Babyblues

Om me heen worden vele vrouwen zwanger. Een paar jaar geleden was het één vriendin, of één zus die met een bolle buik rondliep. Eén zwangere kon ik hebben. Nu zijn er drie vriendinnen in verwachting en twee kennissen en heb ik het gevoel dat ik ergens een heel belangrijk startschot gemist heb. Alsof er iemand met een megafoon door de straten liep en naar alle vrouwen van boven de dertig schreeuwde: Vrouwen klaar, baren maar!

Zij die het startschot wel hoorden, zijn moe en vrolijk, tonen echofoto’s op hun telefoon en ik krijg nu dus wel het idee dat ik iets moet met dat hele babyconcept. Kinderen. Baby’s. Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet altijd warme gevoelens koester als ik er eentje zie. Ze zijn ieniemienie en daarmee aandoenlijk (maar wel lelijk, ja toch wel echt, ook al is een wonder, het is een klein, lelijk wondertje) en ze maken herrie. Toegegeven, ze ruiken naar Zwitsal en dat vind ik heerlijk maar ze houden je ook chronisch uit je slaap, laten kotsboertjes op je schone kleren en je kunt er, tot ze de pubertijd doorgeworsteld hebben, geen fatsoenlijk gesprek mee voeren. Maar, zo zeggen alle mensen als ik deze argumentatie opvoer; je krijgt er zoveel moois voor terug.

Je krijgt er zoveel moois voor terug. Dat snap ik. Het is een tastbaar bewijs van de liefde tussen twee mensen, dat in je groeit, daarna komt het eruit (daar wil ik sowieso niet over nadenken), groeit het verder, ontwikkelt het zich, kijkt het op zijn of haar eigen manier naar de wereld en al die tijd zorg je ervoor dat het in leven blijft. Dat is bijzonder. Dat snap ik. Maar, al dat moois zie ik (nog) niet helemaal. Ik voel dat (nog) niet helemaal. En het wordt toch weleens tijd.

Voor jullie blijf ik altijd achtentwintig, maar ik ben inmiddels tweeëndertig. En alle redenen die er zijn om nee tegen baby’s te zeggen, zijn verdwenen. Ik heb geleerd om voor een cactussen te zorgen, zelfs voor een hond, ik heb mijn boek af en het allerbelangrijkste; ik heb iemand gevonden die voor altijd bij mij hoort.

Natuurlijk smelt ik weleens bij de gedachte aan mijn taalnazi (die ik als we ouders zijn misschien toch echt een andere bijnaam moet geven) met een kindje. Dat in zijn grote hand een kinderhandje verdwijnt. Dat we met z’n drietjes langs de Kralingse plas lopen (en met Floortje, want dat blijft natuurlijk altijd mijn eerste kind) en het goed is. Dat ik een liefde voel die alles overstijgt, want dat kan ik me wel goed voorstellen. Dat ik voorlees met rare stemmetjes en ik me verbaas over hoe hij, of zij, de wereld aan me uitlegt. Dat ik moet lachen omdat hij zegt dat ik zo’n grote neus heb of dat ik moet huilen omdat zij haar armpjes om mijn nek klemt als het buiten stormt.

Maar er is ook angst. Veel angst. Of ik het wel red. Of ik het wel kan.

Ik ben een vrolijk meisje met een zwart randje. Dat weet ik van mezelf. Ik heb therapie gehad. Ik heb zelfhulpboeken gelezen. Ik heb gedronken om het donker te doen verdwijnen, ik heb het weg proberen te eten of weg te sporten. Ik heb mezelf kwijtgemaakt, gezocht en weer gevonden. Ik ben gaan mediteren. Ik ben mezelf gaan accepteren. En toen kwam de taalnazi (ja, de tweede ronde). Precies op het juiste moment. Hij maakte me gelukkiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Alles is met hem leuker. Alles is lichter. Draaglijker. Vrolijker. Fijner.

Regelmatig ben ik te gelukkig.

Dan denk ik: ik ben nu zo gelukkig, ik zal morgen wel borstkanker krijgen ofzo. Dat moet wel. Of, ik ben nu zo gelukkig met de taalnazi. Zul je zien: rijdt ‘ie zich vanavond per ongeluk hartstikke dood. Ik vertrouw het leven simpelweg niet. Het is te goed. Niet dat alles helemaal op rolletjes loopt, dat het met iedereen om me heen goed gaat. Nee. Was dat maar zo. Maar er is een basisgeluk. Een basisgeluk van voor altijd bij iemand horen die het leven leuk en licht maakt.

