Ik heb een geheimpje

Ik heb een geheimpje

Ik heb iets voor jullie geheim gehouden. En dat moet ik nu toch maar eens vertellen, dus ik begin bij het begin en dat is altijd ‘het gevoel.’

Ik voel me gejaagd. Ik leef van opdracht naar optreden. Van klusje naar boodschappenlijstje. Van teleurstelling naar droom. Van wat ik gisteren fout heb gedaan naar wat ik morgen goed moet doen. Telkens denk ik: als ik deze tekst af heb, mag ik… Als ik naar mijn tante ben geweest, kan ik… Als ik dit heb opgelost, zal ik… Maar na de puntjes komt er nooit wat. Ja, iets nieuws om me op te jagen. Geen echte ontspanning. Geen echte waardering voor mezelf. Oordelen over mezelf en hoe het beter zou kunnen, die zijn er wel natuurlijk. En tussendoor pieker ik. Piekeren. Het zit in de familie. Het zit in de maatschappij. Het zit in mijn hoofd en nestelt zich in mijn lijf. En dan krijg je schurft blijkbaar. Dan raak je overspannen. Dan zegt je lijf ineens stop. Mijn lijf zei: als je nog zestig jaar met jou door wil gaan, moet er iets gebeuren.

Dus heb ik iets laten gebeuren. Stiekem, terwijl de laatste schurftbultjes (die geen schurftbultjes bleken) aan het verdwijnen waren, heb ik me de pest gezocht naar iets dat mijn gejaagdheid kon doorbreken. Ik zocht zoals ik al eerder zocht en elke keer dacht ik dat het zou helpen. Ik kocht een hardloopoutfit en bestelde een meditatiekussen. Ik deed een antistressworkshop. Ik las het boek ‘Boeddha in zes weken’. En misschien durfde ik het daarom niet met jullie te delen. Alle hulp die ik mezelf eerder bood, heb ik zelf ook weer afgeslagen. Het hardlopen deed ik vier keer en het Boeddha boek heb ik nooit uitgelezen. Een workshop was belangrijker. Televisie was belangrijker. Een opdrachtgever tevreden houden was belangrijker. Wie mijn moeder wilde dat ik was, was belangrijker.

“Mindful zijn betekent van moment tot moment met aandacht aanwezig zijn bij wat er gebeurt in je lichaam en geest, zonder daarover te oordelen.” Dit las ik op het internet over mindfulness nadat ik weer niet had hardgelopen. Ik had er vaker over gehoord, nooit had ik er echt over nagedacht. Maar nu werkten de woorden op me in. “We merken nauwelijks dat we ons steeds voeden met gedachten en oordelen over onszelf en anderen. Met mindfulness leer je met zorgzame aandacht om te gaan met fysieke spanning, emoties en gedachten. Het geeft je de mogelijkheid om uit oude gewoontes te stappen, vriendelijker naar jezelf en je omgeving te kijken en een keuzevrijheid te ontwikkelen in hoe je omgaat met wat je tegenkomt.”

Het leek me fantastisch. Onmiddellijk drukte ik op ‘inschrijven training’. Dit is dus mijn kleine geheim: ik heb vorige week een training mindfulness afgerond. Acht weken lang bestudeerde ik mindfulness, deed ik schrijfoefeningen over wat mij blij, verdrietig en boos maakte. Ik luisterde naar de mindfulnessjuf en elke dag oefende ik een uur met het zijn in aandacht. Dat betekent dat ik elke dag een uur meditatie oefeningen deed (hoera, het kussen is terug!). En hoewel ik eerst dacht ‘ja jezus een heel uur van mijn dag pleite?!’, heeft het me meer lucht gegeven. Ik zal niet de hele training beschrijven, maar ik wil het toch een beetje delen, omdat ik nu ook iets anders naar het leven kijk.

