Monstergriep

 fb9baf96db0ca09022b31df7fea0abf3

 

Ik heb een monstergriep gehad. Zo’n griep waarin je in een dikke pyjama, onder drie dekbedden nog steeds ligt te rillen van de kou. Wachtend op een zweetaanval. Zo’n griep waarvan je gaat ijlen en waarin je vijf kilo wegzweet. Zo’n griep waarvan je gaat huilen. O. Dat bleek niet helemaal normaal, want de taalnazi – die uitermate goed voor me zorgde – belde tijdens het grote grienen in paniek mijn zus op: ‘Ze huilt om onbegrijpelijke redenen!’ Mijn zus suste: ‘Ze is gewoon een beetje apart.’

Het is nu dag tien van de griep en het gaat beter. Ik word nog duizelig van mijn telefoon en van mijn laptop maar maar het zweten is voorbij en het kotsen ook. Het leven is altijd leuker zonder kotsen, dus ik ben blij. Pardon. Blijer. Want ik ben niet blij. Ik ben teleurgesteld. Daarom huilde ik.

Het is donker in het holst van de griep, maar ook helder. Helder is dat ik sinds november weer aan het rennen ben, aan het jagen, de gaten aan het opvullen. Gaten van verdriet bij vriendinnen, gaten van eenzaamheid bij mijn moeder, gaten van collega’s die ziek zijn, gaten bij opdrachtgevers. Het woord ‘nee’ is uit mijn vocabulaire verdwenen. De oorzaak van het gebrek aan nee is gênant, het is namelijk: Ik ben zo mindfull geworden, ik kan het wel aan. Hij of zij is daar nog niet, dus ik kan het beter doen.

Het is een hooghartige gedachte. Wie ben ik om voor andere mensen te bepalen of ze iets wel of niet aankunnen? Om ze die beslissing te ontnemen? Daarna bedenk ik: het is niet mindfull om jezelf weg te cijferen en weer daarna denk ik: fuck, het is gewoon makkelijker. Het is makkelijker om door te werken als iedereen dat doet, dan om mijn eigen avond te pakken. Het is makkelijker om ‘ja’ te zeggen tegen mijn moeder dan de teleurstelling in haar stem te horen als ik zeg dat ik echt een dag voor mezelf nodig heb. Het is makkelijker om die ene opdracht tegen je zin in tóch aan te nemen omdat je anders een heel team een klus ontzegt. Het is makkelijker om te doen wat iedereen doet dan te doen wat je zelf wilt (als je dat al weet).

Nee, dat is niet helemaal waar. Uiteindelijk is het misschien wel moeilijker vanwege de teleurstelling. Want ik ben teleurgesteld; en wel op twee manieren. De eerste teleurstelling zit ‘m in het feit dat ik niet alles kan fixen. Meer mail, meer lijstjes, meer vraag, meer werk, meer verdriet, meer gaten. Er is altijd meer gat dan ik aankan. Het is dweilen met de kraan open en toch wil ik het allemaal doen, voor iedereen. En als dat niet lukt – omdat ik niet Atlas ben of Superwoman – ben ik teleurgesteld. Dit moet ik toch aankunnen, hij werkt zich ook de pleuris, zij trouwens ook, je kunt ook nergens tegen, sjonge jonge, wat ben je een lapzwans. Lekker oordelen op mezelf.

Maar dan komt er altijd dat moment, of het nu in een schurftepidemie is, in een stilte retraite, in een monstergriep, dat er bewustwording ontstaat. Dat ik merk en voel dat ik Atlas niet ben, of Superwoman en dat het onredelijke eisen van mezelf aan mezelf waren. En voilà; nieuwe teleurstelling. Omdat ik vergeten was lief voor mezelf te zijn, omdat ik weer niet voor mezelf heb gezorgd, omdat ik niet voor mezelf durf te zorgen. Jezus, je weet nu toch dat je rustig aan moet doen, waarom mediteer je nou niet en waarom ben je nou verdomme niet aardig voor jezelf, je moet niet boos worden, wat ben je nou voor boeddha? Lekker een oordeel op een oordeel.

