.

Dan krijg ik een app van een vriendin.
“Het was heel leuk. Echt heel leuk.”
Ze had gisteren eindelijk een afspraak met de jongen die ze al maanden leuk vindt. Ik kan weer janken. Want ik heb niemand en zij had niemand en we hadden altijd samen niemand en nu heeft zij straks iemand en ik heb dan nog steeds niemand. Ik jank nu, maar tik natuurlijk: “Wat leuk. Ik ben echt heel blij voor je!!!”
Ze vraagt hoe het met me gaat. Ik zeg wel oké. Ze vraagt of ik al over die jongen heen ben die een vriendin had. Er was een tijdje een jongen die leuk was. Die luisterde. Die lief was. Die grappig was. Die mij leuk vond, precies zoals ik ben. Maar die ook een vriendin had. Het is nu twee maanden geleden dat ik hem voor het laatst zag en ik was ‘m eigenlijk al vergeten, maar vandaag voel ik dat hij de vader van mijn kinderen zou moeten zijn. Ik app terug dat ik er niet over wil praten. Ze zegt oké. Ik app dat ik niet snap dat de jongens die mij leuk vinden altijd een vriendin hebben en dat ik ze dan ook nog eens leuk terug vind. Ze zegt dat het twee keer is gebeurd en dat ik genoeg mannen afwijs. Ik app echt niet en zeg dat ik een kat ga kopen. Ze appt dat ik de leukste ben. Ik stuur WAAROM BEN IK DAN ALLEEN? Ze appt terug: NEEM EEN WIJNTJE!

Ik bedank de vriendin en schenk een wijntje in, maar voordat ik een slok kan nemen, belt de mevrouw van vanochtend terug. Een blij gevoel overvalt me. Vreugdetranen. Ik ben terug gebeld! We maken een afspraak voor een nieuwe klus die me tijdens het gesprek heel leuk lijkt, maar zodra ik ophang, denk ik: wat een saaie klote klus. Wat een verschrikkelijk leven heb ik. Ik drink twee wijntjes en rook een sigaret. Terwijl ik nooit thuis rook. Terwijl ik alleen rook met drankjes op feestjes.

Dan sleur ik mezelf in trainingsbroek naar de supermarkt. Ik ben zielig, zo zielig, dat ik wel chips en chocola en wine gums als diner mag. Met dit eten op de bank, doe ik niks meer vanavond behalve Bridget Jones kijken: I en II. Ik zie het personage stuntelen en huilen en wijn drinken en denk: dit is mijn leven. Zo ben ik. Maar waar is mijn Mr. Darcy? Wanneer krijg ik mijn perfecte baan? Waar blijft mijn happy end?! Als de films zijn afgelopen, ben ik nog steeds verdrietig. Ik huil een beetje, prop een laatste hand chips in mijn mond en ga slapen. Snikkend.

Als ik de volgende dag wakker word, is de rugpijn weg, maar de dag van gisteren zit nog in mijn hoofd. Ik loop in het donker naar de wc, doe het licht aan en trek mijn pyamabroek naar beneden. Ik kijk in mijn onderbroek. Godzijdank. Gisteren was niet echt. Gisteren waren mijn hormonen.

Doorkijken

Doorkijken

Als je vrijgezel bent, mis je weleens wat.
Je mist het dat iemand lief ‘t haar uit je gezicht aait.
Je mist het dat iemand je hand pakt omdat hij ziet dat je aan iets verdrietigs denkt.
Je mist het dat jij iemands hand pakt omdat je ziet dat hij aan iets verdrietigs denkt.
Je mist het dat iemand zegt; “ga jij eens even op de bank zitten, je bent moe, ik ga iets voor je koken en ik weet precies wat je wilt”.

Soms mis ik dat ook allemaal niet. Maar soms wel. En soms zeg ik het: ik mis zo een iemand. Ik zei het gisteren. Tegen een vriendin die sinds haar eerste schooldag op de middelbare al met haar vriend is. Ze reageerde met: “Je kunt ‘m overal tegen komen,” toen wreef ze hard doch liefdevol met haar hand over de mijne en zei: “echt.” Meer mensen reageren op een dergelijke wijze. Ik heb het gevoel dat deze luisteraars denken dat ik antidepressiva slik om Het Grote Gemis te onderdrukken, terwijl ik dwangmatig verder zoek naar de vader van mijn kinderen. Even voor de duidelijkheid: dat is niet zo. Maar soms wil ik gewoon zeggen dat ik iemand mis. Soms wil ik ook zeggen dat ik niet begrijp wat de groene paprika in het paprika trio doet. Die vindt niemand lekker.

