Zussen

Zussen

Op een grindpad ergens op een camping in Brabant liepen vijfentwintig jaar geleden twee meisjes. De ene was vier jaar, de ander negen. Die van vier had twee vlechtjes in haar haren en sleepte een geel eendje achter zich aan. Het meisje van negen had bruine knieën van het spelen in het bos en sleepte haar zusje achter haar aan. Deze grote zus liet geregeld haar vriendjes bij hun boomhut achter zodat ze die kleine even kon op zoeken. Om te kijken of alles nog goed was. Het was altijd goed, maar misschien kwam dat omdat de grote zus altijd op tijd kwam kijken. De zon stond laag terwijl ze doorstapten. De geur van moeders pannenkoeken kwam hen tegemoet. Het kleine meisje keek naar het grote meisje en hoopte dat het voor altijd zo zou blijven.

De grote zus is vandaag 35 jaar geworden en ondanks dat de zon een stuk minder fel schijnt dan toen op de camping, viert ze het buiten. Met jassen aan zitten de verjaardagsgasten in de tuin. Drinkend, lachend. Mijn grote zus houdt nog steeds van buiten zijn. Ze stookt het vuurtje op in de tuinkachel. Ik kijk naar haar terwijl ik slokjes van mijn wijn drink. Ik kijk naar haar haren, die net tot op haar schouders hangen. Auberginekleurig. Toen we naar de caravan liepen, waren haar haren bruin en had de kapper een pony geknipt. Haar haren hebben ook in een kuif gezeten. Daarna zijn ze met gel besmeurd en in een rode zakdoek gepropt. Haar kapsel is zwart geweest en rood en het is tot huilens toe weleens door een slechte thuiskapper verknipt. Ik was er om te zeggen dat haar kapsel leuk zat of dat het heus wel meeviel. En dat deed ze ook terug. Na een mislukte blondeerpoging riep ze ooit lachend tegen me: “Je lijkt Geert Wilders wel!” Daarna ging ik ook huilen en nam ze me mee naar de kapper.

Kapsels veranderen. Kleding verandert. Eetgewoonten veranderen. Aardappels veranderen in quinoa. Kinderen worden volwassenen. Ouders veranderen in mensen. Mensen worden moeders. Niks blijft zoals het is. Behalve mijn zus. Die werd volwassen, partner, moeder maar bleef voor mij altijd precies wat ze was. Mijn zus. En dat is iets om dankbaar voor te zijn.

Bedankt dus zus, dat je op de camping de grote jongen een blauw oog sloeg die naar mij stenen had gegooid. Bedankt voor rugtekenen voor het slapen gaan. Bedankt voor het wegaaien van mijn buikkrampen toen ik voor het eerst ongesteld werd. Bedankt dat ik met jou mee uit mocht naar de Skihut, terwijl je me eigenlijk te jong vond. Bedankt dat ik bij je mocht huilen, terwijl jij ook verdrietig was om de scheiding. Bedankt dat je bij elk vriendje zei dat ik het wel echt met condoom moest doen. Bedankt dat je vertrouwen in me hebt. Bedankt dat je komt kijken als ik moet optreden. Bedankt dat je me kent. Bedankt dat je zegt dat ik moet doorbijten als er iemand de moeite waard is om lief te hebben. Bedankt dat je me accepteert. Bedankt dat ik mee mag op vakanties van jou en je gezin. Bedankt dat ik bij jou mag horen.

Mijn zus is veranderd. Van een stoere meid van negen jaar veranderde ze in een puber, in een drammer, in een lieverd, in een harde werker, in een oermoeder, zorgzame partner en nu is ze dat allemaal in één. Een vrouw van 35 jaar. Het vuurtje brandt, dus ze loopt de keuken in. Haar werk is nooit af. Ze komt terug met brood en kaasjes en seint met haar ogen dat ik een rondje drank moet doen. Ik doe het. Als haar dochtertje van bijna drie aan haar been hangt, zet ze de muziek aan. Die wil dansen. Ze danst met haar kleine zoals ze ook danste met mij toen we klein waren. Samen waren we klein. Er zijn herinneringen die alleen wij delen. Zij is de enige die ook weet hoe mijn moeders pannenkoeken vroeger roken, hoe zacht ons eerste hondje aanvoelde en met haar ogen dicht is zij de enige in de hele wereld die in een warme auto ook Celine Dion Destin in haar hoofd hoort zingen.