In het holst van de griep dacht ik dat ik weer opnieuw moest beginnen. Ik gilde tegen de taalnazi: ‘Ik ben mezelf kwijt! Ik moet weer terug naar Indiaaaaa. Wat is mediteren!?’ Nu de koorts is gezakt, gaat het beter. Ik heb weer wat geleerd: oordeel op oordeel; teleurstelling op teleurstelling maakt het zwaar. Zwaarder dan nodig. En hier ga ik me de komende tijd eens mee bezig houden. Liever voor mezelf zijn. Weer. Maar nu zeg ik het zonder oordeel, omdat de monstergriep me weer een stukje dichterbij het leven heeft gebracht dat ik wil.

Want ik weet wel wat ik wil: ik wil een ontspannen leven. Dat betekent niet dat ik niet wil werken en altijd op mijn nest wil liggen. Het betekent dat ik met rust op wil staan en wil ontbijten, dat ik kan mediteren en wat kan werken. Ik lees misschien een stukje uit een boek tussen de middag, ik neem tijd voor een wandeling. Ik wandel met de taalnazi langs de Maas, met Floortje door het bos. In de avond wil ik lekker koken, met lieve muziek op. Ik wil breien en lezen en wandelen en zwemmen en schrijven. Ik wil dat we elkaar in bed voorlezen van de romans die we aan het maken zijn. Ik wil schrijven.

Ik wil schrijven. Dat is mijn leven. Er is niet veel geld voor nodig, alleen durf.

PS. De taalnazi stuurt me regelmatig het plaatje dat boven dit verhaal staat. Inmiddels hangt hij ook in onze woonkamer. The path to inner peace starts with four words: not my fucking problem. Het is niet zo’n boeddhistische leuze maar soms helpt het. Misschien jou ook.

 

 

Verdriet met schurft II

IMG_0014

Voordat je aan dit verhaal begint, moet je eerst natuurlijk de ellende van deel I lezen.

Samen met mijn zus pak ik mijn spulletjes in. Ik ga bij haar op zolder in quarantaine. De schurftshampoo heeft de jeuk wel iets tot bedaren gebracht, maar ik ben zo moe en duizelig en verdrietig dat ik niet verder kom dan boeken en onderbroeken, dus het is fijn dat ze er is. Ze aait me over mijn hoofd omdat mijn haar het enige is dat veilig is aan mij momenteel. Als de tas volgens mijn zus klaar is, kijk ik rond in mijn huis, waar ik de laatste acht maanden veel met de taalnazi samen was. Hij is overal. Mijn ogen gaan van de boekenkast naar de vensterbank, van de foto’s aan de muur naar de keuken. Elke keer dat hij hier was had hij tussen mijn spullen stiekempjes iets van zijn spullen gezet. Lief. Er was een tijd dat we dachten hier ooit samen te wonen. “Zijn boeken, zijn staafmixer, zijn slakom,” som ik op, “zijn theelepeltjes, zijn ovenschalen, zijn kussen, zijn aanstekers.” Mijn zus trekt haar wenkbrauwen naar me op. “Je lijkt de moeder van Jan Smit wel,” zegt ze. We lachen even en rijden naar mijn nieuwe huis.

Als ik bij het huis van mijn zus en schoonzus aankom, wil iedereen me omhelzen, maar dat mag niet van de schurft. Mijn nichtje wil me een kus geven op mijn mond, maar daar zijn ook gekke blaasjes aan het ontstaan dus dat mag ook niet. Wel zijn er frietjes waar ik vandaag extra maggi op doe en zijn er op zolder schone lakens om op te huilen.

De volgende ochtend staat mijn zus aan het aanrecht koffie te maken. Ze draait zich om, kijkt naar me en slaat haar hand voor haar mond. “O mijn god,” roept ze. “Wat heb jij nou? Hoe kan dat nou? De kinderen, de kinderen mogen het niet zien!” Ik ren naar de spiegel en zie dat mijn lippen en kin onder het bloed zitten. Het zijn korsten en er zitten verse stukjes bij. Nu proef ik het ook. De blaasjes zijn gesprongen. Ik zie eruit als een vampier, eentje die slecht heeft geslapen want mijn ogen zijn nog dik. Terwijl ik mijn mond spoel en er rood water in de wasbak verdwijnt, zie ik dat mijn schurft erger is geworden. Fuck dit. Mijn verdriet wordt boos. Mijn leven is een zooitje maar hier blijf ik niet mee lopen. Fuck dit. Ik ga naar het ziekenhuis!