Ik leef meer in het hier en nu en elke hier en nu is nieuw. Elke dag is een nieuwe. Het is fijn om te voelen dat ik niet de fouten ben die ik maakte in het verleden of de dromen die ik ga vervullen in de toekomst. Nu is altijd anders. Zeker als je er met aandacht naar kijkt en dat doe ik nu (meer). Het leven overkomt me niet de hele tijd. Met aandacht hang ik de was op, waardoor het geen rotklus is die moet afraffelen maar gewoon een karweitje. Een drukke dag wordt minder hectisch simpelweg omdat de dag niet een groot monster is maar wat momenten die ik met aandacht doorloop. En, mijn lievelings… mildheid. Wat ben ik toch altijd streng voor mezelf (geweest). Wat doe ik het toch altijd verkeerd of op z’n minst niet goed. Wat belemmer ik mezelf toch in het genieten van het leven, het schrijven, van vrienden. Ik ben milder voor mezelf. Als ik toch weer eens kut doe tegen mij, zit er een soort van lieve, dikkige grootmoeder in me die me in gedachten over mijn bol aait. “Gut kind, doe eens even rustig. Je bent goed genoeg.” Dan glimlach ik en denk ik sjonge, wat ben ik dankbaar dat mijn lijf besloot dat het anders moest.

PS. Ik ben nu niet ineens een soort van Boeddha geworden die overal mediteert en alles zen inziet. Ik haat ook gewoon soms nog mensen en heb net een hele zak pepernoten leeggevreten.

Meisjes

Meisjes

Het is vrijdagavond en mijn eettafel staat vol. Met tequila biertjes, nagellak, bolognese chips, wimperkrullers, veertien verschillende soorten oorbellen, make-up doekjes, thee en meer. Veel meer om op te noemen want ik heb een meisjesavond. Een avond met meisjes van in de dertig. Vandaag ben ik met mijn 29 jaar zelfs de jongste, al was ik de enige die bij het bier halen mijn identiteitsbewijs niet hoefde te laten zien.

Een van de mooiste kenmerken van vrouwen en hun avonden, is dat alles door elkaar wordt vertelt en dat iedereen in de kamer – lees: met een vagina – het begrijpt.
“Wat heb jij een mooie wimperkruller.”
“Je moet wel nagellak op hoor.”
“Ik wil nog een biertje.”
“Gewoon bij het Kruidvat.”
“Volgens mij zijn deze glitters teveel.”
“Is er nog bier?”
“Godver kijk dit nou.”
“Is dit too much?”
“Burp. Waar is het bier.”

Meisjes zijn meisjes die zich soms gedragen als jongens. Dat vind ik leuk aan ons. Maar op sommige avonden, zonder piemels; zijn we anders. Dan zijn we Een En Al Vrouw. Niet te verwarren met Een En Al Gezeik. Het begint als je vijftien bent en je voor het eerst naar de kroeg gaat. Opmaken. Praten. Breezers. Nog meer praten. Nagels doen. En daarna naar de Skihut, althans daar ging ik heen op mijn vijftiende met mijn meisjes. Als prachtige wezens dansten we vrolijk om onze berg tasjes heen. Waarom dat precies was, weet ik niet.

Pas als je ouder bent, merk je dat dit soort rituelen zich sporadisch ontvouwen. De meisjesavond is een avond waarin wij ons vormen. Hier bespreken we de angst van het niet-genoeg-zijn. Of het niet durven luisteren naar ons onderbuikgevoel op het werk. Hier spreken we uit dat we geen moeder willen worden. En leggen we de angst bloot die we hebben om het moederschap te missen als we echt besluiten niet te baren. Dit doen we tijdens het aanbrengen van foundation en het lakken van onze nagels. Deze handelingen dragen de woorden, ze zijn net zo belangrijk als het gesprek zelf.

Terwijl we deze vrijdag onze jassen aandoen om naar een nieuw feestje te gaan in een club die we niet kennen, roept een van mijn vriendinnen: “ja hallo. We nemen toch wel een BVO’tje mee?” Er wordt gelachen. Even vijftien. Het biertje voor onderweg gaat in onze tasjes. Het is een kwartier lopen. De kou is te koud voor onze benen in panty’s, maar onze lippen glanzen. Terwijl onze gympen grote stappen maken, denk ik aan volgend jaar. Heb ik dan nog meisjesavonden? Ja. Het jaar erop? Ja. Het jaar daarop? Ja.