Ze is mijn enige link naar ons verleden, maar ook de enige constante factor in de toekomst. Ze zal er zijn als ik failliet ga, of als ik debuteer. Ze zal er zijn als de liefde me gelukkig maakt en ze zal me troosten als de liefde bij me weggaat. Ze zal er zijn om mee te lachen en om me bij te verstoppen. Dat mag ze ook bij mij. We zullen op elkaars kinderen passen en samen op vakantie gaan. We zullen eten en drinken en lijnen als het moet. We zullen verdriet delen als onze ouders sterven en als enigen herinneren hoe zij onze ouders waren. We zullen klagen over de overgang en ons afvragen waarom we nog steeds te weinig tijd hebben, ook al zijn we met pensioen. Ze zal altijd trots op me blijven. En ik op haar. Alles verandert, maar dat niet. Ik zal altijd naar haar kijken zoals die kleine naar die grote keek op de camping vijfentwintig jaar geleden.

We worden oud, zus. Maar gelukkig doen we het samen.

One Night Stand

One Night Stand

Het was tegen acht uur ’s avonds dat hij en ik elkaar ontmoetten in het park vlakbij mijn huis. Er zaten mensen om ons heen die elkaar vaker hadden gezien, maar ik keek in een paar ogen die ik vorige week voor het eerst zag tussen veel ogen van anderen. Hij had wodka en spa rood meegebracht, omdat hij van de facebookgesprekken die na vorige week volgden, had onthouden dat ik dat het liefste drink. Ik had rode wijn mee, omdat ik had onthouden dat hij het grappig vindt dat ‘ie daar paarse lippen van krijgt.

Het leuke van alleen zijn is dat je telkens weer een nieuw iemand ontdekt met wie je samen wilt zijn. Misschien voor een uur of misschien niet eens voor een uur. Misschien voor een avond, een nacht, voor een maand. Misschien voor een half jaar en ooit misschien voor langer. Het leuke van alleen zijn is ook dat je de interesse die je hebt in nieuwe mensen, tentoon mag spreiden. Ongegeneerd. Proberen, kijken, porren, lachen, dansen, praten.

Het proberen gebeurt in afspraakjes. De ene jongen is leuk, de ander geen reet aan en een enkele keer ontmoet je iemand die boven het maaiveld der afspraakjes uitsteekt. Deze jongen deed dat. Ik wist niet of het iets zou zijn voor een uur, een maand of langer en ik hoefde dat niet te weten. Ik was benieuwd. Hij had iets speels, ontwijkends en confronterend tegelijk. Het was een jongen wiens gedachtenpatroon ik niet kon ontrafelen. Wiens geur ik nooit eerder had geroken. Terwijl de drank vloeide en we praatten, echt praatten, over doodgaan en daten, dacht ik aan het feit dat mijn lippen nooit zijn lijf hadden gekust.

De temperatuur daalde. Langzaam verdwenen de mensen die elkaar vaker hadden gezien. Picknickkleedjes werden opgeborgen, voetballen in tassen gedaan. Als je elkaar vaak ziet, heb je minder te bepraten. Lege flessen wijn verdwenen in de prullenbak en ik deed mijn vestje aan. Wij praatten nog steeds. Het werd later. Het werd het tijdstip waarop zwervers op bankjes gingen slapen. Ik haalde een trui uit mijn tas, vroeg of hij het niet koud had. “Nee,” zei hij en ik kon niet zien of hij het echt niet koud had of dat hij het aan mij niet toe wilde geven.

De wijn was op. De wodka niet, maar onze lippen waren paars en onze hoofden beneveld. We liepen naar huis. Hij pakte mijn hand niet, maar onze zinnen verstrengelden zich des te meer. Ik weet niet of het hele slimme zinnen waren, of dat het dronkenmanspraat was. Nog steeds wist ik niet wat ik wilde van de jongen met het ongekuste lijf die het niet koud had. Hij woonde niet in de buurt, kon hij nog naar huis? Zo niet, ging hij dan op de bank of bij me in bed? Als hij bij mij in bed ging, wat zou er dan gebeuren?

Het verdrietige van alleen zijn, is dat de behoefte van een lijf in mijn bed uit het niets kan opkomen en angstaanjagend grote proporties aan kan nemen. Vaak heb ik dan niemand voor handen. Soms ga ik dan naar de kroeg, sleur iemand mee naar huis. Het maakt dan niet echt uit wat voor hoofd erop zit, als hij maar in mijn nek kriebelt en ik in slaap val met zijn hand op mijn heup. Maar soms. Soms neemt de behoefte van een hand op mijn heup grote proporties aan en is er wel iemand voor handen. Iemand die ook nog eens een oké hoofd heeft. Deze jongen had dat en ik wist niet wat te doen. Ik vroeg me af of ik hem juist niet uit mijn bed moest laten, zodat de kans dat hij er langer in zou blijven, groter zou werd.