De dermatoloog is duidelijk. “Dit is geen schurft en je had meteen naar het ziekenhuis verwezen moeten worden.” Onmiddellijk worden er foto’s gemaakt, ik moet in een potje plassen, ze tappen vijf buisjes bloed af en er wordt een stukje van mijn huid afgesneden voor onderzoek. “Voor zover ik het kan zien, is dit het sweet syndrome,” zegt de dermatoloog. Mijn opgedroogde bloedlip begint te trillen, terwijl ik niet eens weet wat het is. “Het is een huidaandoening die spontaan kan ontstaan, maar die ook een andere oorzaak kan hebben,” zegt ze. Ik ben zo overweldigd door de serieusheid waarmee de dermatoloog dit aanpakt dat ik midden in haar kantoortje begin te snikken. “Is het niet gewoon stress?” vraag ik. “Het is net uit met mijn vriend en dat heb ik zelf gedaan en ik sta erachter, maar ik vind het ook erg en ik ben nu weer alleen en ik vind het ook heel erg voor hem.” Deze dokter heeft misschien wel een soort van minor psychologie gedaan, want ze pakt een stoel en komt naast me zitten. Ze klopt op mijn rug en zegt dat de uitslag zo hevig is, dat het niet stress gerelateerd kan zijn. “Ik schrijf een recept uit voor zalf, prednison, lidocaïne voor je lip en ik bel je straks als ik de uitslag van het bloed heb.” Ze geeft me een keukenpapiertje aan voor mijn tranen en ik pak mijn tas. “Ik zou even niet gaan googlen,” zegt ze. “Dan vind je alleen maar enge dingen en het is nergens voor nodig om dat nu te zien.” Ik knik. Gedwee loop ik weg.

Ik vertel mijn vader, mijn moeder, mijn zus en een goede vriendin dat ze niet mogen googlen. Binnen tien minuten hebben mijn vader, mijn moeder, mijn zus en de goede vriendin gegoogled. Ze zeggen allemaal hetzelfde: sweet syndrome is helemaal niet erg. Veel vrouwen tussen de 30 en 35 jaar krijgen het zomaar en het gaat ook zomaar weer over. Ze verzwijgen denk ik het enge waar de dokter het over had, maar dat maakt niet uit. Ik ga niet googlen. Ik kan het niet weerstaan om 389 keer te Facebooken op een dag, maar ik kan mezelf wel weerhouden om ‘sweet syndrome’ te googlen. Denk ik.

Mijn vader belt om ‘even te kletsen’. Ik google niet. De vriendin komt op visite om me een hart onder de riem te steken. Ik google nog steeds niet. Mijn schoonzus maakt mijn favoriete eten. Ondanks dat ik niet heb gegoogled, begin ik me toch af te vragen of ik niet doodga aan sweet syndrome. Ook vraag ik me af hoe het met de taalnazi gaat. Hij is verdrietig, dat weet ik. Ik vind het niet eerlijk van mezelf dat ik alleen maar aan mezelf denk, terwijl hij aan ons denkt. Maar nu kan ik even niet anders. Dan hoor ik mijn telefoon, hij ligt in de tuin. Mijn zus werpt zich op de telefoon en neemt op alsof ze mij is. We hebben dezelfde stem. Ik kan niet horen wat ze zegt, maar ze komt met een grote glimlach binnen.

“Je hebt geen leukemie!” roept ze.
“Wat?” zeg ik.
“Je bloed is goed!” roept ze weer.
“Kon het leukemie zijn?”
“Ja,” zegt ze zachtjes. “Hele kleine kans maar hoor.”

Ik ga zitten en haal opgelucht adem. “Het bloed duidt ook niet op sweet syndrome,” vertelt mijn zus, “maar ze moeten even de urine en het stukje huid afwachten. Volgende week terug naar het ziekenhuis. Maar je bloed is goed! Helemaal goed!” Ik weet even niks te zeggen en vraag een biertje aan mijn zus om het te vieren, maar dat mag niet met mijn prednison. Dan weet ik het niet hoor. O ja. Ik bel iedereen om te vertellen dat ik geen leukemie heb. Iedereen is blij. Ik ook, want ook al heb ik een bloedbek, geen vriend, ben ik lichtelijk overspannen en zit ik onder de schurft waarvan niemand weet wat precies is… ik ben er wel gewoon. En over een paar weken is alles ietsje beter en over een paar maanden is alles weer goed en is er weer bier. Het komt gewoon goed en dat vier ik. Met een grote kop muntthee dan maar.