We lopen in duo’s. Arm in arm, vlak achter elkaar. Af en toe wordt er wat geroepen. “Doordrinken!” of “Zijn we er al man?” Later zit in mijn hoofd. Wat gebeurt er als zij kinderen krijgen, ik geen moeder word, wat gebeurt er als ik wel moeder word of wij allemaal besluiten kinderloos te blijven? Verdwijnen de meisjesavonden met de komst van gezinnen of met de komst van een leeftijd waarop we niet meer naar feestjes mogen; wanneer dat dan moge zijn. In mijn hoofd is dat zo ongeveer veertig, maar ja, dat is makkelijk praten als je nog niet eens dertig bent. Ik knijp in de arm van de vriendin die mijn arm vast houdt. Ze is de oudste, 32 jaar.

Het feestje blijkt een Oud & Nieuw feestje te zijn, gewoon in november. Er lopen mensen rond van 18 jaar, maar ook van 38 en misschien nog wel ouder (of misschien zag de drank dat). Mannen en vrouwen dragen glitterjasjes en ik heb spijt dat ik mijn truitje met gouden pailletten niet aan heb. Er worden oliebollen uitgedeeld en mijn hoofd zit onder poedersuiker. Om 12.22 uur wordt er afgeteld van 10 naar 0. Iedereen wenst elkaar een gelukkig nieuwjaar.

Wanneer onze champagne op is, haal ik biertjes voor de meisjes en mij. Als ik met mijn dienblad van de bar wegloop, zie ik vier vrouwen. Zij zijn als wij, alleen 15 jaar ouder. Oubolliger haar, slechter opgemaakt, lievere kleren, maar dezelfde lach. Ze mogen nog op feestjes. Ze dansen rondjes en zwaaien met hun armen. Als ik goed kijk, zie ik dat ze rondjes lopen om hun tassen. Vrolijk dansen ze er omheen.

Lief meisje

Lief meisje

Lief meisje,

Op het moment dat ik dit schrijf, ben je er nog niet. Je papa is er ook nog niet. Sterker nog, ik weet niet eens of ik je krijg. Ik denk weleens aan je. Aan hoe je haartjes zullen ruiken als ik je voor het eerst vast heb en hoe je dan al kunt fronzen, net als je moeder. Ik zie je voor me met nat haar plat op je hoofd en een doorweekte jurk, trots wapperend met je diploma voor het reddingszwemmen. Poetsend en kokhalzend zit ik op de badkamervloer, omdat jij bij je eerste buikgriep niet wist dat je ook een teiltje mee moest nemen naar de wc. Ik denk aan hoe we samen de pil halen voor je acne, terwijl je ‘m eigenlijk wil hebben omdat je een vriendje hebt. En we allebei doen alsof ik dat niet weet. Ik denk ook aan het moment dat je beslist dat mama niet alles weet. Want dat moment komt. En dan, op dat laatste moment, geef ik je deze brief.

Want mama weet niet alles, maar veel weet ze wel. Zo weet ik dat jij je eigen fouten moet maken, want dat moest ik ook. Maar nu ik achtentwintig ben, wilde ik stiekem dat ik het advies van mijn ouders vaker ter harte had genomen, zodat ik wat minder hard was gevallen soms. Dus hierbij vertel ik alles wat je moet weten, als een kussen voor de val. Maar wel per brief, zodat je net kunt doen of je die wijsheid niet van je moeder hebt gekregen.

Ik zeg het niet omdat ik je moeder ben, maar gewoon omdat het zo is: je bent mooi. Je wilt vast steil haar als je krullen hebt en krullen als het steil is en je hebt ook zeker gehoord dat je net iets te dik bent of misschien te dun. Dat is allemaal onzin. Ik hoop dat ik vaak genoeg heb gezegd dat je mooi bent, maar niet zo vaak dat je het niet meer gelooft. Je bent precies zoals je moet zijn.