Met zo iemand wil je toch een kindje? Soms wil ik dat heel graag. Maar soms denk ik; ik ben nu zo gelukkig, het kan alleen maar minder worden. En ik ga het erger maken, want soms denk ik: het gaat zo goed, we leven nog, er is geen kanker of fataal auto ongeluk, misschien zijn het die kinderen wel, als we daar voor kiezen. Is een kind ons fatale auto ongeluk.

In dat scenario blijken we niet te zijn gemaakt voor gebroken nachten. Het beetje geld dat nu genoeg is, blijkt veel te weinig met een baby en we gaan ruzie maken. Ik ben chronisch boos en hij terneergeslagen. Ik word zo’n vrouw die alleen maar zorgt en flesjes maakt en klaagt over dat ze geen eigen leven meer heeft. Of erger. Ik krijg een postnatale depressie en hij weet niet hoe hij me moet troosten. Ik vind het kindje helemaal niet lief en krijg spijt dat het er ooit gekomen is. Tot daar gaat het scenario; het denken over baby’s stopt bij dat donker. Het gevoel dat ik defect bent, vult me vanaf daar op. Ik mis een stukje dat normale vrouwen wel hebben. Het grote verlangen naar een kind, naar het moederschap. Een moederinstinct.

Deze week was ik moe en ik dacht ik veel over baby’s en moeder zijn. Ik zat met een zwangere vriendin in de trein en het alsmaar terugkerende doemscenario brak me op.  Hoewel misschien vreselijk ongepast, vroeg ik haar of zij ook dacht dat een kind een fataal auto ongeluk kon zijn voor hun relatie. Ze schrok niet, ze lachte niet, ze knikte. Ze had zelf ook regelmatig gedacht dat haar vriend zou sterven voor ze zwanger was. En nu ze een kind kregen, droomde ze nog steeds over zijn dood en dat zij dan met dat kind zat. Ik vroeg haar waarom ze het toch gedurfd had, zwanger (proberen te) worden. Het is toch ook mooi, zei ze, het is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Ik knikte. We praatten.

Het werd een klein beetje meer helder. Een kind stinkt en ruikt naar Zwitsal. Het houdt je wakker en geeft je liefde. Het is stikvermoeiend, maar geeft ook energie. Het is mooi en verschrikkelijk en dat mag. Dat is wat het leven is. Het is donker en licht en met of zonder kind zal het donker en licht blijven. Ik kan geluk niet vasthouden, net zomin als ik ongeluk kan doen verdwijnen. Nu al leert dat eigenwijze jong van ons mij wat. Alles is donker en licht, gekke mama, alles is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Misschien gaan we het ervaren. Ooit. Misschien. Als ik het uiteindelijk durf en als het dan ook nog eens kan.

Het groene mandje

het groene mandje

Ik zie mezelf als een zacht mens, iemand die met geduld naar anderen kijkt, iemand die lief is en graag lief heeft, iemand die met zachte ogen de wereld beziet.
Maar soms. Soms wil ik gewoon een rauw ei naar iemand gooien. Heel soms maar. En meestal naar de taalnazi. Het zijn kleine dingetjes. Het is de kaas uithollen en nooit de korsten er vanaf snijden. Het is altijd de handdoek vies maken en geen nieuwe ophangen. Het is kleding uitdoen en die neergooien op willekeurige plekken in het huis. Of nou ja, ‘willekeurig’: overal behalve in de wasmand. Al mijn liefde en geduld ten spijt, op die momenten vind ik hem verschrikkelijk irritant.

Natuurlijk weet ik dat ik me soms aanstel, dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan uitgeholde stukken kaas en vieze handdoeken, en daarom probeer ik de taalnazi ook niet altijd lastig te vallen met mijn frustraties. Maar om het voor mij op te lossen, moet ik er wel iets mee doen, iets dat oplucht. Een paar weken geleden vond ik de oplossing. We zaten aan de telefoon en hij was het – geheel ten onrechte – niet met me eens. Het was een te klein dingetje om ruzie over te maken, dus ik moest het anders oplossen. Nadat we hadden opgehangen, liep ik naar de badkamer. Onze twee tandenborstels stonden gemoedelijk samen in de beker. Ik haalde de borstel van de taalnazi eruit en legde die in het groende mandje. Ik grijnsde. Dat was zijn straf. Zijn tandenborstel moest, totdat ik bekoeld was, in de groene mand tussen de wasmiddelen slapen. De tandenborstel logeert sindsdien minimaal eens per week in het groene mandje. Het is perfect. Ik ben het kwijt, de taalnazi zit zonder dat hij het weet zijn straf uit: een ideale situatie voor alle partijen.