Verdriet met schurft

IMG_9952

Het is heet in de wachtkamer van de dokter. Ik trek de lange mouwen van mijn trui nog net iets verder over mijn handen en ril. Van de jeuk. Mijn armen zien eruit alsof ik een besmettelijke ziekte heb, dus ik krab netjes op mijn trui. Het jeukt zo verschrikkelijk dat ik eigenlijk al mijn kleren uit wil doen, in mijn nakie wil rondspringen in die wachtkamer en me helemaal het ongans wil krabben. Het liefst krabben alle patiënten mee. Maar dat kan natuurlijk niet. Dus al krabbend, kijk ik rond. Mijn jeuk verdwijnt heel even als ik aan mijn taalnazi denk, die sinds eergisteren niet meer mijn taalnazi is. Mijn ogen blijven hangen bij een stapel tijdschriften, bovenop ligt Psychologie magazine. Op de cover staat de zin Liefdeslessen: inzicht in je hechtingsstijl verandert alles. Ik pak het tijdschrift op en blader, op zoek naar een beetje inzicht dat mij vertelt waar het is mis gegaan.

Er zijn mensen die een angstige hechtingsstijl hebben; ze hebben verlatingsangst, zijn onzeker, willen veel samenzijn en veel lichamelijk contact. Mensen met een vermijdende hechtingsstijl hebben bindingsangst, ze idealiseren een zelfvoorzienend leven en kijken neer op afhankelijkheid. Er zijn ook mensen die normaal hechten, ze hechten ‘veilig’. De veilige hechters leiden een stabiel en voorspelbaar leven van samenwonen, werken, trouwen, op vakantie en op bezoek bij pa en ma. Ik krabbel nog even op mijn trui en bedenk dat ik eigenlijk veilig wil hechten, maar dat ik zowel angstig als vermijdend ben. Dat kan ook, vertelt het artikel. 5% van de bevolking hecht angstig en vermijdend. Dat is misschien waarom het is misgegaan.

De dokter roept mijn naam, ik mag naar binnen.
“Je hebt jeukende uitslag op je armen en romp?” vraagt ze.
“Ja, dat heb ik.” Ik wil eraan toevoegen; “En mijn relatie is afgelopen en ik wilde het zo graag en nu is het niet gelukt en dat vind ik kut en ik zie er ook nog eens zo goor uit.” Maar de dokter is geen psycholoog, dus ik doe mijn trui uit en laat haar kijken.
“Zo.” Ze trekt haar neus op en haar witte handschoentjes aan. “Dat is niet mis.” De dokter bekijkt mijn armen, die vol zitten met grote rode plekken, bulten en korstjes. Als ik er zelf naar kijk, moet ik bijna kotsen. En ik kijk er al twee dagen naar. De dokter raakt één van de vele blaasjes die er ook tussen zitten.
“Kijk.” Ik trek het vel van het blaasje. Er loopt water uit. “Het zijn net blaren,” zeg ik.
“Ik denk dat het schurft is,” zegt ze.
Nu voel ik me echt vies. “Schurft?”
De dokter googlelt ‘schurft’ op haar computer en laat me plaatjes zien. Het lijkt er inderdaad  op.
“Ik geef je shampoo tegen schurft en dan wil ik je woensdag weer zien, goed? Als het niet verbetert, stuur ik je door naar een dermatoloog.”

Met mijn schurftshampoo ga ik naar huis. Onderweg alarmeer ik mijn familie, die krijgen ook spontaan jeuk. Thuis pak ik mijn laptop en typ ook ‘schurft’ in op Google. Vieze plaatjes proberen me tegen te houden, maar ik lees dapper door. Ik ontdek dat schurft wordt veroorzaakt door schurftmijt, een miniscuul spinachtig insect dat leeft in de bovenste laag van je huid. Hij graaft gangetjes in je huid en legt daar eitjes waar meer van die gore beestjes uitkomen. Tegen de eieren en uitwerpselen van die beesten reageert je huid. Gatverdamme. Ik kan wel janken, maar dat kan niet want de bel gaat. Mijn vader en moeder staan samen op de stoep, terwijl ze gescheiden zijn. Dan weet je dat je echt zielig bent.