“Je kunt ‘m tegen komen in de Albert Heijn, je bent gek op vlees, misschien staat ie wel bij de vleeswaren. Of in het park, je houdt toch van mannen met honden, misschien moet jij ook een hond nemen en dat je elkaar dan daar ontmoet. Of misschien toch gewoon in de kroeg. Een kroegtijger past wel bij je.” De vriendin gaat – goed bedoeld – door met het benoemen van potentiële ontmoetingsplekken, terwijl ik bedenk dat ik het zat ben dat mensen potentiële ontmoetingsplekken opsommen. En dan, ineens, denk ik aan Timo. Typles Timo.

“Leg je vingers op het toetsenbord. Neem de basisposities in. Linkerwijsvinger op de F linkermiddelvinger op de d, linkerringvinger op de s en de linkerpink op de a. Tik f, f, r. Nog een keer. F, f, r. En doe dat zes keer.”
Ik was veertien en zat na schooltijd op typles. Niet veel ouders die op Zuid woonden, zagen ’t nut in van het kunnen typen met tien vingers, dus er waren weinig kinderen in het informaticalokaal. De coole kinderen zaten niet op typles. Behalve ik dan natuurlijk. Timo zat een paar stoelen rechts van me. Ik vond hem niet knap of stoer. Hij had een bril. Hij had een bril en die schoof hij een paar keer tijdens het typuur omhoog. Hij keek naar me. Ik keek naar hem. En dan voelde ik iets, iets dat ik niet kon beschrijven. Leuk vond ik ‘m niet. Dat kon niet, want hij was niet knap of stoer. We zaten niet bij dezelfde club, we hadden niet dezelfde stijl, we zaten niet in hetzelfde groepje, hij paste niet bij wat voor een soort jongen ik door de gangen wilde wandelen.

“Misschien moet je op een theatervereniging. Een jongen die aan toneel doet, zou ook goed bij je passen,” zegt de vriendin.
“Nee,” zeg ik ineens vastbesloten, “nee, nee, nee. We moeten ophouden met het waar. Ik moet kijken naar wie. Door het oordeel heen. Ik moet doorkijken.”
De vriendin zegt niks.
“Ik ben het dubbele van veertien, maar bekijk mannen nog steeds alsof ik in de pubertijd zit. Past hij bij mijn vrienden? Reageert hij op een zelfde manier op problemen? Vinden we hetzelfde leuk? Lacht hij ook om dat stomme filmpje van Lau en Tiny?
“Tja,” de vriendin lacht, “waarom doe je dat eigenlijk? Je eindigt toch altijd met iemand waarvan je het nooit zou hebben verwacht. Kijk maar naar mij en m’n vent.”
Ze heeft gelijk. Ik ben verbaasd.

Ik moet beter kijken en me laten verrassen. Misschien loopt er wel een vegetariër rond die geen hond maar een kat heeft, die nooit in de kroeg komt, toneel haat maar toch bij me past. Misschien verdienen de Typeles Timo’s van nu een kans. Openstellen dus. Voor nieuwe zienswijzen, andere reacties en nieuwe grappige internetfilmpjes. Al is dat eng. Om kwetsbaar te zijn, om de controle weg te geven. En dan moet ik ook nog eens hopen dat de Timo’s dat ook bij mij kunnen. Want ik pas niet makkelijk in elk plaatje; bij mij is doorkijken ook geen overbodige luxe.

Het leest als een klus. Maar stel je voor dat het lukt; dat doorkijken werkt. Dan kan ik straks niet soms meer iemand missen. Dan zit er straks ineens iemand in mijn huis die lief het haar uit m’n gezicht aait, die mijn hand pakt als hij ziet dat ik verdrietig ben en die weet dat wanneer ik moe ben… hij een spiegelei voor me moet bakken.

Maar, op één gebied zal ik niet doorkijken. Ik doe geen concessies wat de groene paprika betreft. Die moet hij ook uit het paprika trio willen.

Follow my blog with Bloglovin