Afgelopen weekend waren we op een bruiloft. Ik zag er mooi uit, de taalnazi ook. Ik had een fifties jurk aan, een zwarte jurk met rode kersjes erop. Strak rond de borsten, wat ik kan hebben, en lekker wijd uitlopend rondom de buik, wat ik moet hebben. Ik vond de jurk te gek. De taalnazi ook, hij had er zelfs een bijpassende rode stropdas bij gekocht. Een vriend van hem bleek ook dol op mijn jurk. Hij legde zijn hand op mijn buik en aaide de kersen, ‘hé wat grappig,’ zei hij. Daarna proosten we op mijn jurk en op het bruidspaar, we dronken meer bier en nog meer en nog meer, we aten een broodje shoarma met knoflooksaus en we gingen bezopen naar huis. Het was een mooie dag, een mooie bruiloft en de kersjes op mijn jurk waren prachtig. Alles was lief.

De volgende dag zaten de taalnazi en ik met onze katerkoppen aan het ontbijt. We aten stokbrood met mayo, tomaat en gebakken ei. De taalnazi was iets beter uit de kater gekomen dan ik; hij was redelijk vrolijk, ik was half dood.
‘He grappig verhaal nog…’ zegt hij.
‘O?’ Ik vraag het met mijn mond vol.
Hij vertelt over de vriend en diens hand op mijn kersen. ‘Hij dacht dat je zwanger was!’ De taalnazi lacht. ‘Ik was net op tijd. Nee man, doe normaal, ze is niet zwanger, en toen zei hij wat over die kersen.’
‘Echt?’ Ik slik geschrokken mijn brood met mayo, ei en tomaat door. ‘O mijn god.’
‘Is toch een leuk verhaal?’
‘Een leuk verhaal, een leuk verhaal,’ roep ik verontwaardigd. ‘Het lijkt of ik zwanger ben. Ik heb een pens alsof ik zwanger ben!’
‘Nee joh,’ hij glimlacht, ‘je bent lekker zacht.’
‘Hij wilde zijn hand op de baby leggen.’ Ik klink vrij hysterisch.
‘Jezus,’ mompelt de taalnazi. Dit had hij niet voorzien. ‘Sorry.’ Als hij een staart zou hebben, zat hij nu tussen zijn benen.
‘Waarom zeg je dit eigenlijk tegen mij?’ vraag ik. ‘Als hij het gister niet mocht zeggen, waarom vertel je het dan nu aan mij?’
‘Ik vond het een leuk verhaal,’ herhaalt hij.
‘Superleuk,’ grom ik.
Ik voel een lichte depressie aankomen, waarin ik alleen nog maar appels en water zal moeten eten. De taalnazi staat op. Met gebogen hoofd loopt hij de keuken uit.
‘Wat ga je doen?’ roep ik.
Hij roept niks terug. Ik sta nu ook op en loop achter hem aan. Hij gaat de badkamer in, ik ook. Hij staat voor de wasbak, pakt zijn tandenborstel uit de beker en legt hem in het groene mandje.
‘Leg hem maar weer terug als jij er klaar voor bent,’ zegt hij tegen me.
‘Hoe weet jij…’
Hij streelt mijn haar. ‘Ik heb mijn borstel al vaker in het mandje gevonden.’
Hij heeft er nooit iets van gezegd.
Hij kent me.
Hij accepteert me.
Van hem mag ik zijn tandenborstel in het groene mandje leggen als ik dat nodig heb. Ik haal zijn borstel eruit en zet ‘m weer naast mijn tandenborstel in de beker.
‘Dankjewel,’ zeg ik.

Overspannen zijn is net als zwanger zijn

IMG_0303

Ze zijn overal. Ik zit met een kop thee op de bank en ze hebben me omsingeld. Op whatsapp krijg ik foto’s binnen van pasgeboren baby’s, op Facebook zie ik collega’s met bolle buiken geposeerd tegen bomen staan en de enige vriendin die niet zwanger is of bezwangerd wil worden belt op om te vertellen wie er nog meer bijna moeder is. Er is geen ontsnappen meer aan. Ze zijn overal. De zwangere vriendinnen.