“Hallo!” roept mijn vader vrolijk.
“Hallo!” roept mijn moeder ook vrolijk.
Van deze ongemakkelijk vrolijk hallo’s moet ik nog meer huilen, maar ik ben een meisje van dertig en die huilen niet. Dus ik omhels ze dankbaar en ga douchen. De schurftshampoo moet immers toch worden aangebracht op een schone, vetvrije huid.

Als ik in mijn onderbroek binnen kom (want mijn rug moet ook ingesmeerd worden) hebben mijn ouders ontdekt dat blijkbaar het totale universum zich tegen me heeft gekeerd: mijn televisie doet het niet en ik heb ook geen warm water. En dan komen daar toch de waterlanders, ook al ben ik dertig. “Het is uit en ik heb schurft en beesten lopen in mij te schijten!” roep ik huilend. Mijn moeder klopt op mijn rug en begint spontaan te zingen. Iets uit het Schaep met de vijf poten. Mijn vader maakt er een klein dansje bij. Het ziet er zo raar uit dat mijn ogen van verbazing stoppen met huilen.

Als mijn moeder mijn rug insmeert, haal ik het Psychologie magazine dat ik van de dokter heb gestolen uit mijn tas. Ik herlees het artikel. Misschien kan ik niet goed hechten of misschien waren wij gewoon niet voor elkaar bestemd. Misschien wilde ik het te graag, misschien ging het te snel, misschien was ik bang, misschien voelde ik niet genoeg. Mijn hoofd tolt. Ik weet het niet. Het enige dat ik wel weet, is dat ik voor nu de goede beslissing heb genomen. Er is rust in mijn hoofd.

Mijn ouders gaan weg als de boiler is bij gevuld en ik analoog televisie kan kijken. Ik zwaai ze na alsof ze me voor het eerst achterlaten op de kleuterschool. Dan was ik mijn dekbedovertrek, alle kussenhoezen en handdoeken op zestig graden. Als ik weer ga zitten, kijk ik naar buiten, over de bomen heen. Daar ben je weer Achtentwintiger. Weer alleen. Ik zucht. Het geeft niet. Het komt weer goed. Je kunt het alleen. Alles komt altijd weer goed. Dan gaat mijn telefoon. Een bericht van mijn zus. “Ik kom je morgen ophalen schurftlijer. Je gaat in quarantaine op zolder, maar we gaan wel voor je zorgen.” Fijn. Nog even niet alleen.

PS. Benieuwd hoe dit afloopt? Heb ik echt schurft en belangrijker; hoe kom ik van hen en hun poep en eieren af? Volgende week lees je deel 2.

PPS. Sorry voor deze meest vieze cliffhanger aller tijden.

Meisje met rode haren – gastblog

Ik stel jullie graag voor aan Isabelle Smit (achtentwintig plus drie): gastblogger #2. Isabelle is een Rotterdammer pur sang die advertenties verkoopt en schrijft in haar vrije tijd. Haar verhalen kun je hier vinden. Voor Achtentwintiger schreef ze een stuk over de persoon die ze lange tijd haar beste vriend heeft kunnen noemen; haar vader.

Meisje met rode haren

Vandaag ben ik weer bij je in het Laurens Verpleeghuis aan de Nieuwe Binnenweg. De beste locatie denkbaar: tegenover mijn werk en schuin tegenover je tweede huis; Melief Bender, de oudste kroeg van Rotterdam. Hoewel het een mooi verpleeghuis is – voor hoever je het ‘mooi’ kunt noemen – blijf ik het een gekkenhuis vinden. Ik betreed de donkere hal die vol zit met bejaarden. De één kwijlt nog smakelozer en mompelt met nog meer consumptie dan de ander. Kunstgebitten klapperen, of liggen naast het hoofdkussen, in een smotsig glas met een bruistabletje. Zodra je door de eerste schuifdeuren heen bent, word je omringt door een geur van incontinentie, en ontbinding. Ze kunnen er ook niks aan doen, maar mijn maag draait zich toch nog een keer om. Wat blijft dit naar, ik voel me schuldig; dit kan ik een intelligente man als mijn vader toch niet aan doen.