Ik dacht aan hoe de nacht en de ochtend zouden verlopen als hij bij me zou slapen. Want als je slaapt met iemand die je niet goed kent, gaat het eigenlijk altijd hetzelfde. De nacht zou heel fijn zijn. Aanrakingen die ik nooit eerder voelde, omdat ieder mens anders aanraakt. Onze lijven die passen of net niet en dan lachen en bedenken dat het toch past. En daarna zijn hoofd in mijn nek, dan weer mijn hoofd op zijn schouder. In de dronkenschap zou ik denken, dit was een goede beslissing, wat fijn. En dan, als het laatste uur voor het wakker worden aanvangt, gaan onze lijven weer op zichzelf liggen. Wat in benevelde toestand zo goed leek te passen, is een paar uur later vreemd. Ik zou dingen zeggen als “hier heb je je arm terug, ik lag erop.” Hij zou veel praten. Ik zou niet weten wat hij in zijn koffie heeft en hij zou zeggen dat hij geen koffie lust. Ik zou me voor mijn lijf generen, mijn gele badjas aantrekken en bedenken hoe debiel het is dat ik een gele badjas heb. We zouden afscheid nemen met een kus die we aan ieder ander ook zouden geven. We zouden dag zeggen en de stilte die achterbleef zou overeen komen met wat er verder nog tussen ons zou gebeuren.

Ik vroeg me af wat ik wilde. Wilde ik dat hij wegging. Wilde ik een hand op mijn heup. Wilde ik praten. Wilde ik hem nog eens zien. Het een sluit het ander niet uit, dat weet ik wel. Maar ik weet ook dat het ongemak dat de volgende ochtend tussen de kussens ligt, geen goede voedingsbodem zal zijn voor een weerzien. Bovendien, iedereen weet dat nette meisjes niet met iemand slapen op de eerste afspraak. En ja. Ik ben een net meisje volgens mij.

Terwijl we dichter bij mijn huis kwamen, probeerde ik mijn gedachten te ordenen. En toen bedacht ik gelukzalig; ik heb geen idee van wat hij wil. Misschien heeft hij helemaal geen behoefte aan mijn lijf. Alleen aan mijn woorden. Of misschien wel aan niets, behalve een glas water. Ik lachte om mezelf, mijn gele badjas en nam me voor dat ding morgen weg te gooien.

We stonden voor mijn deur. Ik raakte met mijn vingertoppen zijn arm aan. Hij legde zijn hand op mijn wang en wreef met zijn duim zachtjes over mijn kin. Ik deed mijn ogen even dicht en lachte. Boog naar voren en kuste hem. Hij kuste terug, lachte ook even, keek naar de grond en toen weer naar mij. Ik ademde diep in en ademde opgelucht uit. We wisten nu allebei hoe de nacht zou verlopen.

USP

USP

Meester Dambruin leerde mij lezen met het legendarische rijtje Boom Roos Vis Vuur Mus Pim Kees Miep Bel Boek Raam School. Ik was zes en meester Dambruin de baas. Hij had lang donkerbruin, golvend haar, hele rechte tanden en elke kleine pauze las hij de sterren van de hemel. Niks Boom Roos Vis Vuur, nee Saskia en Jeroen of de Heksen. Hij las beter voor dan mijn moeder en als je zes bent, zegt dat wat.

Afgelopen weekend stond ik op een literair festival. Ik moest voorlezen in het café. Er zaten mensen op stoelen die misschien niet van mijn stukjes zouden houden. Er zaten mensen op stoelen die überhaupt niet van stukjes hielden, alleen van bier. Het was mijn eerste keer en normaal gaat van eerste keren zweet in mijn handen staan. Maar ik mocht zitten in een aparte ruimte voor schrijvers en kreeg daar wijn. Al had ik nog geen zin voorgelezen, ik voelde me helemaal meester Dambruin.

De meester leerde mij iets dat ik nog veel vaker zou merken in de jaren die volgden; dat het moment van louter toeschouwer zijn, altijd van korte duur is. Het moment van klassikaal lezen in groep 3 was aangebroken. De meester las een paar zinnen, daarna was een kindje aan de beurt, daarna nog een ander kind en elke keer hoopte ik vurig dat ik niet aan de beurt zou komen. Met mijn vinger volgde ik feilloos de woorden en ik knikte heftig, zodat ik niet aan de meester hoefde te bewijzen dat ik kon lezen. Hij keek mijn richting op. “Ga jij even verder?” vroeg hij. Het zweet stond in mijn handen. Een droge keel. Ik wilde wel beginnen, maar ik kon niet. Alle hoofden waren op mij gericht, vingertjes nog trouw bij het laatst uitgesproken woord. Ik haalde diep adem. En toen gebeurde er iets dat me nog nooit eerder was overkomen. De woorden bleven bij de eerste klank hangen. Ik stotterde. “Ga maar door,” zei meester Dambruin. “Rustig aan.” Ik stotterde. Ik bleef stotteren.