Zelf ben ik niet zwanger (op de foto heb ik gewoon serieus teveel gegeten). Maar ik ben wel overspannen. En als ik zo naar mijn vriendinnen luister, is overspannen zijn bijna hetzelfde als zwanger zijn. Als je zwanger bent, schijn je een emotioneel monster te worden (de vriendinnen geven het zelf toe). Dat ben ik op dit moment ook, ik kan al huilen als het verkeerslicht op groen gaat (en dat doe ik ook: o, lief verkeerslicht) en ben woedend als mijn merk kwark in de supermarkt op is (als wraak besluit ik nooit meer kwark te eten). Ochtendmisselijkheid, daar heb ik ook last van, alleen de hele dag door. Als ik gestressed ben, is mijn eerste symptoom duizeligheid. Maar nu ik overspannen ben, moet ik er ook bij kotsen. Of liever gezegd: bijna kotsen. Ik ben steeds aan het kokhalzen, zomaar. En daar word ik dan weer misselijk van. Maar dat ben ik dan zo weer vergeten, want ik heb ook last van zwangerschapsdementie. Zo stond ik gisteren de droge was af te halen en ik leek dat tijdens de handeling zelf al vergeten te zijn. De wc moest plotseling schoon. Een minuut later zat ik op mijn knieën op de vloer van het toilet, omringd door schone onderbroeken. Er lag trouwens ook een ananas naast de wc borstel. Waar die vandaan kwam, weet ik eigenlijk nog steeds niet.

De hel die zwanger zijn heet, levert de vriendinnen ‘iets moois’ op. Althans, dat vinden zij. Als ik een baby uit mijn vagina moest duwen en daar 18 jaar aan vast zou zitten, zou ik hard huilen met veel snottebellen erbij. Mijn hel levert weinig op. Mijn lijf is gewoon boos op me. Het is boos omdat ik mezelf al die tijd voorbij ben gelopen, dat ik mijn zorgen en mijn angsten heb weggestopt, onder een laagje eten en een laagje series. Maar ik kan het mezelf niet kwalijk nemen, want wegstoppen is fijn. Het is een kunst ook, die ik goed beheers. Als je het goed doet namelijk, merk je het zelf niet eens. Je hoeft even niet te voelen, even hoef je niet aan het bakje ellende dat je verstopt, maar naarmate je het langer verstopt, groeit het en nu zit ik met een hele grote bak ellende en een ontzettend groot bewustzijn. Ik zie alles, hoor alles en voel mezelf.

Wat ik hoor en voel is niet gezellig. Waarom is dit mislukt? Waarom deed ik dat niet anders? Wat ga ik doen om alles te veranderen? Hoe ga ik zorgen dat ik debuteer? Doe ik het wel goed genoeg? Het zijn vragen die ik vroeger wel vaag herkende, waar ik af en toe mee te maken had. Maar de afgelopen weken, in het dal der dalen worden deze vragen negatief beantwoord en worden de antwoorden de waarheid. Gelukkig kan ik mezelf af en toe herpakken. Dat komt ook door de vriendinnen die zichzelf tijdens hun zwangerschap niet altijd serieus nemen. Ze hebben een ‘pregnancy brain’. Het zijn de hormonen die praten. Ik heb een ‘extremely stressed out brain’. Het zijn de hormonen van de overspannenheid die praten. En eigenlijk is dat ook zo. Ik kom er wel uit, ik ben niet dit. Het wordt weer anders. Heel af en toe voel ik het al, het zijn kleine schopjes van dat het beter gaat.

Want ook al is het donker in de krochten van het bijna kotsen, de duizeligheid en de dementie, ergens daarbinnen is er ook een plekje waar het lichter is. Het is een warm hoekje in mijn gedachten en mijn lijf; het is er niet altijd en ik kan het alleen vinden als ik goed zoek. Zoals een hond die heen en weer beweegt in zijn mandje, totdat hij precies de juiste houding heeft om te gaan slapen, beweeg ik me door de slechte momenten, totdat ik mijn plekje heb gevonden. Soms is het maar een paar minuten, soms is het iets langer. Ik laaf me aan het alleen zijn, aan de gedachte dat ik niks hoef te doen, geen deadline hoef te halen, niemand hoef te doen lachen of ervoor te zorgen dat iets goed komt. Ik hoef dan niet eens te zorgen dat het met mij goed komt. In die paar minuutjes lig ik in mijn eigen mandje en wéét ik dat het goed komt. Dan besef ik dat ik er ook ‘iets moois’ voor terug krijg. Ik voel dat ik groei, dat ik door het overspannen zijn mezelf weer net een beetje beter ken en dan wordt het warm en licht en ben ik blij met wie ik aan het worden ben.