Ik loop de gang in en zie je al zitten, op een smal houten bankje met je rollator voor je. Je draagt een grijze Hugo Boss coltrui; je hebt ze in de kleuren donker blauw, zwart en grijs. Sobere kleuren, passend bij je persoonlijkheid. Van onder draag je je nieuwe broek, een beige exemplaar van de H&M, vorige week heb ik deze voor je bij de plaatselijke naai-Turk korter laten maken.

Mijn vader is een nogal gedrongen mannetje, klein en dik, een kaboutertje met rode wangen. Liefkozend zou ik het een gezonde blos willen noemen, anderzijds is het gewoon couperose, ontstaan door jaren lang drank misbruik. Hij zou het prima doen in de tuin, met een rode punt muts en harkje in de hand.

Ik geef je een kus. “Zo Bellemuis,” zeg je, “Zullen we gaan eten?” Samen lopen we naar de kantine. Het is een lopend buffet, eigenlijk een rare benaming voor een plek waar de meesten, het zij rollend, strompelend, hinkelend, of soms zelfs liggend voor bij gaan.
Wat er onder de warmtelampen ligt ziet er meestal nog mistroostiger uit dan de patiënten zelf. Dit komt omdat alles zoutarm is, en koken voor grote groepen schijnt nogal een opgave te zijn. Je hebt menig discussie gevoerd om de dagelijkse prak wat meer jeu te geven, maar daar is helaas tot op heden nog geen gehoor aan gegeven. Vandaag kies je voor doperwtjes met worteltjes, en een saucijsje erbij, met van die schietaardappeltjes er naast. Je weet wel, die bij iedere poging, wanneer je je vork in deze aardappel probeert te prikken van je bord afrolt, met de textuur van een rotte kiezel, en bovendien ook nog eens melig smaakt.

Nadat je yoghurt op is, deze komt godzijdank gewoon uit een plastic verpakking van ‘t Boer’n land, lopen we naar de lift. Op de vierde verdieping stappen we uit, en slenteren we naar je slaapkamer. Het is een tweepersoonskamer, jouw bed staat tegen de muur. Je gaat erop zitten, terwijl ik ondertussen een blik werp in je kledingkast. Elke dag krijg je het voor elkaar er een nog grotere teringzooi ervan te maken. Gedwee zoek ik je vuile was weer bij elkaar. Een combinatie van pis, eten en snot zal er weer uitgewassen moeten worden. Met twee vingers probeer ik alles in mijn roze bloemetjes tas te moffelen.
Hoeveel ik ook van je houd, ik walg van dit klusje, je kunt er niks aan doen, dat weet ik. En toch, iedere dag gaat het mij steeds meer tegen staan.

Als je kleren allemaal in mijn tas zitten kom ik naast je op bed zitten.
Je bent vrolijk vandaag. Veel vrolijker dan de afgelopen week valt me op. Ik ben blij je weer te zien, en ik zeg het dit keer ook. Nog steeds heb je die godvergeten pijn, maar met mokken kom je er ook niet.
“Kom kabouter,” zeg je, “ik ga je veilig naar buiten brengen, dan kan je nog Goede tijden kijken.”

We gaan weer naar beneden. Onderweg passeert een schone dame ons. Een kort zwart rokje met een paar in zwarte panty gehulde benen en een paar fuck-me-boots is alles wat mijn vader ziet.
Op je Clarks versnel je het tempo om nog even van dit uitzicht te genieten.
Dan gaan we nog even zitten op het houten bankje bij de deur.
“En, is het wat?” vraag ik je, terwijl ik je ogen zie oplichten.
“Ik vind het een verademing tussen al die huidkleurige steunkousen.”
“Maar eerlijk, ik zie die benen toch wat steviger hoor.” En je knijpt mij liefkozend in mijn bovenbeen.
We geven elkaar een kus, en spreken af voor donderdag.
Met de vuile was aan mijn stuur stap ik op mijn roze fiets.