Het ging zo een paar jaar door. Ik werd onzekerder. Want, ik werd ook een beetje een dik meisje en vond alle andere meisjes mooier. Ik vond mijn haar gek en ook de spleetjes tussen mijn tanden. Ik vond de knik in mijn neus stom. Ik had dikke, stugge wenkbrauwen. Ik wilde niet dat er naar me werd gekeken tijdens het lezen. Kijk. Niet. Naar. Mij. Pas aan het einde van de basisschool ging het beter. In groep 7 praatte ik met meester Dambruin op het schoolplein over mijn probleem, een beetje als volwassenen onder elkaar. “Het maakt niet uit hoe je eruit ziet,” zei hij. “Het gaat erom wat je doet, wat je kunt. Jij kunt voorlezen.” Het was de meest geruststellende gedachte die ik ooit hoorde (en heb gehoord): het doet er niet toe hoe je eruit ziet. Dus ik oefende me thuis te pletter, zonder spiegel. Het maakte niet uit wie mooier was, beter, knapper, ik zou de sterren van de hemel lezen. En ik deed het. Ik werd in groep acht zelfs Voorleeskampioen van mijn school, met een voor ons revolutionair stukje uit Met de groeten van groep van Jacques Vriens, dat ging over zoenen.

Vanaf die tijd heb ik me altijd een soort van uitverkoren gevoeld omdat ik ‘slim’ ben. En een tikkeltje anders. Slim en een beetje anders dan de rest is voldoende. Ik hoef niet mijn haar niet te verven, geen uren voor de spiegel te staan om me op te maken, geen acrylnagels aan mijn vingers. Ik ben bij de hand en bij de pinken en dat is genoeg. (O wacht even, mijn ego belt: ik zie er nu ook een stuk beter uit dan in groep 8. Slanker en gewoon, bijgetrokken. Dat jullie het weten).

In de schrijversruimte keek ik rond. Er waren veel schrijvers, het waren niet hun eerste keren. Ze keken allemaal alsof ze slim waren. Wat ook naar was, was dat mooi hier werd verruild voor uniek. Alle schrijvers hadden een soort van Unique Selling Point (USP). De ene vond zijn USP in warrig blond haar en een jasje waar je over zou kunnen dromen in een LSD trip, een meisje had gitzwart golvend haar en bloedrode lippen en de laatste jongen had lang, bruin haar, nog langer dan meester Dambruin.

Toen brak het moment van klassikaal lezen aan. Ik wist dat ik als laatste aan de beurt zou zijn, dus ik kon goed luisteren. Ik wreef over de knik in mijn neus toen mijn verse klasgenoten aan de beurt waren, want deze grote kinderen lazen als meester Dambruin, maar ieder op de eigen manier. Ritmisch, hard of gevoelig. Ze lazen over seks en soa’s en ook over andere dingen, maar van seks en soa’s ging het zweet weer in mijn handen staan. Ik schreef nooit literaire porno. Mijn stuk ging nog steeds over zoenen, alleen zat ik niet meer in groep 8. In de pauze ging ik naar de wc en trok de staart uit mijn haar. Het was raar haar. Ik probeerde los. Toen weer vast. Los, vast, lost, vast, wijn.
“He, ik heb helemaal geen seksstukje,” zei ik tegen de organisator toen ik van de wc kwam.
Hij keek me vragend aan.
“Ja, ik doe wel aan porno, hoor,” verontschuldigde ik me, “maar ja, ik heb er gewoon nog nooit over geschreven.”
Hij lachte en ik besefte me dat iedereen heus wel weet dat wanneer je zegt dat je aan porno doet, je eigenlijk zegt dat je dit niet doet. Ik raakte nu ook mijn slimheid kwijt. Een stapje verwijderd van hetgeen waar ik zo bang voor was dat terugkwam.

Ik was aan de beurt. Nog een keer nam ik een slokje van mijn wijn. Nog een keer knipoogde mijn nieuwe literaire vriendin naar me dat het goed kwam. Nog een slokje. Oké. Wat je schreef is goed, zeg ik tegen mezelf. Je kan schrijven. Nu voorlezen. Ik liep de trap af, het werd iets stiller in het café. Ik ging zitten, pakte de microfoon, haalde diep adem, keek de zaal in, opende mijn mond en deed hem weer dicht. Ik glimlachte zonder de spleetjes van mijn tanden te laten zien. Ik ging verzitten, haalde nog eens adem en toen hoorde ik weer meester Dambruin: “Het gaat erom wat je kunt.”

En daar ging ik. Zonder te stotteren. In een keer las ik ‘m uit. Op gevoel. Op hoe slim ik ben. Op het gebrek aan USP wat mijn USP bleek te zijn.
“Wat was het mooi,” zei een van de schrijvers toen ik weer in onze ruimte kwam.
“Echt?” vroeg ik.
“Ja, echt,” zei hij. “Ik ben fan.”
O mijn god. Een voorleesfan. Dankjewel meester Dambruin.