Ik heb je opgevoed om hard te werken. Om te gaan voor het beste en te vechten voor wat je wilt. Maar vecht niet te hard; niet tegen anderen, maar vooral niet tegen jezelf. En als je toch tegen jezelf aan het vechten bent (want dat zal je doen, je bent immers een kind van je moeder), sla dan niet te hard. Ik weet dat je alles meteen nu wilt of liever gisteren nog, maar geloof me, sommige dingen kosten tijd. Sommige banen moet je hebben overleefd om de juiste te vinden, sommige vriendjes (of vriendinnetjes) moet je gehad hebben om iemand te vinden zoals ik papa vond. In tegenstelling tot wat mensen zeggen, heelt tijd niet alle wonden, maar tijd laat wel alles groeien.

Omdat je wilt dat dingen sneller gaan dan het leven ze laat gebeuren, zal je beslissingen forceren. Doe dat, maar doe het bewust. Vraag advies aan anderen, neem het mee, maar maak uiteindelijk je eigen beslissing. Of je nu van studie wil wisselen of twijfelt over een lange reis of je verkering; doe je ogen dicht, haal diep adem en leg je handen op je buik. Je voelt wat het juiste besluit. Vertrouw erop. En anders mag je altijd weer thuis komen wonen.

Je moeder beoefent een creatief vak, misschien ambieer jij dat ook. Als dat zo is, wil ik dat je niet vergeet te falen. Alleen zo word je beter. Lange tijd was ik bang om niet goed genoeg te zijn en maakte ik liever niks dan dat ik mislukte. Maar uiteindelijk heb je dan ook niks. En dat schiet niet op. Onthoud: je bent echt zo goed als je droomt dat je bent, alleen moet je talent daar nog naartoe groeien. Dus. Maak. Faal. Rouw. Sta op. En vertrouw. Er is iets waarin jij heel goed zult zijn. Misschien wel de beste.

De liefde. Op het moment dat ik dit aan jou schrijf, weet ik er weinig van. Wat ik wel weet, is dat liefde ingewikkeld is en dat hoort zo. Zeker voor temperamentvolle vrouwen zoals ik en jij (denk ik) zijn. Mensen die zeggen: ‘als je het weet, dan weet je het en dan is het niet ingewikkeld,’ zijn gek. En je mag zeggen dat ik dat gezegd heb. Liefde kan altijd ingewikkeld zijn, ook met de juiste. Geef daarom ieder mens, iedere relatie; ruimte. Blijf in dat proces wel bij jezelf: vraag je af wat jíj voelt, ook in het spel dat liefde is. Dat spel is soms leuk, soms niet (mocht je ooit spelregels tegen komen, geef ze door aan mama). Wil je het spel spelen, speel dan, als je niet wilt spelen, doe het niet. Wat er ook gebeurt, volg je hart en heb geen spijt. Ik heb één jongen waar ik verliefd op was, nooit over mijn liefde voor hem verteld. Tot op de dag dat ik papa ontmoette, heb ik daar spijt van gehad. Ik wil niet dat je spijt hebt. Een verloren liefde is beter dan een nooit geprobeerde liefde.

Zoals je nu onderhand wel weet, heb ik een grotere mond dan goed voor me is. Althans, dat vinden mensen (waaronder papa soms vermoed ik). Maar die grote mond hoort bij mij, net zoals iets anders vreemds jou zal kenmerken. Verstop dat niet, maar wees oprecht. Mensen die ertoe doen, zullen van je houden als je oprecht bent, ook als er wat gekke randjes aan je zitten. Jij houdt van jou als je oprecht bent.

Kusjes

Mama

PS: Wil je niet zoveel WC papier gebruiken. Dat kost geld, weetjewel.

2013

2013

Het is 31 december. Met een kopje koffie en de lampjes van mijn kerstboom als verlichting, schrijf ik dit laatste stuk van het jaar. Het was een jaar dat voor mij eigenlijk pas begon in mei.