Op tijd voor de begin tune van GTST nestel ik mij op de bank, steek een sigaret op, en schenk mezelf een glas witte wijn in. Een rustig avondje ligt voor me, en met m’n benen languit kijk ik naar het Ja-woord van Ludo en Janine. Ik keutel wat na afloop, en stop de was met tas en al in de wasmachine. De ooit zo zwarte tas is inmiddels vaal en grijs van het vele mee wassen. Elke keer probeer ik tegen beter weten in de geur er uit te krijgen, maar deze is inmiddels tot in de stof doordrenkt. Ik schenk het wasmiddel in de daarbij behorende wasbol, en op dat moment gaat mijn telefoon.

Ik sta al te wachten als je vastgebonden op een brancard wordt binnengebracht. Ik hoor je kermende gegil, geluiden waarmee ik elke nacht wakker word. Als je dichterbij komt kijk ik in een paar glazige ogen, je ooit zo mooie blauwe ogen die ik als kind ook wilde. Nu zie ik enkel de pijn en wanhoop er in.

Je ligt links van de deur. Een zaal voor vier personen, de andere drie patiënten worden weggereden. “Is dit omdat…” Ik stik in mijn eigen woorden.
“Ja, houd er maar rekening mee.”
Ze doen nog wat onderzoeken met je, en meten je bloeddruk. Af en toe sla je met je armen om je heen.
En dan, dan verschijnt zij; de verpleegster van het uitzendbureau. Het embleem van de uitzendorganisatie is op haar witte pak gestikt. Ze heeft rood haar, een lelie blanke huid, en rode sproeten.
Ik grinnik in de wetenschap dat als je bij kennis zou zijn, je deze schone dame meteen je bed in zou sleuren, en je hand onder haar uniform zou verdwijnen, als de verleider die je ooit was. Deze rode engel draagt blauwe plastic handschoentjes waarmee ze nu mijn vaders hand begint te strelen. Je ziet hem zienderogen rustiger worden.
“Fuck it,” zegt ze en ze stroopt haar handschoenen af, “die zitten toch maar in de weg.” Met haar blote hand gaat ze verder met strelen, het is een van de liefste dingen die ik iemand ooit heb zien doen. Ze ontroert me.

Ik loop de gang op en barst in snikken uit, als ik wist dat dit onze laatste avond zou zijn, dan had Ludo twintig keer met Janine mogen trouwen, ik was bij je gebleven, al was het maar voor heel even.

Klontborsten II

Tietkiek

Voordat je dit gaat lezen, lees eerst even Klontborsten I.

Uit mijn ondergoedlade pak ik de netste bh die ik kan vinden. Ik doe mijn klontborst en mijn normale borst in een keurige witte, met een beetje kant. Perfect voor de fotoreportage. Met de keurige bh onder mijn kleding sta ik – met een vriendin – een kwartier te vroeg op de rode linoleumvloer van het Diakonessenziekenhuis. We drinken een vies kopje koffie, ik vertel haar dat ik van de zenuwen aan de diarree ben en vraag of ze denkt dat ze hier wijn verkopen. Zij zegt dat het tien voor elf ’s ochtends is. Daarna volgen we route 222 naar de Röntgenafdeling, die eindigt in wachtkamer G. Er zitten alleen maar vrouwen: jong, oud en op de helft. Sommigen ogen zenuwachtig en anderen kijken of ze net een nummertje hebben getrokken bij de groenteboer. Ik hoor bij de eerste groep. Eén voor één worden ze door een kordate mevrouw met kort haar en een grote bril een kamertje binnen geroepen. Ze gaan allemaal met hun borsten op de foto. Met hun hand over hun borsten wrijvend, komen ze eruit en gaan weer zitten. Even later komt de mevrouw naar buiten, zegt “De foto’s zijn in orde,” waarop de vrouwen gerust gesteld weglopen. Makkelijk zat.