De Verandering

De vriendin van

Er is iets gaande. Iets waar we nooit over spreken. De Verandering. De verandering die je ondergaat wanneer je een relatie krijgt. Want je verandert. Al zeg je van niet. Al beloof je, met een wijntje in je hand op vrijdagnacht, van niet. Een vriendin en ik beloofden het aan elkaar. Een pact. Ook al zouden we verkering krijgen, we zouden niet alleen maar thuis op de bank hangen, we zouden onze vriendjes niet aan elkaar opdringen en we zouden geen zeurderige wijven worden.

Ik denk dat iedereen zo’n pact heeft met z’n vrienden voordat ze een relatie krijgen. Maar, wanneer De Verandering toch doorzet, spreek je daar niet over. Het is onbehoorlijk. Je zegt niet: “He ho eens even, gast. Dit hadden we niet afgesproken. Hoezo zit jouw vriendin ineens over al bij?” Of: “Zeg, waarom ben jij een saaie doos geworden? Ik heb geen wingwoman meer en kan wel janken.”

Mijn vriendin is inmiddels aan de man en de vrijdagavonden zijn niet meer hetzelfde. Ze lijken er nog wel op, maar hetzelfde zijn ze niet. We drinken nog steeds wijntjes, al is het niet meer tot drie uur ’s nachts. We praten nog steeds over mannen, al zijn het mijn verhalen. Een paar weken geleden nam ze thee in plaats van wijn. Ze lachte om mijn dateverhalen en soms keek ze droevig. Het is onbehoorlijk om te zeggen dat iemand een saaie doos is geworden, maar het is ook onbehoorlijk om te zeggen dat je het vrijgezellenbestaan een beetje verdrietig vindt. Als het half elf is, pakt ze haar jas, ik heb niks meer te vertellen en zij wil naar huis.
“Kom je anders gezellig een keer een filmpje kijken bij ons thuis? Met z’n drietjes. Dat hebben we nooit gedaan.”
Het is De Verandering. Ik kijk haar met grote ogen aan en wil zeggen dat we beloofd hadden dit nooit te doen.
“Volgende week vrijdag goed,” vraagt ze.
Ik wil nee zeggen, maar dat zeg je niet, dus ik zeg ja.

De volgende vrijdag fiets ik hard naar hun huis. Niet omdat ik er snel wil zijn, maar omdat ik snel denk en mijn trappers denken mee. Ik snap dat je wilt dat vrienden je partner leuk vinden. Heus. En soms werkt het goed. Maar toch: ik heb een vriendschap met mijn vriendin. Niet met haar vriendje. Als ik eenmaal binnen zit, gaat het wel. Een film staat op, wijn voor mijn neus.

“Schatje?” zegt de vriendin tegen haar vriendje.
“Hmm?” zegt het vriendje.
“Zou jij voor mij wat verse basilicum willen halen? Ik ben het vergeten.”
Hij kijkt op.
“We hebben het echt nodig.”
“We hebben toch ook basilicum uit een potje?”
“Anders vind je het niet lekker hoor.”
“Echt?”
“Alsjeblieft?”
“Oké.”

Dit was vreemd voor mij. Allereerst denk ik: waarom is basilicum uit een potje niet goed? Ik snap dat blaadjes lekkerder zijn, maar moet die knul daarvoor helemaal naar de supermarkt? En meteen daarna denk ik: dit had zij vroeger nooit gedaan. Zij had niet gezeurd om een vers plantje als er een potje in de kast staat. En als ze dat dan zo nodig moest, had ze het normaal gevraagd. Vroeger had ze haar vraag niet ingeleid met een liefkozing, om het halen van basilicum erna tot een gunst te verheffen. Zichzelf vervolgens verexcuserend, daarna de noodzaak van het ingrediënt benadrukkend, om tot slot het vriendjes eigen belang in de basilicum zaak tentoon te spreiden.

Hoewel het geen verschrikkelijke avond was geweest, had ik het gevoel dat ik een kant van haar had gezien die niet voor mij bestemd was. Die voor het eten tegen haar vriend zei: ‘je moet je handen nog wassen’ en toen hij erna nog even de stad in ging, riep: ‘niet te laat thuis he.’ Bij het afscheid zei ik niks over haar andere kant, ik zei dat het gezellig was en ineens… zat ik er de volgende week weer. We zouden eerst samen wat drinken en daarna pizza bestellen met het vriendje. Het vriendje belde. Zo ging het gesprek.
Vriendin: “He kom jij nog langs de Albert Heijn?”
De vriend weet dat zij weet dat hij langs een Appie komt: “Ja.”
Vriendin: “Kun jij wat meenemen liefje? Paar boodschapjes maar. Melk en broccoli.”
Tien minuten later belt vriendin weer: “He en we hebben ook helemaal geen aardappels meer in huis! Kun je dat ook meenemen en koffiefilterzakjes, kaas, zo’n basilicumplantje en o ja, het wc papier is ook op.”
Bah.
“Zo lief van je schatje,” zegt ze dan ook nog.