In de maanden ervoor kreeg ik bijna geen opdrachten meer als journalistiek tekstschrijver en workshopbegeleider. Ik zat ’s ochtends met koffie op de bank – zonder kerstlampjes – en had niks te doen. Of in ieder geval, te weinig. Ineens moest ik eten kopen bij de Aldi, ineens zei ik: ‘nee, ik kan niet mee uit, ik heb geen geld’ en ineens was er een loopbaantechnische overpeinzing die overdacht moest worden. Werkloosheid bleek creativiteit te genereren. Want nu had ik ook ineens tijd om datgene te doen waarvan ik altijd riep dat ik het zou doen als ik er tijd voor had. Schrijven.

Ik deed het en vond het schrijven fijn, zo fijn dat ik boos werd. Op mezelf. Jarenlang was ik een zolderkamerschrijver geweest. Met gordijnen dicht, gniffelen om eigen grapjes of mijn pen uit het raam gooiend als ik ontevreden was. Niemand had mijn materiaal mogen lezen. Hoe kun je dan verwachten dat er iets gebeurt? Dat moest afgelopen zijn: het is nu of nooit. “Oké, schrijvertje,” zei ik tegen mezelf, “wil je een schrijver zijn? Wees er dan een. Elke week publiceer je een kort verhaal. Als je het volhoudt, ben je een schrijver. Doe het dan.” En zo begon ik Achtentwintiger in mei. En zo begon voor mij 2013 pas in mei.

Toen ik vol overgave ging schrijven, merkte ik ook pas dat ik het echt wilde. Dus ik schreef me de pest, aan korte verhalen voor Achtentwintiger, maar ik ben ook aan een roman begonnen. Hoe en of hij er komt, dat weet ik niet, maar de energie die ik erin steek, is aanstekelijk. Schrijven doet schrijven. Opdrachten aannemen om te overleven, doet niet schrijven. En dat is een onbetaalbaar besef, waar ik best nog wel een jaartje voor bij de Aldi wil winkelen.

Het afgelopen half jaar hebben jullie mij gelezen en ik kan je vertellen, dat doet ook schrijven. Reacties als: ‘WAAR BLIJFT JE BLOG?’ of ‘Ik zit te wachten…’ of ‘Heb ik je verhaal nou per ongeluk gemist deze week?’ houden me scherp en zorgen ervoor dat ik probeer om elke week iets af te leveren. Dit is het achtentwintigste verhaal. Mooi. Tijd om de balans op te maken. En omdat het toch Oud & Nieuw is, doe ik dat natuurlijk met een lijstje. Twee lijstjes.

Dit zijn de verhalen die jullie het meest raakten (of nou ja, die in ieder geval het meest bekeken zijn).

1. Tanja
2. Een koelkast vol met passie
3. Gewoon een vrouw zijn

En dan waren er ook verhalen die mij het meest raakten. Dat zijn deze:

1. Loslaten
2. Klontborsten I
3. Vies grietje

Het wordt alweer iets lichter buiten, tijd om te reflecteren voordat ik oliebollen haal. “Oke, schrijvertje, wil je een schrijver zijn? Bewijs het dan,” is wat ik zei. Het is me gelukt. Ik heb (bijna) elke week iets geschreven. Maar wat ik was vergeten, is dat publiceren alleen je nog geen schrijver maakt. Lezers maken je een schrijver. Dus nu… nu kan ik het hardop zeggen. Of in ieder geval typen. Ik ben een schrijver.

Zo’n dag

Zo'n dag

De pijn in mijn rug wekt me. Mijn hoofd is zwaar, mijn lijf is moe en dat terwijl ik gisteren op tijd en zonder alcohol ben gaan slapen. Koffie, eerst koffie. Ik loop naar de keuken en schenk water in het koffiezet apparaat, pak de koffiebus en… leeg. Geen koffie. Dit gebeurt mij regelmatig, normaal zet ik dan gewoon thee. Nu klemmen mijn tanden zich op elkaar en in een voor mij zelf onverwachte beweging gooi ik de koffiebus op de grond. Er zat nog een klein beetje in. Dat moet ik dus van mijn houten vloer vegen. Ik kan wel janken en dat vind ik ook weer heel stom. Een afkoeldouche is noodzakelijk.