Ik mag nu naar binnen van de mevrouw. Ik mag van haar mijn bovenkleding uittrekken, dan mag ik bij het apparaat komen staan en dan mag ik mijn linkerborst op de plaat van het apparaat leggen. Ze is vriendelijk. Omdat ik mijn borst nog nooit eerder ergens op heb gelegd, ben ik er geen expert in. Voordat de foto kan worden gemaakt, tilt de mevrouw mijn borst op, duwt een beetje naar links, trekt ‘m omhoog, legt ‘m dan neer op de plaat en geeft nog een zacht tikje naar rechts. Ze kijkt ernaar, knikt tevreden: de perfecte compositie, mijn borst lijkt er klaar voor. Het apparaat gaat aan en langzaam komt er een andere plaat naar beneden die mijn borst plat lijkt te gaan drukken. Het gaat weer niet goed want hij floept er tussenuit. Met haar koude handen propt ze mijn borst terug tussen de platen totdat er weinig meer overblijft dan een te dikke mislukte pannenkoek met een tepel erop. Au. Ik vind het jammer dat mijn borst niet zo fotogeniek is. “Je mag nu terug naar de wachtkamer, wij bekijken even of de foto technisch in orde is en dan zullen we de uitslag morgen naar je huisarts doorbellen,” zegt ze terwijl ik nog steeds alleen in mijn spijkerbroek sta, maar wel met mijn armen over elkaar. Het moet een gek gezicht zijn.

In de wachtkamer vertel ik de vriendin dat mijn borsten beurs zijn en neem een kauwgompje. De mevrouw doet na een paar minuten alweer de deur open, kijkt me aan en zegt: “De foto is in orde, maar we zien een plekje. Dus we willen nu meteen een echo maken. Je kunt doorlopen naar wachtruimte…”
Ik slik mijn kauwgompje per ongeluk door en sta op.
“Welke wachtruimte moeten we nou?” zeg ik tegen de vriendin, “ik hoorde alleen maar ‘plekje’.” Zij weet het ook niet. Zij hoorde ook plekje. Een andere mevrouw, maar ook met bril steekt haar hoofd uit een ander kamertje en roept mijn naam al. We hoeven niet eens te zoeken.

“Doe je truitje uit en ga daar maar liggen,” zegt ze. Ik ga liggen. Ze knikt geruststellend en kijkt naar een klein vierkant beeldscherm met blauw-zwarte kleuren, dat ik eigenlijk alleen maar ken uit films waarin een baby wordt geboren. De mevrouw smeert lichtblauwe gel op het ding met die ronde kop dat normaal over de buik gaat.
“Het is even koud hoor,” zegt ze.
Ik had mijn eerste kennismaking met een echo apparaat toch iets anders voorgesteld. Bij voorkeur met een leuke vent naast het bed en dat we naar iets kijken dat leeft in mijn buik en niet in mijn tiet.
Ze rolt met de gel over mijn borst. Het is echt koud. Met gespleten ogen kijkt ze naar het beeldscherm, ook net als in de film.

“Kijk, daar is ‘ie,” zegt ze en wijst naar iets blauws. Ik kijk, maar waarnaar weet ik niet precies.
“Het gaat helemaal goed,” ze lacht een beetje.
Ik krijg het idee dat er een mini baby in mijn linkerborst aan het groeien is.
“Kijk, dit is je klier,” haar wijsvinger tikt een blauw plekje aan, “en hier is ‘ie ontzettend opgezwollen.”
“Mijn klier?”
“Ja, hij ziet er goed uit, er is niks aan de hand. Maar ik snap wel dat je wat voelde.”
“Het is dus niks?”
“Het is niks, je klier is onrustig, het zijn hormonen. Hij wordt vanzelf weer normaal.”
“Jezus, wat fijn,” gooi ik eruit. “Sorry, maar ik ben zo opgelucht.”
“Maar blijf wel borstonderzoeken doen. Elke maand. Vanaf jouw leeftijd is dat echt belangrijk.”

Het is geen klontkanker. Ik adem diep in, mijn klier is gewoon onrustig en adem uit. Het wordt vanzelf weer normaal. Ik hoef niet meer te denken aan mijn gebrek aan verzekering, aan bij mijn ouders wonen of aan mooie en verdrietige liedjes. Dat is fijn. Maar als je achtentwintig bent, moet je dus regelmatig je borst onderzoeken. Gatverdamme. Dat is naar. Maar ik zal het wel doen, elke maand. Gelukkig weet ik wel hoe een onrustige klier nu voelt.