De week erop ‘kon ik niet’. Hoe kwam het dat ze zo’n kant had? We waren altijd open, onafhankelijk, oprecht geweest; niet creatief met mindcontrol. Het maakte me bang, want zij en ik, we hadden altijd op elkaar geleken. Zou ik dit ook doen als ik een lange relatie heb? Was ik ook al zo geweest met korte relaties? Ik dacht na. Jezus. Ja. Ik ben ook een manipulatief monster. Alleen op een andere manier. Zij speelt eredivisie mind control en ik vijfde klasse. Het schrikbarendste voorbeeld is een avond dat ik moe was, een beetje verdrietig en wilde dat mijn vriendje voor me zorgde. Hij kwam binnen, zag er prima uit, maar toch zei ik: “Ben je moe, wil je wat drinken, zal ik koffie zetten, heb je al gegeten, zal ik je handen even masseren dat vind je toch zo lekker?” Ik deed het met van alles. Wilde ik lieve smsjes ontvangen, ging ik lieve smsjes sturen. Wilde ik horen dat hij het fijn bij me vond, zei ik dat ik het fijn bij hem vond. Pure manipulatie, maar zo ingewikkeld, dat geen mens het zou begrijpen. En ik schoot er niks mee op. De avond dat ik wilde dat het vriendje voor me zorgde, heb ik de hele avond met olie in mijn handen gestaan. Om mee te koken en om mee te masseren.

Het is onbehoorlijk om te zeggen dat iemand het slachtoffer is van De Verandering, maar uiteindelijk heb ik het toch gezegd. Ik zei dat ik haar altijd lief zou vinden, maar dat ze een zeurderig monster was bij haar vriend met een voorliefde voor mind control. Ik vertelde dat ik het ook had gedaan en dat we er allebei onmiddellijk mee moesten stoppen. Dit waren die de vrouwen die we wilden zijn. Ze liep rood aan. “Wat erg,” zei ze. “Wat erg.” We dronken een fles wijn leeg, het was weer als vanouds en ze zei: “Maar hoe zorg ik er dan voor dat hij doet wat ik wil?” Ik lachte droevig. Het was niet helemaal als vanouds. Ik dronk – zoals een vrijgezel betaamt – wat meer om vanouds weg te spoelen.

Gedesillusioneerd zat ik de volgende vrijdag alleen met een wijntje op de bank. Veranderen we allemaal? Kunnen we er niks aan doen? Kan ik er iets aan doen? Ja. Ik doe er iets aan en besluit:
1 Dat ik De Verandering altijd bespreekbaar zal maken, ook al is het pijnlijk. Niemand wil een zeurderige, manipulatieve vrouw zijn. Ook niet per ongeluk.
2 Dat ik bij de volgende man gewoon vraag wat ik wil. Gewoon vragen zou kunnen werken.
3 Dat ik altijd een plantje basilicum in huis zal hebben.

Op zoek naar de knuffelrebound I

Op zoek naar de reboundknuffel I

Het is zaterdagavond en ik lig op de bank met een dekentje over me heen. Op de salontafel ligt een reep witte chocolade met crispy rijst, daarnaast liggen kaasjes en toastjes en de dvd van We Bought a Zoo. Herfstregen beukt al uren tegen mijn ramen en dat is prettig. Druppels horen bij mijn verdrietig zijn en het voortduren van de buien passen bij mijn impasse. Ik ben in de rouw en eet. Een trouwe vriendin zit naast me en eet niet, maar zegt om de hap hoe leuk ik ben. Dat is haar taak als de vriendin die ondersteunt tijdens het rouwproces na een verbroken relatie. De vriendin zegt dit net zo lang totdat de vrouw over de man heen is en langzaam uit haar rouwcocon komt. Ik heb er geen kwalitatief onderzoek naar gedaan, maar durf wel te beweren dat bijna elke vrouw dit proces op eenzelfde wijze aangaat. En als ik zo naar mijn trainingsbroek kijk in combinatie met het eten op tafel, gok ik dat ik op ¾ zit van een succesvol terugkeren in de maatschappij.