Met nat haar ga ik aan het werk. Er is veel te doen, maar geen concentratie om het ook daadwerkelijk te doen, want ik word gekweld door twijfels over mijn beroepskeuze. Tekstschrijver, jezus, wat is dat eigenlijk voor beroep? Wat beteken je dan voor de wereld? Had ik geen dokter moeten worden of maatschappelijk werker of weet ik veel, bakker, dan doe je nog iets voor de mens. Ik wil mijn laptop uit het raam gooien, maar besef net op tijd dat ik zonder laptop geen werk heb, zonder werk geen eten en dat ik zonder eten doodga.

Aan het einde van de ochtend heb ik een belafspraak met een potentiële klant. De mevrouw die mij te woord moest staan, blijkt helemaal niet aanwezig te zijn. Ik gooi mijn telefoon uit nijd naar de bank. Mensen hebben geen respect meer. Ik besluit mezelf nuttig te maken door de koffie van de vloer te vegen, maar het gaat allemaal tussen de houten naden van mijn vloer zitten. Nee… dat mag niet… Nee, niet doen koffie… In mijn ogen prikken tranen. Ik slik ze weg. Doe normaal. Ik ga even zitten in het hoekje van mijn keuken en doe mijn handen voor mijn gezicht.

Dan krijg ik een app van een vriendin.
“Het was heel leuk. Echt heel leuk.”
Ze had gisteren eindelijk een afspraak met de jongen die ze al maanden leuk vindt. Ik kan weer janken. Want ik heb niemand en zij had niemand en we hadden altijd samen niemand en nu heeft zij straks iemand en ik heb dan nog steeds niemand. Ik jank nu, maar tik natuurlijk: “Wat leuk. Ik ben echt heel blij voor je!!!”
Ze vraagt hoe het met me gaat. Ik zeg wel oké. Ze vraagt of ik al over die jongen heen ben die een vriendin had. Er was een tijdje een jongen die leuk was. Die luisterde. Die lief was. Die grappig was. Die mij leuk vond, precies zoals ik ben. Maar die ook een vriendin had. Het is nu twee maanden geleden dat ik hem voor het laatst zag en ik was ‘m eigenlijk al vergeten, maar vandaag voel ik dat hij de vader van mijn kinderen zou moeten zijn. Ik app terug dat ik er niet over wil praten. Ze zegt oké. Ik app dat ik niet snap dat de jongens die mij leuk vinden altijd een vriendin hebben en dat ik ze dan ook nog eens leuk terug vind. Ze zegt dat het twee keer is gebeurd en dat ik genoeg mannen afwijs. Ik app echt niet en zeg dat ik een kat ga kopen. Ze appt dat ik de leukste ben. Ik stuur WAAROM BEN IK DAN ALLEEN? Ze appt terug: NEEM EEN WIJNTJE!

Ik bedank de vriendin en schenk een wijntje in, maar voordat ik een slok kan nemen, belt de mevrouw van vanochtend terug. Een blij gevoel overvalt me. Vreugdetranen. Ik ben terug gebeld! We maken een afspraak voor een nieuwe klus die me tijdens het gesprek heel leuk lijkt, maar zodra ik ophang, denk ik: wat een saaie klote klus. Wat een verschrikkelijk leven heb ik. Ik drink twee wijntjes en rook een sigaret. Terwijl ik nooit thuis rook. Terwijl ik alleen rook met drankjes op feestjes.

Dan sleur ik mezelf in trainingsbroek naar de supermarkt. Ik ben zielig, zo zielig, dat ik wel chips en chocola en wine gums als diner mag. Met dit eten op de bank, doe ik niks meer vanavond behalve Bridget Jones kijken: I en II. Ik zie het personage stuntelen en huilen en wijn drinken en denk: dit is mijn leven. Zo ben ik. Maar waar is mijn Mr. Darcy? Wanneer krijg ik mijn perfecte baan? Waar blijft mijn happy end?! Als de films zijn afgelopen, ben ik nog steeds verdrietig. Ik huil een beetje, prop een laatste hand chips in mijn mond en ga slapen. Snikkend.