Kerstwens

Kerstwens

In een groot huis ergens in Nederland, woont een meisje van elf zonder haar ouders. Ze zit op de gang en heeft net met een ongelooflijk harde trap het glas uit een deur geschopt. Negen andere kinderen zonder ouders zijn in de woonkamer kerststukjes aan het maken als ik binnen kom. Ik geef schrijfles op residentiële opvangcentra door het hele land. Het is een mooie term voor een kindertehuis.

“Hallo knapperds,” roep ik en ik knik naar de begeleider die ook aan tafel zit.
“Hoi juf,” zegt een van de jongetjes die fantastische verhalen kan schrijven. “Kijk eens naar mijn kerststukje!”
“Snotverdikkeme nog aan toe,” zeg ik. “Wat mooi.” De kinderen grinniken altijd om snotverdikkeme.

In de tuin horen we geschreeuw. Het meisje dat op de gang zat, rent naar buiten. Een begeleidster rent erachteraan. We kijken naar het tafereel. “Ga eens verder met de stukjes,” zegt de begeleider. Braaf gebeurt het. Ook ik pak maar een stukje oase en prik er mos in. Dan een takje hulst. Wat slingers. Er zijn ook zijn kleine kerstballen, takjes met besjes, paddenstoeltjes en glitters. Maar geen kaarsen, ze mogen geen kaarsen in hun stukjes.

Tien kinderen wonen er hier. Maar in Nederland wonen duizenden kinderen meer in residentiële opvang omdat ze thuis worden mishandeld, omdat hun ouders in een afkickcentrum zitten, psychisch niet in orde zijn of om… bedenk het maar. Ik heb de vreemdste dingen gehoord. Het is verdrietig. Elke keer als ik lesgeef, bedenk ik hoe zwaar het is om jong te zijn zonder ouders. En dan is het nu godverdomme ook nog eens kerstmis.

Ik weet niet of het aan kerst ligt, maar iedereen om me heen heeft zwangerschapsambities. Sommigen zijn al zwanger, sommigen doen hard hun best. Sommigen hebben er net al één uit geworpen. Normaal maak ik ongepaste grappen tegen baby’s die nog in buiken zitten. Eet ik hele borden beschuit met muisjes leeg. Maar nu stoort het me.

Het meisje is weer rustig geworden, de begeleider zegt dat ik even met haar mag praten, kijken of ze nog met de les mee wilt doen. En anders moet ik gewoon zonder haar beginnen. Het meisje, dat slim is en mooi en schrijft alsof ze met een pen in haar hand is geboren, zit onder de trap op een grote zitzak. Het is het ‘rustig worden plekje’ van de opvang. Ik ga bij haar zitten en leg mijn hand op die van haar. Niks weet ik te zeggen.
“Hoe is het nou?” vraag ik uiteindelijk.
“Ik ben zo verdrietig,” zegt ze.
Mijn hand aait die van haar.
“Ik had zulke slechte cijfers gehaald op school en hier is het gewoon stom, ik wil hier niet wonen en ik mis mama maar ik weet dat het niet goed voor me is om bij mama te wonen. Maar ik ben zo alleen.”

Ik knik en ik weet niet of het mag als juf, maar ik ga staan en open mijn armen. Zonder iets te zeggen, legt ze haar hoofd op mijn borst en haar armen om mijn rug. Ze ademt uit en laaft zich aan me. Ik streel haar haren en moet mezelf ervan weerhouden om een kus op haar hoofd te geven. Ze houdt me stevig vast. Lang. Ik heb nog nooit iemand zo lang vast gehad. Niet mijn moeder, noch mijn vriendjes.

Als ze me loslaat, zijn de kerststukjes af en kunnen we aan de schrijfles beginnen. Het meisje is weer vrolijk, net als de rest van de kinderen.

Ik denk aan de babyshower die er volgende maand op het programma staat. Babynamen raden. Roze spekjes eten. Ik kijk naar de kerststukjes die af zijn. Het jongetje dat ook zo mooi kan schrijven, wil dat ik die van hem mee naar huis neem. Ik mag er wel een kaars in doen, zegt hij en daar is het stukje toch eigenlijk voor.

Normaal snap ik dat wanneer je samen bent met een partner, je een baby van elkaar wilt. Dat je dik wilt worden en dat het bijzonder is dat er een mensje uit je komt. Dat je iets van elkaar samen wenst. Maar nu is het godverdomme kerst. En dan wensen we andere dingen. Dan wensen we dat het overal sneeuwt of dat we de hele wereld te eten kunnen geven. Ik heb ook een kerstwens. Ik wens dat we stoppen met baby’s produceren en eerst de mooie exemplaren opmaken die we al hebben. Ze maken de prachtigste kerststukjes.