De vriendin kijkt me aan terwijl ik een groot stuk port salut in mijn mond doe en een glas wijn inschenk.
“Dit gaat niet meer,” zegt ze. “We gaan naar het café vanavond.”
Mijn hoofd beweegt nee.
“Jawel. Je moet weer, het is tijd om de markt op te gaan. Jurkje aan, parfum op, je hebt genoeg gerouwd. Het is tijd voor een rebound.”
“Met wie?”
“Met iemand, geeft niet met wie,” ze zucht, “er zullen vast wel jongens met baarden zijn ergens.”
Ik hou van baarden.
“Een rebound voor de seks bedoel je toch?’ vraag ik.
“Ja nou ja. Seks. Of zoenen.”
“Moet dat? Op zich wil ik wel een rebound, maar dan een knuffelrebound. Iemand waar ik mee kan kroelen, daar heb ik wel behoefte aan.”
Haar hoofd beweegt nee.
“Het gaat niet goed met je.”
Ik trek het dekentje tot onder mijn kin op: “het is nog geen tijd.”

Ik weet dat het nog geen tijd is, omdat de rouwperiode wordt gekenmerkt door vier essentiële opeenvolgende componenten. Ze zijn nog niet allemaal de revue gepasseerd. Het proces gaat als volgt. Na de eerste dagen van het grote grienen is daar al vrij snel het schaamhaarprotest. Het is een viering van onafhankelijkheid. Om de man (die er jammer genoeg geen weet van heeft) en het universum duidelijk te maken dat de vrouw de man die haar dumpte niet nodig heeft, stopt zij met het scheren van eigenlijk alle lichaamsdelen die ze dient te scheren.
De twee volgende componenten gaan hand in hand: het voedselpatroon en het kijken van familiefilms. Het voedselpatroon is variabel. Als een vrouw het gevoel heeft dat ze de vader van haar kinderen is misgelopen, eet ze niets omdat dit gemis niet is weg te eten. Weet ze wel beter, dan mist ze alleen iets warms met borsthaar en dat gemis is wel weg te eten. Dit zogenoemde troostvoeden geschiedt bij voorkeur voor de televisie. De ene vrouw kijkt romantische comedy’s, de ander ziet graag een familiefilm. Uiteraard zijn er ook films waarin een overlap zit.
Na deze eerste drie componenten heeft het lichaamshaar inmiddels zulke proporties aangenomen dat de vrouw niet zou misstaan op de apenrots in Blijdorp en dan is ze bijna klaar voor haar terugkeer naar de samenleving, oftewel, het café. Met component 4 zorgt de vrouw voor een totale loskoppeling van de man die haar dumpte: ze verandert iets aan haarzelf. Iets aan haar is anders dan toen ze met hem was. Ze is los, vrij, heeft bijvoorbeeld een nieuwe haarkleur en is weer beschikbaar.

“Het is wel tijd,” de vriendin trekt het dekentje van me af.
“Ik heb me nog niet geschoren, ik heb niks nieuws,” en ik zet We bougth a Zoo op.

We Bought a Zoo is een lieve film over een vader – Matt Damon – die sinds een half jaar weduwnaar is en twee kinderen heeft. In een opwelling koopt hij een dierentuin die van de ondergang gered moet worden, terwijl hij niks van dieren weet. Ik voel meteen een enorme band met Matt omdat we allebei een verlies hebben geleden, we blijkbaar allebei iets hebben met apen en ook hij weer terug moet de maatschappij in. Op een gegeven moment zitten vader en zoon voor het verblijf van de oude tijger Spar, die aan het doodgaan is. Ik ben al aan het huilen. De mannen praten voor het eerst sinds de dood van de moeder over hun emoties. De zoon vindt een meisje leuk, maar durft haar dat niet te vertellen. En dan zegt Matt:

‘All you need is 20 seconds of insane courage and I promiss you, something great will come of it.’

“Je bril. Doe je bril op,” zegt de vriendin als Matt Damon gelukkig is geworden, “we gaan de stad in.”
“Maar ik ga nooit het café in met een bril op. Mijn bril is voor tv kijken en computeren.”
“Kan me niet schelen, doe je bril op; dat is nieuw. We gaan, je hebt me gehoord.”
“Echt?”
“Ja, en je doet maar een broek aan want als je je nu nog moet scheren, kunnen we morgenochtend pas de stad in.”
“Oké”, zeg ik. “Oké.”

De rouwperiode is officieel nog niet ten einde, maar het verhaal van Matt stimuleert. Kan ik dit, het proces onderbreken, zonder de laatste twee componenten te hebben doorlopen? Ik weet het niet en voel aan mijn blote been. Ik kleed me om.
Wordt vervolgd.