Als ik de volgende dag wakker word, is de rugpijn weg, maar de dag van gisteren zit nog in mijn hoofd. Ik loop in het donker naar de wc, doe het licht aan en trek mijn pyamabroek naar beneden. Ik kijk in mijn onderbroek. Godzijdank. Gisteren was niet echt. Gisteren waren mijn hormonen.

Een koelkast vol met passie

De Zelfstandige Zonder Personeel

Met een rood wijntje (want het is herfst) zat ik zaterdagavond op een stoel in de huiskamer van een goede vriendin. We vierden haar verjaardag met de gebruikelijke club mensen en één nieuwe vriendin. Het meisje dat mij nog onbekend is, schat ik rond de dertig. Ze heeft haar blonde haar in een staart en loopt met snelle, kleine stappen mijn kant op.
“Hé, hallo, ik ben Claudia,” ze geeft me een hand, “ik hoorde dat jij voor jezelf werkt. Gaaf. Ik zit daar ook over na te denken.”
“Ja, dat klopt,” zeg ik. “Sinds augustus 2010 ben ik zelfstandig tekstschrijver, journalist en geef ik journalistieke workshops.”
“Dus dat werkt wel. Fijn. In deze tijden.”
“Tja,” een ongemakkelijk lachje ontglipt me, “het werkt niet altijd hoor.”
“Nou ja, je doet wel lekker wat je zelf wilt toch?”
Ik knik en vraag me af waarom – als dat zo fijn is – we dan ook niet met z’n allen vrijgezel zijn.
“En je kunt je eigen tijd indelen,” haar hoofd gaat enthousiast op en neer.
Ik glimlach en vertel haar niet dat ik geen pensioen opbouw.
“Lijkt mij te gek hoor, voor jezelf werken.”
Ik neem een slok wijn en vertel haar ook niet dat ik niet ziek kan zijn, omdat ik dan geen geld verdien. Ik vertel haar ook niet dat vakanties mij twee keer zoveel geld kosten als een ander. Dat is niet gezellig en we zitten immers op een verjaardag.
“Hoe ziet zo’n dag er nou eigenlijk uit voor een ZZP’er?” vraagt ze.
Er zijn twee versies die ik Claudia kan vertellen. Ik gooi wat borrelnoten achterover en bedenk hoe ik zal klinken.

Versie 1
“Nou, mijn wekker gaat om zeven uur, maar om tien voor zeven ben ik al wakker omdat ik de avond ervoor zowat met mijn werk onder m’n kussen ben gaan slapen. Zo druk heb ik het. Ik loop in één ruk naar de koelkast, trek ‘m open en zie jus d’orange, ham, kaas, tomaten, komkommer, geitenkaas, sla en Healthy People sap. Die zocht ik: ik gooi wat van het paarse sap naar binnen en hup, binnen twee minuten zit ik achter mijn laptop. Het interview met een stadsmarinier van een Rotterdamse probleemwijk uit te werken. Dat doe ik op dit soort dagen op pure ochtendadrenaline. Komt geen koffie aan te pas. Om half tien eet ik een bakje met yoghurt terwijl ik het interview terug luister dat ik vorige week voor een onderwijsnieuwsbrief had met twee kleuterjuffen. Ik tik dan meteen mee he. Twee uur later ben ik nog niet echt tevreden, maar ik heb geen tijd meer, want ik moet nog eten en de foto’s bewerken van de reportage die ik afgelopen weekend maakte. En dan is het ineens drie uur. Shit, denk ik dan. Ik pak m’n tas, gooi er nog net wat werkbladen in, neem een appel mee en stap op de fiets. Voor een grote basisschool stop ik, vandaag geef ik fotografieles aan een groepje kinderen uit groep 4. Ze zitten al klaar.
“Juf, u bent te laat!”
“Chips,” zeg ik, “Sorry!”
“We weten heus wel dat chips shit betekent, juf, u mag ook geen chips zeggen.”
Ik leer de kinderen wat een close-up is, een medium shot en een long shot. Thuis bewerk ik onmiddellijk hun foto’s, zodat ze na het eten met hun ouders kunnen zien wat ze gedaan hebben. Ik eet. Broccoli met vis en gekookte aardappels. Ik moet gezond eten want de week gaat in dit tempo door. Om half acht ga ik mijn bed in met m’n laptop, want ik moet nog teksten schrijven voor een natuurwebsite, over de Bever en Embryonale duinen. Tegen twaalven ga ik slapen.”

Of. Ik vertel haar versie 2. Die ongeveer net zo vaak voorkomt als versie 1.

Versie 2
“Tja. Er zijn dagen dat het niet nodig is dat mijn wekker afgaat. Rond elven kom ik er eruit en ik heb dan nog een beetje een kater van het bier dat ik gisteren dronk, maar eigenlijk niet kon betalen. Het licht doet pijn aan mijn ogen en het feit dat ik niks hoef te doen aan mijn hoofd. Op dit soort dagen is mijn koelkast gek genoeg gevuld met dingen waar ik niks aan heb: karnemelk, een pot augurken en een limoen. Ik drink een glas water, haal een boterham uit de vriezer en smeer er appelstroop op omdat de naam appelstroop erop duidt dat er iets appelachtigs in zit en appels zijn gezond. Dan zet ik koffie en kijk een aflevering van Homeland. Daarna check ik mijn mail, iets van Zalando, dus ik klik door naar de nieuwe herfstcollectie. Niet veel bijzonders. Ik kijk nog een aflevering van Homeland en eet twee boterhammen met appelstroop. Daarna lees ik een paar hoofdstukken uit Ventoux, mijn nieuwste lievelingsboek, kijk nog een aflevering Homeland en ik eet noodlesoep als avondeten. Een vriend belt.
“Wat ben je aan het doen?”
“Dat kan ik niet zeggen.”
“Waarom niet?”
“Vanwege de Nationale Veiligheid van dit land.”
Ik merk dat ik teveel naar Homeland heb gekeken en besluit vroeg te gaan slapen.”

In mijn hoofd klinken beide dagen niet als stimulerende succesverhalen, maar de borrelnoten zijn inmiddels doorgeslikt en Claudia zegt met ondernemende ogen terecht: “Nou?”
“Weet je wat het is,” zeg ik, “ik kan jou wel vertellen hoe mijn dagen zijn, maar die zijn zo verschillend, dan zitten we hier morgen nog.”
De ogen van Claudia kijken niet meer zo ondernemend.
“Ik heb een passie,” ik probeer haar op te vrolijken. “En dat is schrijven. Ik schrijf het liefst eigen verhalen, gebaseerd op mensen of gebeurtenissen die ik zelf zag of bedacht. Al schrijvende maak ik het alledaagse bijzonder, met mooie zinnen en gekke grapjes. Dat is te gek. Echt.”
“En daar verdien je je geld mee?”
“Nog niet,” zeg ik. “Maar ik hoop ooit van wel. En ondertussen heb ik voldoende werk en verdien ik genoeg geld om rond te komen. Maar de ruimte die ik ernaast heb voor mijn passie, die is onbetaalbaar.”
“Goh,” Claudia zucht.
“Wat is er?”
“Ik wil ook een passie.”

De woorden die nu naar boven komen, slik ik door. Want wat kan ik zeggen. In plaats van woorden, geef ik haar een handje borrelnootjes. Ze kijkt beteuterd en dat snap ik. Ze wil een passie. Velen willen dat. Ik bouw geen pensioen op, ik kan niet ziek worden, ben bij vlagen straatarm, kom soms om in het werk en soms kijk ik een hele dag Homeland, maar ik heb wel een koelkast vol met passie. En karnemelk, limoen en augurk. Tegenwoordig heb ik zelfs een passie waar ook anderen wat om geven. Waarvoor dank.