Oermoeder

Oermoeder

Het ruikt naar net gemaaid gras, mijn hoofd tolt van de witte wijn en m’n konen gloeien van de zon. Met twee vriendinnen lig ik in het hofje bij ons om de hoek, achtentwintig te zijn. Half dronken, niet helemaal. Niet in een druk park, maar dichtbij onze eigen wc. Op zaterdagmiddag, niet meer in de avond.
“Ik wist altijd al dat ik moeder wilde worden,” zegt één van de twee. Van wijn krijg je zware gesprekken.
“Echt?” vraag ik.
“Ja, echt. Vanaf dat ik heel klein was, wist ik dat al.”
“Goh,” zegt de andere vriendin.
“O,” zeg ik, bewust van het feit dat ik niet altijd heb geweten dat ik moeder wilde worden. “Een oermoeder ben je dus.”
“Nou, oermoeder, oermoeder… het is wel één van de doelen in mijn leven, ja,” antwoordt ze.

Ik heb niet eens één doel in mijn leven. Misschien komt het door de wijn, maar een doel hebben klinkt eigenlijk best goed. Zou het babydoel ook mijn doel kunnen zijn? Als je achtentwintig bent, is het niet raar om daaraan te beginnen. Aan baby’s. Of om te beginnen om erover na te denken in ieder geval. Een baby. Ik heb dat woord nooit eerder in relatie tot mezelf opgeschreven.

“Ik hoef ze niet,” zegt de andere vriendin. We kijken haar allebei aan, vooral de ogen van de oermoeder vragen een verklaring.
“Nee, echt niet,” ze schudt haar hoofd, “en ik voel me er niet schuldig over ook.”
“Waarom wil je ze dan niet?” vraagt de oermoeder.
“Waarom wel?”
“Om mee te kroelen, om voor te zorgen, om iets door te geven,” zeg ik, niet goed wetend waar ik het over heb, “als doel in je leven.”
“Ik heb een ander doel. Ik wil toffe dingen doen en meemaken. Kinderen zijn niet zaligmakend,” zegt ze. “De gangbare levensstijl in ons land; huisje, boompje, beestje is niet voor iedereen de meest geschikte levensstijl hoor. Maar dat mag je bijna niet denken. We weten ook niet beter. Onze vaders en moeders waren onze rolmodellen en die hadden kinderen, die hadden ons. We hebben nooit een volwassene gezien die een kinderloos leven leidt. Die hadden we niet als voorbeeld. Maar misschien past een leven zonder kinderen wel beter bij je, als persoon. Dat zou kunnen.”

Het gras heeft dorst en geurt hier niet, mijn hoofd tolt van de rosé en mijn konen gloeien opnieuw. Ik zit alleen op een tuinstoel voor de caravan van mijn zus. Ze is binnen bij mijn nichtje; met één hand verschoont ze haar luier en met de andere kriebelt ze in haar nek. Ik kijk naar het speelgoed dat verspreidt ligt, de fles op tafel en het kleine kinderzitje. Dit is hoe het hoort te zijn, ik glimlach. Dan denk ik aan het park: of misschien is het hoe ik ben opgevoed dat het hoort.

“Maaaaaaaaaaam! Maaaaaam!” Half strompelend, half rennend, heel huilend komt mijn neefje de tuin in en gilt dat hij klem zat op een schommel. Ik schrik me de pest. O mijn god, ik kan niet meer rijden, wie moet er met die knul naar het ziekenhuis? En wie blijft er bij de baby? Door het raampje in de caravan zie ik hoe mijn zus haar dochter over haar schouder gooit en naar buiten beent. Ik krijg de blote baby in mijn handen en ze controleert haar andere kind op grote defecten. Eerst bekijkt ze hem van top tot teen, daarna kijkt ze naar de wondjes op zijn been, dan draait ze ‘m om, draait ‘m weer terug en kijkt goed in zijn ogen. Zoals onze moeder dat ook zou hebben gedaan vroeger en zoals ik dat misschien ook zal doen later. “Het gaat wel,” constateert ze. Mijn neefje kalmeert, ik kalmeer. Rustig gaat ze naar weer naar binnen. Alles is goed. Mijn zus is een oermoeder.

Het tolt weer een beetje. Alleen niet van de wijn. Ik denk aan mijn neefje, aan mijn nichtje, aan mijn zus, aan mijn eigen moeder en aan mezelf. Als tante, want dat kan ik goed. Maar zou ik ook een moeder kunnen zijn, willen zijn? Stel dat ik was opgegroeid met een rolmodel dat een leven leidde zonder kinderen, had ik dat dan nu ook gewild? Er is natuurlijk een biologische behoefte, maar misschien is het grootste gedeelte van het oermoedergen wel naar mijn zus gegaan en zit ik met de restjes. Restjes die net te weinig zijn. Die ervoor zorgen dat ik niet denk ‘ah wat lief’, als ik een blote baby in mijn armen krijg, maar hoop dat het niet over me heen poept. Misschien heb ik net genoeg restjes in me om een te gekke tante te zijn. Misschien word ik een oermoeder als ik een oervader te pakken heb. Of… misschien is achtentwintig voor mij toch nog te jong om over baby’s na te denken.